Stockfoto IJslander
Stockfoto IJslander Foto: Remco Veurink

Gangen-gen bij tölters en telgangers ook van invloed op de galop

Algemeen
Het gen dat ervoor zorgt dat een gangenpaard het vermogen heeft om een extra gang te ontwikkelen, zoals tölt of telgang, is ook van invloed op hun galop, zo laat onderzoek aan de Zweedse Landbouw Universiteit en de Universiteit van Uppsala zien. Begin vorig jaar onderzocht een team onder leiding van professor Leif Andersson dit DMRT3-gen, dat een duidelijke stempel drukt op de bewegingen van een gangenpaard, zoals op de telgang en de tölt bij de IJslander. Bijna 4400 paarden van 141 rassen over de hele wereld werden geanalyseerd. Het €˜gangen-mutatie-gen' werd bij rassen van Japan in het oosten tot Groot-Brittannië in het westen, op IJsland, in Noord- en Zuid-Amerika en ook bij rassen in Zuid-Afrika aangetroffen. Bij 68 van de onderzochte rassen was het mutatiegen aanwezig. Rassen met een hoge frequentie van de mutatie -meer dan 50 procent- staan bekend als gangenpaarden of worden speciaal gefokt voor de drafsport. Het onderzoeksteam onderzocht de invloed van het mutatiegen bij Standardbreds (dravers) en IJslandse paarden, die te boek staan als echte gangenpaarden, nog verder. In het door Livestock Science Journal geaccepteerde artikel wordt gesteld dat een mutatie in het DMRT3-gen, een verandering van cytostine (C) naar Adenine (A) zowel de gang als de raceprestaties en draftechniek van de Standardbred en de Nordic-draver kan beïnvloeden. Deze mutatie is aanwezig bij gangenpaarden, maar niet of nauwelijks bij €˜gewone' Europese sportpaarden of bij volbloeds op de renbaan. De volgende fase bestond uit het onderzoeken of de genvariant van invloed is op de aanleg voor de galop bij Standardbreds en te kijken of heterozygote paarden (CA) -waarbij het normale gen van één van de ouders verkregen wordt en het mutatiegen van de andere ouder- beter geschikt zijn voor de westeuropese manier van rijden dan homozygote paarden (AA), die het mutatiegen van beide ouders geërfd hebben. Bij CA-Standardbreds bleek de verzamelde en uitgestrekte galop veel beter (gebalanceerd) dan die van de AA-paarden. De CA-paarden scoorden ook veel beter op overgangen van en naar verzamelde galop. Het ritme van de galop vertoonde echter geen grote verschillen. Bij Nordic dravers konden de onderzoekers geen significant verschil in galoppeervermogen vaststellen, maar er was wel een sterke associatie tussen de aanwezigheid van de mutatie en de aanleg voor tölt en telgang. Bij 446 IJslandse paarden €“bekend vanwege het feit dat ze naast de stap, draf en galop ook nog aanleg hebben voor telgang en tölt- werd de invloed van het mutatiegen op de rij-eigenschappen en de gangen vastgesteld. Vrijwel alle paardenrassen hebben het CC-gentype, dat wil zeggen, ze dragen niet het gen voor de speciale gangen. IJslandse paarden die geen drager van het mutatiegen zijn, kunnen echter toch tölten, maar waren daarin wel veel moeilijker te trainen dan hun rasgenoten die wel drager van het gen waren. Eerder onderzoek had al aangetoond dat 98% van de Zweedse Standardbreds drager van het mutatiegen zijn, tegenover 45% van de Nordic dravers. Ook het Latijns-Amerikaanse gangenpaard de Paso Fino, is bijna 100% drager van het mutatiegen. Horsetalk/Hoefslag Foto: Remco Veurink