Merrie met veulen
© DigiShots
Merrie met veulen © DigiShots DigiShots

Biodiverse Paardenhouderijen | “Nu de ruimte nog”

Verzorging

Wie met paarden werkt hoeft niet overtuigd te worden van het belang van een gezonde leefomgeving. Natuur, ruimte en variatie zijn geen abstracte idealen, maar dagelijkse praktijk. Paarden die buiten komen, beschutting zoeken, variatie ervaren in bodem en begroeiing. Een erf dat niet alleen functioneert, maar ook klopt.

De wil ontbreekt zeker niet

Toch blijft biodiversiteit op veel paardenhouderijen steken bij goede bedoelingen. Niet omdat de wil ontbreekt. Integendeel. Dit artikel is gebaseerd op recent gepubliceerd onderzoek uit het project Biodiverse Paardenhouderijen, mede mogelijk gemaakt door Regieorgaan SIA en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. In de context van het onderzoek Biodiverse Paardenhouderijen voerden Donna Arrabal en Elske van den Brink, studenten Equine Sports & Business, onder begeleiding van docent-onderzoeker Jennifer Korterink en lector Duurzame Paardenhouderij en Paardensport Inga Wolframm, uitgebreide interviews met paardenhouders door heel Nederland. 

Op het erf, tussen de paarden, met zicht op het land waar het uiteindelijk om draait. Wat uit die gesprekken naar voren kwam, is helder: de motivatie om met biodiversiteit aan de slag te gaan is groot, maar tussen willen en doen zit vaak een harde werkelijkheid. Zoals een van de deelnemers het verwoordde: “Ik geloof hier volledig in, maar ik moet ook mijn bedrijf draaiende houden en daar wringt het.”

Zorg voor paarden als vertrekpunt

Voor veel paardenhouders is biodiversiteit geen los thema. Het raakt direct aan paardenwelzijn. Een gevarieerde omgeving biedt rust, uitdaging en keuzemogelijkheden. Schaduw op warme dagen. Beschutting tegen wind. Verschillende structuren om te verkennen. Ruimte voor sociaal gedrag en beweging. In de gesprekken werd biodiversiteit zelden in ecologische termen beschreven. Paardenhouders spraken eerder over een erf dat “klopt’, ‘in balans” is, of ‘goed voelt voor paard én omgeving”. 

Biodiversiteit begint voor hen bij de vraag hoe paarden leven en wat zij nodig hebben. Veel deelnemers gaven aan dat zij hun terrein juist natuurrijker willen maken omdat het hun paarden ten goede komt. Meer variatie betekent meer prikkels, meer mogelijkheden tot natuurlijk gedrag, meer welzijn. In die zin worden welzijn en biodiversiteit nauwelijks als tegenpolen ervaren. Ze versterken elkaar. Dat maakt de motivatie intrinsiek. Ze komt van binnenuit. Vanuit zorg, trots en verantwoordelijkheidsgevoel. Niet omdat het moet, maar omdat het past bij hoe men wil werken.

Het onderzoek

Het onderzoek waarop dit artikel gebaseerd is, vormt een onderdeel van het bredere project Biodiverse Paardenhouderijen. In totaal werden negentien paardenhouderijen geïnterviewd, variërend van kleine particuliere locaties tot grotere bedrijven met tientallen hectares en meer dan honderd paarden. Tijdens de gesprekken stond niet alleen de vraag centraal wát paardenhouders doen op het gebied van biodiversiteit, maar vooral waarom zij bepaalde keuzes wel of niet maken. Wat helpt? Wat belemmert? En wat is er nodig om goede bedoelingen daadwerkelijk om te zetten in concrete maatregelen? 

Voor de analyse werd gebruikgemaakt van het COM-B model, een gedragswetenschappelijk raamwerk dat gedrag verklaart vanuit drie samenhangende factoren: Capability (kunnen), Opportunity (mogelijkheden) en Motivation (willen). Pas wanneer alle drie aanwezig zijn, ontstaat daadwerkelijk gedrag. In dit geval: het daadwerkelijk realiseren van biodiversiteit op paardenhouderijen.

Motivatie zelden het probleem

De eerste en misschien wel belangrijkste uitkomst van het onderzoek: motivatie ontbreekt vrijwel nooit. Sterker nog, motivatie blijkt de sterkste drijvende kracht. Veel paardenhouders voelen zich verantwoordelijk voor het land dat zij beheren en voor de impact die zij hebben op hun omgeving. Biodiversiteit past daar vanzelfsprekend bij. Het wordt gezien als onderdeel van goed ondernemerschap en goed paarden houden. In het onderzoek wordt dit aangeduid als reflectieve motivatie: bewuste waarden en overtuigingen die gedrag sturen. Deze vorm van motivatie bleek bij vrijwel alle geïnterviewde paardenhouders aanwezig. Paardenwelzijn speelt daarin een centrale rol. 

Een gevarieerde, natuurrijke omgeving wordt gezien als verrijking voor het paard. Meer beschutting, meer variatie in ondergrond, meer mogelijkheden om te bewegen en te ontdekken. Biodiversiteit wordt daarmee geen doel op zich, maar een logisch onderdeel van goede huisvesting. Ook een gevoel van verantwoordelijkheid voor landschap en omgeving speelt mee. Veel paardenhouders zien hun erf als onderdeel van een groter geheel. Niet alleen een bedrijf, maar ook een plek in het landschap. De bereidheid om stappen te zetten is dus aanwezig en dat is een belangrijke constatering, want verandering begint zelden bij regels of verplichtingen, maar bij motivatie van binnenuit.

Waar het vastloopt

Toch blijkt motivatie alleen niet genoeg. In de praktijk lopen paardenhouders tegen een reeks obstakels aan. Die obstakels liggen zelden op het vlak van overtuiging, maar vrijwel altijd op het vlak van mogelijkheden. Tijd is schaars. Arbeid is beperkt. Financiële ruimte is vaak klein. En regelgeving blijkt regelmatig ingewikkeld of onduidelijk. Voor kleinere paardenhouderijen betekent dit vaak dat alles op de schouders van de eigenaar terechtkomt. Onderhoud, beheer, planning en investeringen komen bovenop het dagelijkse werk. 

Elke extra maatregel vraagt tijd en energie die er niet altijd is. Voor grotere bedrijven speelt een ander soort complexiteit. Daar hebben veranderingen gevolgen voor personeel, planning en bedrijfsvoering. Een aanpassing in terreinbeheer raakt al snel het hele systeem. Dat maakt ondernemers voorzichtig. De schaal verschilt, maar de kern is gelijk: biodiversiteit vraagt ruimte. Niet alleen fysiek, maar ook organisatorisch en financieel.

Veel doen, weinig erkenning

Een terugkerend gevoel in de gesprekken is dat inspanningen van paardenhouders vaak onzichtbaar blijven. Veel ondernemers passen hun beheer al aan: later maaien, rekening houden met bodem en weer, ruimte laten voor kruiden, bomen en struiken. Dat gebeurt vaak zonder subsidie, zonder beloning en zonder formele erkenning. Tegelijkertijd vallen paardenhouderijen regelmatig tussen bestaande categorieën. Ze zijn geen klassieke landbouwbedrijven, maar beheren wel grote oppervlakten grond. Daardoor sluiten veel regelingen en subsidiestromen slecht aan. 

Wie geen agrariër is, maar wel land beheert, merkt dat in gesprekken met overheden en instanties. Subsidies zijn lastig toegankelijk. Regels zijn soms tegenstrijdig. Vergunningstrajecten kunnen lang duren en wie pacht of huurt, heeft vaak beperkte mogelijkheden om lange termijn maatregelen te nemen. Dat leidt tot frustratie. Niet omdat men niet wil, maar omdat men het gevoel heeft dat inzet niet wordt gezien of ondersteund.

Kennis zelden bottleneck

Een gebrek aan kennis blijkt zelden de grootste barrière. De meeste paardenhouders weten goed wat biodiversiteit inhoudt en waarom het belangrijk is. Ze volgen ontwikkelingen, lezen, en hebben vaak een scherp gevoel voor wat wel en niet werkt op hun eigen terrein. Wat ontbreekt, is geen algemene informatie, maar begeleiding die aansluit bij de specifieke situatie van het erf. Praktisch, context gebonden en afgestemd op paardenhouderij. 

Niet een standaardadvies, maar meedenken: wat past hier, op deze bodem, met deze paarden, binnen deze bedrijfsvoering? Veel ondernemers geven aan dat ze graag leren, maar niet alles zelf kunnen uitzoeken. Zeker niet wanneer keuzes gevolgen hebben voor paardenwelzijn, veiligheid of bedrijfsvoering. Goede ondersteuning verlaagt die drempel.

De rol van het systeem

Binnen het COM-B model vallen veel van deze knelpunten onder opportunity: de mogelijkheden die de omgeving biedt om bepaald gedrag te vertonen. En juist daar blijken de grootste barrières te liggen. Fysieke mogelijkheden zoals ruimte, geld en arbeid spelen een rol, maar ook sociale en institutionele factoren. De positie van paardenhouderijen in beleid en regelgeving is vaak onduidelijk. Ze vallen tussen landbouw, recreatie en zorg in. Daardoor ontbreekt soms een duidelijke plek in bestaande systemen. Die onduidelijkheid werkt door in vergunningverlening, subsidieaanvragen en samenwerking met overheden. 

Gemeenten en provincies hebben niet altijd voldoende kennis van de paardensector, waardoor beslissingen worden genomen op basis van kaders die voor andere sectoren zijn ontworpen en niet expliciet voor de paardenhouderij. Dat zorgt voor onzekerheid. En onzekerheid leidt tot voorzichtigheid. Wie niet zeker weet of een investering wordt toegestaan of ondersteund, stelt deze uit. Op deze manier ontstaat stilstand, terwijl de motivatie om te bewegen wel degelijk aanwezig is.

Intrinsieke motivatie

Ondanks alle barrières blijft iets altijd overeind: de motivatie. Bij veel paardenhouders groeit het besef dat biodiversiteit en welzijn onlosmakelijk verbonden zijn. Die motivatie uit zich niet altijd in grote projecten of zichtbare veranderingen. Vaak zit het in kleine keuzes die gemaakt worden: een rand laten staan, een boom behouden, anders maaien of anders inrichten. Alles stap voor stap. Juist daarin ligt de potentie van de paardensector. Niet in grootschalige omslagen van vandaag op morgen, maar in een brede bereidheid om te bewegen wanneer de omstandigheden dat toelaten. Wat nodig is, zijn omstandigheden waarin die motivatie kan worden omgezet in actie.

Van individuele inzet naar gezamenlijke beweging

Zolang paardenhouderijen individueel blijven zoeken naar oplossingen, verandert er weinig, maar wanneer de sector zichzelf duidelijker positioneert als serieuze beheerder van land en landschap, ontstaat ruimte voor een ander gesprek. Met overheden, met beleidsmakers, met financiers. Paardenhouderijen beheren veel grond. Ze combineren dierenwelzijn, recreatie, sport en landschap. Ze zijn zichtbaar in het buitengebied én in de stadsrand. 

Die positie biedt kansen, mits ze wordt erkend. Daar ligt een gezamenlijke opgave. Voor ondernemers, sectororganisaties en beleid. Niet om paardenhouderijen tot natuurorganisaties te maken, maar om te erkennen dat zij al bijdragen en met de juiste randvoorwaarden nog veel meer zouden kunnen doen.

Motivatie zonder middelen?

De conclusie uit het onderzoek is helder: de motivatie is er. De betrokkenheid ook.
Wat vaak ontbreekt, zijn middelen, ruimte en erkenning. Zolang die niet samenkomen, blijft biodiversiteit op paardenhouderijen afhankelijk van individuele inzet en persoonlijke draagkracht en dat is zonde. Niet alleen voor natuur en landschap, maar ook voor de sector zelf. Paardenhouderijen hebben de potentie om een belangrijke rol te spelen in een groener en veerkrachtiger landschap. Die rol hoeft niet nog gecreëerd te worden, hij is er al. Wat nodig is, is een omgeving die deze rol herkent en ondersteunt. Want wie zorgt voor paarden, zorgt ook voor de plek waar ze leven en die plek verdient ruimte om tot bloei te komen.

Het hele onderzoek nalezen kan hier.