Afbeelding
DigiShots

Longeren met dubbele lijnen of een lijn?

Instructie Opvallend

‘Met twee lijnen longeren is veel te ingewikkeld. Ik raak telkens in de knoop. Mijn paard is bang voor de buitenste lijn. Aan een lijn werken is niet zinvol.’ Longeren kan aan een lijn of aan twee lijnen. Beide manieren hebben voor- en nadelen. Het is aan jou om te onderzoeken wat er bij jou en je paard past. Beide manieren voegen veel toe aan je training.

Grootste verschillen

Waar kun je bij een enkele lijn tegenaan lopen?
  • Het paard kan makkelijk omdraaien.
  • Het paard kan naar je toe komen.
  • Het paard kan zich onttrekken aan je hulpen.
  • Het is moeilijk om continu licht teugelcontact te houden.
  • Het paard blijft te hoog of te laag met zijn hals lopen.
  • Het paard blijft op de schouders vallen.
  • Het paard loopt een ei in plaats van een mooie cirkel.

Het grote voordeel van deze moeilijkheidsgraad is dat je leert om goed op je eigen positie te letten. Het vergt van jou interactie om een mooie lichte aanleuning aan die ene lijn te krijgen. Je gaat geconcentreerd werken zodat je je paard goed kunt begeleiden. Met een lijn is er weinig afleiding, want je raakt niet zo snel in de knoop. Je hebt een hand vrij voor een longeerzweep die als lange arm kan dienen. Je paard leert op eigen benen te lopen, zijn eigen balans te zoeken en op lichte signalen te reageren. Met een lijn longeren heeft dus naast enkele nadelen heel veel voordelen!

Waar kun je bij twee lijnen tegen aan lopen?

  • De lijnen zijn veel te lang.
  • Je paard wordt een rollade als je niet handig bent.
  • Je hebt geen hand over voor een longeerzweep.
  • Het is moeilijk om evenredige aanleuning op beide lijnen te krijgen.
  • Het vergt veel oefening voordat je effectief kunt trainen.
  • Je raakt zelf met de lijnen in de knoop.

Door het werken met twee lijnen kun je echt vanaf de grond ‘rijden’. Als je werkt met je energie en longeerzweep dan zijn dat je benen. Een paard dat netjes in aanleuning gaat tussen twee lijnen kan je eenvoudig recht richten en er is ruimte om te spelen met verzameling. Door het gebruik van twee lijnen in plaats van hulpteugels leer je doseren en aanvoelen. Je kunt het paard sterker beïnvloeden. Wat bij onkundig gebruik een nadeel kan zijn. Maak je keuze op basis van je trainingsdoel en africhtingsniveau van je paard.

Tips:

  • De gangbare dubbele longe is meestal te dik en veel te lang. Je hebt je handen er vol aan. Doorknippen en inkorten is het advies.
  • Twee losse lijnen geven je de kans om bij een noodsituatie een lijn los te laten en een lijn vast te houden. Hierdoor raken jij en je paard minder snel in de knoop.
  • Een lange longeerzweep is vaak zwaar. Met name bij nat weer als de slag doorweekt is. Heb je een zweep nodig, denk dan aan een menzweep.
  • Er zijn allerlei optomingen mogelijk. Denk eraan dat als je met twee lijnen werkt waarbij er een achter de billen van het paard loopt, je niet in contact kunt werken. De beweging van het achterbenen beïnvloeden de lijn tot en met het bit. Naast dat dit onprettig is voor het paard is het ook verwarrend.
  • Wen je paard langzaam aan het gebruik van een buitenteugel. Longeer zoals je altijd doet aan een lijn en laat de buitenste lijn eerst losjes hangen. Pas als het paard het niet spannend vindt ga je naar de gewenste optoming en het gewenste contact.

Het mooiste is natuurlijk als je beide manieren aan je trainingstools toe kan voegen. Hoe meer afwisseling je in je training kunt aanbrengen hoe beter.

Betere ruiter

Onderzoek wat bij jou past. Lijkt iets ingewikkeld, pak dan juist die uitdaging aan. Je teugelgevoel, body-awareness en lichaamstaal die je ontwikkelt door beide vormen van longeren onder de knie te krijgen, maken van jou ook een betere ruiter. 

Door: Monya Spijkhoven van de Gelukkige Ruiter Academie