Kijkoperatie in een gewricht
5 juli 2023, 16:00
Verzorging
Opvallend
Een van de meest voorkomende operaties aan het bewegingstelsel van het paard zijn de zogenaamde arthroscopieën. Scopie staat voor het in beeld brengen met een camera van een orgaan, arthro is de medische term voor gewricht.
Sneller herstel Paarden die in het verleden in een gewricht een probleem hadden, bijvoorbeeld osteochondrose met losse bot- of kraakbeenfragmenten (OCD), moesten worden geopereerd door een vrij grote snede in het gewricht te maken. Alleen door middel van die grote snede kon het gewricht met zijn kraakbeen en bot goed genoeg in beeld gebracht worden om met chirurgische instrumenten het probleem te opereren. Tegenwoordig zijn we echter in staat om met camera-apparatuur het gewricht van binnenuit te bekijken en met speciaal chirurgisch instrumentarium te opereren. Het grote voordeel hiervan is dat er slechts een minuscule huidsnede gemaakt hoeft te worden, waardoor het paard beduidend minder risico heeft op complicaties. Daarnaast herstelt het paard veel sneller van zijn operatie.
Ontstaan van OCD Bij veulens bestaan de botten voor een groot deel uit kraakbeen. Bij de groeischijven en de uiteinden van de botten verlengt het bot zich doordat kraakbeencellen zich vermenigvuldigen en rijpen. Tijdens dit rijpingsproces produceren ze een netwerk van hyaluronzuur, chondroitinesulfaat en glucosaminoglycaan-moleculen. Dit verkalkt vervolgens, waardoor het kraakbeen wordt omgezet in bot. De uiteinden van botten die onderdeel van het gewricht vormen, blijven een laagje kraakbeen bevatten.
Groeifase veulen In het lichaam zijn twee of soms meerdere botuiteinden met elkaar verbonden middels gewrichtsbanden en gewrichtskapsel. Tussen de botuiteinden (binnen het kapsel) bevindt zich de gewrichtsholte, welke is gevuld met een speciale gewrichtsvloeistof, die wrijving van de botuiteinden ten opzichte van elkaar voorkomt en zorgt dat de kraakbeencellen van het botuiteinde voldoende voeding krijgen. Osteochondrose is een aandoening die ontstaat tijdens de groeifase van het veulen. Er ontstaat dan een lokale verstoring van de bloedvoorziening van het groeiende kraakbeen in de botuiteinden die onderdeel zijn van het gewricht. Hierdoor wordt de rijping van het kraakbeen op zijn beurt weer verstoord, waardoor er twee scenario’s kunnen optreden.
Twee scenario’s In het eerste scenario is de bloedvoorziening van het kraakbeen dusdanig verstoord dat er kraakbeen lokaal afsterft. Daardoor komen stukjes kraakbeen los te zitten. Deze stukjes kunnen zelfs losschieten in het gewricht en naderhand verkalken. Dit noemt men osteochondrose dissecans, afgekort OCD, in de volksmond genoemd ook wel gewrichtsmuizen. Een dergelijk los fragment kan vastlopen in het glijvlak van het gewricht en op die manier een mechanische belemmering vormen waardoor het paard kreupel gaat lopen. Daarnaast kan een los fragment het gewrichtskapsel irriteren, waardoor het gewricht sterk overvuld kan raken. Een overvuld gewricht bij jonge dieren kan dus een eerste aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van OCD.
Kraakbeen wordt niet omgezet in bot Bij het tweede scenario vermindert de rijping en verkalking van kraakbeen, waardoor kraakbeen niet kan worden omgezet in bot. Deze paarden ontwikkelen afvlakkingen en/of ‘contourdefecten’ aan de botten in het gewricht. Zo zie je dit frequent in het kniegewricht (de zogenoemde ‘rolkammen’) en in het spronggewricht (eveneens ‘rolkammen’). Deze contourdefecten hoeven in de regel niet tot kreupelheid te leiden, maar worden bij diverse stamboeken wel gebruikt als röntgenologisch afkeuringscriterium voor dekhengsten of PROK-certificaten van merries. Alleen bij heel forse contourdefecten kan er wrijving in het gewricht ontstaan. Tijdens kijkoperaties blijkt het kraakbeen op deze plekken vaak ook matig van kwaliteit te zijn. Deze paarden kunnen dus wel degelijk kreupel worden.
Subchondrale botcystes En cyste kan ontstaan doordat er door een verkeerde belasting een heel klein scheurtje is ontstaan op de plaats van het al slechte kraakbeen. Dit scheurtje gaat als een soort ventiel werken. Bij het neerzetten van het been neemt de druk in het gewricht toe, waardoor er gewrichtsvloeistof door het kleine scheurtje wordt gedrukt. Bij het opnemen van het been, neemt de druk in het gewricht weliswaar af, maar komt de gewrichtsvloeistof niet terug (vandaar de ventielwerking). In het kraakbeen onder het scheurtje hoopt de gewrichtsvloeistof zich op, waardoor het kraakbeen afsterft. Dit proces blijft doorgaan.
Holte Doordat er zich steeds meer vloeistof ophoopt onder het kraakbeen, ontstaat er als het ware een holte onder het gewrichtskraakbeen die rechtstreeks in verbinding staat met de gewrichtsholte. Door de hoge druk in de holte, krijgen deze paarden gewrichtspijn en lopen daarom kreupel. Een holte wordt in de medische wereld ook wel omschreven als een cyste. De ventielwerking is te vergelijken met een fietsband. Hoe meer lucht je in de fietsband pompt, des te meer deze onder spanning komt te staan. Zo ook bij een botcyste. Wanneer er veel arbeid wordt verricht of het dier op het weiland veel beweegt, pompt hij steeds meer gewrichtsvloeistof in de holte en neemt de druk in de cyste toe. Een hogere druk in de cyste leidt dan ook tot meer pijn en kreupelheid van het paard.
Rust Als je je fiets een tijdje aan de kant zet, loopt de fietsband steeds een klein beetje leeg. Zo ook met een botcyste. Wanneer het dier relatief weinig beweegt of voor een langere periode rust krijgt, ontstaat er weinig drukverhoging in het gewricht en wordt er dus ook weinig gewrichtsvloeistof door het kraakbeenscheurtje (het ‘ventiel’) in de botcyste gepompt. Doordat er in de loop van de weken steeds heel kleine hoeveelheden gewrichtsvloeistof uitlekken, neemt de druk in de botcyste af en voelt het paard minder pijn. Paarden met deze subchondrale botcystes lopen over het algemeen na een periode van enkele maanden rust een stuk beter. Zodra ze echter weer aan het werk gaan, worden ze in de regel opnieuw kreupel.
Wisselend kreupel Het spreekt dan ook voor zich dat paarden met deze aandoening erg wisselend kreupel kunnen zijn. Dat kan het voor de dierenarts soms vrij moeilijk maken om de oorzaak van de kreupelheid te achterhalen. De behandeling van deze aandoening is heel voor de hand liggend. De oorzaak van de pijn is de ventielwerking van het scheurtje. Dit scheurtje is spleetvormig en klein, waardoor deze werking kan optreden. Om het probleem op te lossen, moet middels een kijkoperatie het scheurtje in beeld worden gebracht en verbreed worden. Net als een fietsband waarbij je het ventiel verwijdert. Hierdoor loopt de fietsband leeg en kan hij nooit onder spanning komen te staan. Zo ook bij een botcyste.
Schade te overzien Wanneer het scheurtje wordt verbreed, mist het dier weliswaar een klein stukje kraakbeen, maar wanneer dit verwijderd kraakbeendeel niet groter is dan vijftien millimeter, is die schade zeker te overzien. Door de verbreding kan de gewrichtsvloeistof net zo makkelijk uit de cyste lopen als erin en treedt er dus geen drukopbouw in de cyste op en daarom ook geen pijnlijkheid. Aangezien de bindweefselcellen binnen de cyste schadelijke stoffen produceren die botafbrekende cellen (osteoclasten) activeren, kan de prognose nog verder worden verbeterd door direct in de botcyste een speciale ontstekingsremmer te injecteren. Ook deze injectie is alleen mogelijk onder begeleiding van de camera tijdens de kijkoperatie.
Prognose goed De prognose voor een dergelijke operatie in combinatie met een injectie ligt vrij hoog. Het succes wordt mede bepaald door de leeftijd van het dier (jongere dieren, betere prognose), het gewricht waarin de cyste voorkomt en andere reeds aanwezige bot en kraakbeenschade in het gewricht. Over het algemeen mag gesteld worden dat circa 75-80% van alle paarden die op deze manier geopereerd worden, na de operatie geen pijn meer hebben. Deze paarden kunnen dan ook in hun latere carrière gewoon weer de sport in. Voor cystes in het hoefgewricht, ligt dit succespercentage zelfs op 90%.
Bron: De Hoefslag