Afbeelding
Foto: Remco Veurink

Gezonde merrie, gezond veulen

Fokkerij Opvallend

Veel tijd, moeite en geld gaat naar de drachtigheidsbegeleiding van de merrie. Vooral naar de beginfase; de inspectie van de eierstokken, het bepalen van het inseminatiemoment en controle van de eerste weken van de dracht. Daarna is het afwachten. Pas aan het einde van de dracht, als de buik echt dik en rond is, krijgt de merrie weer extra aandacht. Maar vergeten we de groeifase van het veulen niet? 

Sterk ontwikkeld

In alle maanden tussen het prille begin en de laatste, zware loodjes van de dracht heeft het veulen zich sterk ontwikkeld. De bouwstenen hiervoor krijgt hij van zijn moeder. Helaas is het rantsoen van de drachtige merrie vaak maar in beperkte mate aangepast aan de stijgende behoefte aan voedingsstoffen. Veel van die moeders zijn fokmerries, die ieder jaar een veulen krijgen. Tekorten in het rantsoen geeft niet alleen een leegloop van alle reserves van de merrie en daarmee een daling van de (fok)prestaties en haar levensverwachting, maar ook beperkingen voor de ontwikkeling van het veulen.  

Gezonde merrie voor gezond veulen

De groei en ontwikkeling van het veulen in de baarmoeder gaat schijnbaar vanzelf. Wat je ook doet, veel of weinig moeite en zorg, dat veulen komt er wel. 

Meestal is dat ook wel zo. Het enige is dat je niet weet of het veulen is gegroeid op de reserves van de merrie, of dat het veulen optimaal is ontwikkeld. Misschien heeft het toch ergens steekjes laten vallen, die er later pas uitkomen. Men doet tegenwoordig veel onderzoek naar de invloed van de zwangerschapsperiode bij de mens op bepaalde ziekten en aandoeningen in het latere leven. 

Genen uit en aan

Kinderen die bijvoorbeeld geboren worden bij moeders die veel te mager waren tijdens de zwangerschap, hebben grotere kans om in hun latere leven obesitas, diabetes type II en hart- en vaatziekten te ontwikkelen. Ergens zijn er bij het kind tijdens de zwangerschap bepaalde genen ‘uit en aan’ gezet die in dit geval leiden tot te veel eten. 

De sportprestaties van het veulen op volwassen leeftijd zijn gerelateerd zijn aan groeiachterstanden tijdens de dracht. Door de drachtige merrie optimaal te voeren stimuleer je een goede ontwikkeling van het veulen. Het veulen maakt een goede start, omdat de bevalling vlot verloopt, de biest veel voedingsstoffen bevat en de merrie veel melk geeft. Hierdoor krijgt het veulen alles voor een verantwoorde groei in de eerste maanden van zijn leven.

Voedingsstoffen voor de groei

In het begin van de dracht groeit het veulen erg langzaam en biedt het ‘gewone’ rantsoen van de merrie meestal voldoende voedingsstoffen. 

Maar de laatste groeifase van het veulen in de baarmoeder gaat erg snel en dan moet je er zeker van zijn dat alle elementen voor een goede ontwikkeling aanwezig zijn. Het veulen zet in de laatste drie, vier maanden tachtig procent van alle magnesium aan, negentig procent van calcium en fosfor en bijna vijftig procent van koper, zink en mangaan. Ook de opslag van koper in de lever van het veulen vindt dan plaats. Deze voorraad is nodig om de eerste levensmaanden te overbruggen. 

Gezonde melkkwaliteit

Niet alleen voor de directe ontwikkeling van het veulen, maar ook voor de melkproductie van de merrie is het rantsoen tijdens de dracht belangrijk. De eerste melk, de biest, bevat naast veel energie ook andere noodzakelijke stoffen die het veulen nodig heeft om goed van start te gaan. Alleen in de eerste uren na de geboorte kunnen deze stoffen de darmwand passeren, na 24 uur sluit de darm zich als het ware. 

Eén groep van deze stoffen zijn de immunoglobulinen. Dit heeft het veulen nodig voor een goede weerstand. Uit onderzoek blijkt dat het verhogen van de hoeveelheid vitamine E en selenium in het rantsoen van de merrie tot twee keer de gangbare norm, resulteert in biest met meer immunoglobulinen. Veel rantsoenen halen echter niet eens de ‘gewone’ norm van vitamine E. 

Aanvullen

Als de merrie in de laatste maanden van de dracht een rantsoen van hooi en krachtvoer krijgt is de kans groot dat dit te weinig vitamine E bevat. Dit komt omdat in de winter het vitamine E-gehalte in hooi steeds lager wordt. Dit geldt trouwens ook voor het caroteengehalte in hooi (voorloper van vitamine A). 

Het aanvullen kan eenvoudig met een vitamine E supplement. Kijk wel uit dat de merrie niet teveel selenium krijgt, dit zit vaak samen in een supplement en is in te grote hoeveelheden giftig. In het voorjaar en in de zomer met een grasrijk rantsoen is het makkelijker om de merrie voldoende vitamine E en caroteen te geven. Dan weet je (bijna) zeker dat de merrie niet alleen veel immunoglobulinen in de biest heeft, maar ook voldoende vitamine E. Het veulen krijgt tijdens de dracht maar weinig vitamine E mee en is hiervoor van de biest afhankelijk. Een ernstig vitamine E tekort leidt tot een vetontsteking bij het veulen, met als gevolg sterke verzwakking en noodzaak tot intensieve behandeling. Zo’n ernstig tekort is gelukkig zeldzaam, maar merries die suboptimaal gevoerd worden zijn er legio.  

Koliek tijdens de dracht

Een heel andere reden waarom het rantsoen van de drachtige merrie aandacht verdient, zijn de verteringsproblemen. Het komt nog wel eens voor dat de merrie aan het eind van de dracht koliek krijgt als gevolg van een darmverdraaiing of door een verstopping. De verteringsstoornis kan zelfs leiden tot hoefbevangenheid. Soms is een operatie nodig tijdens de dracht, wat natuurlijk grote risico’s met zich meebrengt. 

Dit is niet allemaal te voorkomen, maar extra aandacht voor het rantsoen helpt wel. Aan het einde van de dracht neemt het veulen veel plaats in en kan de merrie maar beperkt ruwvoer eten. Dit vergt aanpassing van de kwaliteit van het ruwvoer. Om verstoppingen te voorkomen is een fijne, zachtere kwaliteit beter dan een harde grof stengelige soort. Dit is ook beter na het veulenen, als de merrie veel energie nodig heeft. Fijn hooi is namelijk energierijker dan hard hooi. 

Voerovergang

Door de voerovergang al voor het veulenen te introduceren, is er minder risico op verteringsproblemen. De keuze voor het krachtvoer is belangrijk en kan helpen koliek of diarree te voorkomen. Veel krachtvoer is gebaseerd op granen en graanproducten en bevat veel zetmeel en suikers. Eet de merrie weinig hooi omdat er kans is op een darmverstopping, dan krijgt ze vaak veel krachtvoer om toch in een goede conditie te blijven. Het voeren van veel krachtvoer heeft als risico dat het onverteerde zetmeel en suiker de darmflora verstoort en diarree of koliek veroorzaakt. Beter is het aandeel zetmeel en suikers van het krachtvoer te verminderen, door voer met meer vet en minder zetmeel en suikers te gebruiken. 

Extra vezels

Er kunnen ook extra vezels aan het krachtvoer worden toegevoegd voor een goede en gezonde darmflora. Ditzelfde recept is ook gunstig als de merrie met veulen straks op stal moet blijven staan. De merrie heeft veel energie en eiwit nodig voor een gezonde melkproductie. Maar ook hier is een krachtvoerrijk rantsoen met veel zetmeel en suikers risicovol. Een bijkomend voordeel van een vetrijker rantsoen is dat het niet alleen veiliger is, maar ook positief werkt op de gehalten aan immunoglobulinen in de biest en het aandeel linolzuur in de melk. Dat laatste werkt weer preventief in het voorkomen van maagzweren bij het veulen. Al met al verdient de voeding van de drachtige merrie meer aandacht dan momenteel gebeurt. Door hier tijdig mee aan de slag te gaan verbeter je de conditie van de merrie, de melksamenstelling en de melkproductie én de gezondheid van het veulen. Kleine moeite, groot plezier! 

Bron: De Hoefslag