In de maanden na de geboorte laar de merrie het veulen steeds minder vaak drinken en leert het veulen vaste voeding te eten, zoals hooi, gras en krachtvoer. Na ongeveer een halfjaar wordt het veulen vaak gespeend, ofwel van de moeder af gehaald. In deze voor het veulen stressvolle periode kunnen verschillende spijsverteringsproblemen ontstaan.
Krachtvoer bevat veel zetmeel. De enzymproductie van het jonge veulen is nog niet dusdanig ontwikkeld dat het grote hoeveelheden zetmeel kan verwerken. Door stress kan bovendien het spijsverteringsstelsel extra snel werken, waardoor de kans dat zetmeel in de dikke darm terecht komt, extra groot is. De verzuring van het darmstelsel die hierdoor ontstaat, kan leiden tot diarree en koliek, en tot veranderingen in darmflora die zelfs op latere leeftijd nog problemen kunnen geven.
Jonge veulens groeien snel en hebben veel energie nodig. Om het risico van teveel zetmeel te beperken, kan deze energie het beste uit voornamelijk ruwvoer worden gehaald. Vers gras, goed hooi en/of goede kwaliteit kuilgras zijn goede energiebronnen voor veulens. Een ruwvoeranalyse is hierbij verstandig, omdat dat eventuele scheve verhoudingen en/of lage of hoge gehaltes aan mineralen en sporenelementen in het ruwvoer kunnen laten zien, waar met bijvoorbeeld een supplement op ingespeeld kan worden.
Voor een veulen is gezelschap en vrije beweging een absolute must. Zeker na het spenen moet een veulen worden omringd door soortgenoten, al dan niet van zijn eigen leeftijd, om het ontbreken van zijn moeder op te vangen. Gras van een goed onderhouden weiland vormt daarbij een waardevolle energiebron, die een veulen kan helpen gezond door de moeilijke speenperiode heen te komen. Onder invloed van stress lijden veel gespeende veulens aan maagzweren. Het is lastig dit volledig te voorkomen; de speenperiode blijft altijd stressvol, zelfs wanneer dit geleidelijk gebeurt. Qua voeding kan het helpen om een beperkte hoeveelheid luzerne bij de voeren (matig vanwege de scheve calcium/fosfor-verhouding). Luzerne heeft de eigenschap de zuurgraad in de maag iets te verlagen, wat de kans op het ontstaan van maagzweren verkleint.