Tags Posts tagged with "Voeding"

Voeding

renpaarden
foto: Tophorseracing

British Racehorsing Authority en Liverpool John Moores University gaan een groot onderzoek uitvoeren naar het welzijn van jockeys en hun voedingspatroon. Raceinstanties willen de uitkomsten gebruiken om jockeys voor te lichten over gezondheid, diëten en gezondheid op de lange termijn en hen helpen bij de bewustwording van een gezonde levensstijl. De uitkomsten zullen ook gebruikt worden om jockeys gezonde maaltijden voor te schotelen op de renbanen. Het onderzoek zal drie jaar in beslag nemen. De twee jockeyscholen Northen Racing College en British Racing School zorgen voor ‘studiemateriaal’.

Dr. Jerry Hill, medisch adviseur van de BHA: ‘We hebben als sport al veel maatregelen getroffen om het welzijn van jockeys te verbeteren, maar door de uitkomsten van dit onderzoek zullen we jockeys nog beter begrijpen: wat zijn hun behoeften en hoe kunnen we hen steunen om betere professionele sporters te worden?’

De directeur van de Professional Jockeys Association, Paul Struthers, zei: ‘Alles wat het welzijn van jockeys verbetert is een goede zaak en daarom ondersteunen wij dit nieuwe promotie-onderzoek.’

Horsetalk/Hoefslag

Foto: Tophorseracing

0 292

Paarden kunnen vanaf hun eerste tot hun laatste levensdag geconfronteerd worden met diarree. De ernst, de oorzaak en de behandeling kunnen sterk verschillen. Helaas is snel handelen soms niet afdoende. Ook bij diarree geldt: voorkomen is het beste.

Pasgeboren veulens

Sommige mensen verwarren de eerste mest bij pasgeboren veulens met diarree. Nadat het zwarte darmpek is afgekomen, hoort de eerste mest er uit te zien als vanillevla. Veulens zijn namelijk melkdrinkers en eten nog geen of nauwelijks ruwvezels, die moeten verteren in de dikke darm. Toch kan er bij een pasgeboren veulen sprake zijn van diarree. Het betreft hier een zeer ernstig ziektebeeld met soms waterdunne mest. Veulentjes met ernstige diarree hebben meestal een algehele bacteriële ontsteking (sepsis) en zijn erg slap, met vaak hoge koorts, weinig tot geen zuigreflex, een te snelle ademhaling. De oorzaak van deze aandoening is vaak gelegen in onvoldoende opname van biest met onontbeerlijke antistoffen in de eerste (halve) dag van hun leven. Soms echter kan al sprake zijn van een infectie van het veulen, reeds voor de geboorte, door een ontstoken moederkoek. Deze sepsis moet zonder afwachten intensief behandeld worden met infusen, antibiotica, plasma toedienen, et cetera. Zulke behandelingen kunnen eigenlijk alleen naar behoren worden uitgevoerd in een kliniek met een speciale intensive care voor pasgeboren veulens. Zelfs met intensieve zorg heeft dit soort patiëntjes maar matige kansen. Reden om maar weer eens te hameren op het voorkomen van problemen: overtuig uzelf ervan dat een veulen binnen een paar uur na de geboorte volop biest opneemt en roep deskundige hulp in indien u hieraan twijfelt. Dierenartsen kunnen na een (halve) dag met een relatief eenvoudige bloedtest controleren of de opname aan afweerstoffen uit de biest voldoende is geweest en plasma toedienen om een eventueel tekort aan te vullen. Een dergelijke test, gecombineerd met een algehele controle van het pasgeboren veulen en de merrie, is misschien zeker zo belangrijk als de nog vaak toegepaste ‘veulenspuit’.

 

Veulenhengstigheid

Iedere ervaren fokker weet dat rond de veulenhengstigheid het veulentje nogal eens diarree krijgt. Ook hier betreft het vaak waterdunne mest, maar, anders dan bij het pasgeboren sepsisveulen van hierboven, zijn deze veulentjes superfit en dartelen zij in de wei. Op stal drinken deze veulens vaak ook mee uit de waterbak. Sommige eigenaren sluiten het water daarom af. Dit is een volkomen verkeerde maatregel. Dieren met diarree verliezen veel vocht (en lichaamszouten) en moeten dus veel water (en eventueel zouten) opnemen om niet uit te drogen.

Over de oorzaak zijn de geleerden het nog steeds niet eens. Vroeger dacht men dat het ging om een (veulen)worminfectie met strongyloides Westeri. De eitjes van deze veulenworm kan men soms inderdaad al op deze leeftijd aantonen, maar er kan nog geen sprake zijn van een ernstige infectie met diarree.

Ook werd gedacht aan een veranderde hormonale situatie bij de merrie. Echter, ook moederloze veulens krijgen vaak rond de leeftijd van 10-14 dagen ‘veulenhengstigheidsdiarree’.

Tegenwoordig denkt men meestal aan een voorbijgaande (rota)virusinfectie, maar misschien is de oorzaak nog simpeler. Bij de moeder begint de melkproductie echt serieus te worden. Als het veulentje erg veel melk kan opnemen, kan al die melk soms niet goed verteerd worden, met als gevolg voedingsdiarree.

Behandeling dient daarom te bestaan uit het in ieder geval aanbieden van voldoende water (met eventueel een zoutblok in de buurt) en het aanpassen van het voer van de moeder; minder brokken en hooi in plaats van (kuil)gras. Meestal geeft een dierenarts ook een stoppend middel, zoals finidiar® of diarsanyl®, maar antibiotica zijn eigenlijk niet nodig.

Vier tot zes maanden

Veulens van 4 tot 6 maanden oud krijgen vooral diarree door worminfecties. Hoewel op (te) intensief ontwormde bedrijven resistentie (ongevoeligheid) bij spoelwormen is aangetoond voor ivermectine, betreft het hier eigenlijk geen spoelworminfecties. Spoelwormen geven zelden diarree, wel vermagering, er slecht uitzien, vergrote gevoeligheid voor luchtweginfecties en koliek door afsluiting van de dunne darm met een kluwen ‘spaghettiwormen’. Diarree is vaak een gevolg van een besmetting met kleine strongyliden (cyathostominae). Het advies voor het ontwormen van veulens is daarom de eerste keer op 2-3 weken, eventueel met een ander middel dan ivermectine in verband met genoemde resistentie en daarna elke 6 weken met ivermectine tot de speenleeftijd.

Jaarlingen en tweejarigen

Het grootste probleem bij jonge, opgroeiende paarden met diarree zijn worminfecties. Er is weinig weerstand tegen wormen omdat er nog weinig contact is geweest met de parasieten. Belangrijker is misschien nog wel dat jaarlingen en tweejarigen meestal de gehele zomerperiode op de wei lopen en daar dus bij uitstek besmet worden. Als de periodieke ontworming niet goed wordt doorgevoerd (en bij lastig te vangen jonge dieren in een grote koppel is dat vaak het geval), zal er dus echt sprake zijn van klinische problemen. Deze problemen zijn het niet goed doen, vermagering en diarree. Ontwormen met een goed middel als ivermectine wanneer de paarden weer op stal komen voor de winter, is helaas niet altijd toereikend. Dit komt omdat een aantal wormstadia de dans ontspringt. In de ontwikkelingscyclus van kleine strongyliden is namelijk sprake van een inhibitiefase. De derde generatie larven kan inkapselen in het slijmvlies van de darm en daar met een laag stofwisselingsniveau (winterslaap) wachten op betere tijden. Ivermectine, als wormmiddel ingrijpend op de stofwisseling van de worm, heeft hierdoor onvoldoende effect. Bovendien komt het middel niet door het kapsel heen van de slapende larf. Bij dit soort dieren kan zich het beeld van wintercyathostominose manifesteren. Wintercyathostominose treedt in het winterhalfjaar op bij jonge paarden die onvoldoende ontwormd zijn in de weideperiode. De symptomen zijn plotseling optredende (waterdunne) diarree met zeer opvallend vermageren in een tijdsbestek van dagen. De achtergrond van deze speciale vorm van worminfectie is dat de slaaplarfjes met zijn allen massaal wakker worden, uit het darmslijmvlies kruipen en een zeer poreuze darmwand veroorzaken. Deze poreuze wand laat zelfs bloedplasma door (met hierin waardevolle voedings- en bouwstoffen), waardoor extreem snelle vermagering met diarree optreedt. Behandeling is intensief en vaak gaat een dergelijke patiënt toch nog dood. Moraal van het verhaal is dus goed periodiek ontwormen. Van het middel moxidectin (equest®) is bekend dat het wel redelijk goed werkt tegen slaaplarfjes. Wees zorgvuldig met de juiste dosering en gebruik het nooit bij veulens jonger dan 4 maanden.

Volwassen paarden

Naast de worminfecties zijn de belangrijkste oorzaken van diarree bij volwassen paarden voedingsveranderingen, zand en salmonella-infecties.

Bij voedingsveranderingen moet men denken aan het overschakelen van hooi naar kuilgras of weidegang. De dunne mest wordt veroorzaakt door onvolledige vertering in de dikke darm door de ter plekke aanwezige bacteriën. De bacteriële samenstelling voor vertering van droog hooi is namelijk anders dan die voor vertering van vers gras. Geleidelijk overschakelen is hier dus het advies. Overigens is dit soort gevallen bijna nooit ernstig. Het herstelt meestal met dieetmaatregelen en eventueel slijmvliesbeschermende middelen, zoals het oude vertrouwde lijnzaadslijm in slobber.

Salmonella-infecties treden eigenlijk altijd pas op als gevolg van een andere aandoening. Ernstige worminfecties zoals wintercyathostominose verstoren de bacteriële flora dusdanig, dat de ziekmakende salmonellabacteriën de kans krijgen om ongebreideld te groeien met aantasting van het darmslijmvlies en diarree als gevolg. Bij salmonellose horen, behalve de ernstige diarree, hoge koorts en niet eten. Hier is naast infusen een antibacteriële kuur op zijn plaats. Uw dierenarts kiest meestal voor een modern antibioticum als start en past eventueel op basis van de kweek uit de mest zijn behandeling aan.

Als laatste oorzaak van diarree kan zand worden aangemerkt, vooral bij paarden en pony’s in het zuiden en het oosten van Nederland. Zeker ’s winters eten paarden die buiten komen vaak meer zand dan gras. Dit zand hoopt zich op de bodem van de dikke darm op en irriteert hier het slijmvlies. Pas bij grote hoeveelheden treden er klinische symptomen op, vaak diarree, maar soms ook verstoppingen en/of koliek.

De diagnose kan men stellen met een jampotje waarin een paar mestballen worden losgeroerd in water. Ziet de bodem er dan binnen een paar minuten uit als de bodem van een aquarium, weet men genoeg. Psylliumzaadjes (Zandweg, SandClear en dergelijke), paraffineolie en lijnzaadslijm helpen bij het uitdrijven van zand, maar het zand opnemen voorkomen is vanzelfsprekend het effectiefst.

Tot slot

Diarree bij paarden kan allerlei oorzaken hebben. Soms is ontwormen of overschakelen naar goed hooi en het tijdelijk weglaten van krachtvoer effectief, maar bij waterdunne mest doet u er goed aan om direct een dierenarts te raadplegen.

 

Tekst: Hans van Gils

0 1572

Voor de meeste paarden is hooi of kuil prima ruwvoer. Maar de variatie en de onzekerheid over de kwaliteit zijn soms reden om naar ander ruwvoer over te stappen. Het proces van hooi of kuil maken is zeer weersafhankelijk. Kunstmatig drogen van gras (of luzerne) heeft dus voordelen als het gaat om de productie van een meer constante samenstelling. Maar er zijn ook andere soorten ‘ruwvoer’, met wisselende eigenschappen en gehalten. Een overzicht.

Ruwvoeders zijn vezelrijke producten. Vezels zijn koolhydraten van verschillende samenstellingen en eigenschappen. In tegenstelling tot de makkelijk verteerbare koolhydraten zoals zetmeel en suikers zijn vezels niet verteerbaar door middel van enzymen. Vezels passeren de maag en de dunne darm om in de dikke darm door bacteriën te worden afgebroken (ook in de maag en de dunne darm leven bacteriën, die ook al een klein deel van de vezels omzetten). Eén van de eigenschappen van vezels is het stimuleren van de darmbewegingen, ze prikkelen als het ware de darmwand. Zonder vezels in het rantsoen heeft het paard grote kans op een verstopping. De darmen van het paard zijn zo ontwikkeld dat zij hun vezelrijke menu redelijk efficiënt kunnen benutten. Hiervoor zijn verschillende soorten bacteriën nodig. Tijdens de afbraak van de vezels ontstaan er stoffen (vluchtige vetzuren) die in het bloed worden opgenomen en een energiebron zijn voor het paard. Daarnaast stimuleert een vezelrijk voer het kauwen, het maken van veel speeksel en voorziet het in langdurig eten dat past in het normale gedrag van het paard. Onmisbaar dus!

Definitie van ruwvoer

Om te bepalen welke voersoorten er onder de ruwvoeders vallen moet je eerst weten aan welke eigenschappen ruwvoer moet voldoen. Ruwvoer kan gedefinieerd worden als een product met een bepaalde hoeveelheid ruwe celstof. Dit is de laboratoriumanalyse van de vezels in het voer. Bij deze definitie gaat men voorbij aan het belang van de lengte van de vezels die het voer moet bevatten. Een andere manier om verschil tussen ruwvoer en krachtvoer te maken is om te kijken naar het energiegehalte van het voer. Voer met veel energie is krachtvoer en met weinig energie is geen krachtvoer en dus ruwvoer. Ook deze definitie schiet wat tekort. Er zijn namelijk krachtvoeders met een lager energiegehalte dan bepaalde ruwvoersoorten (gras kan heel energierijk zijn). Tenslotte kan ruwvoer een product zijn met een bepaalde minimale vezellengte. Dit laatste wordt bij de herkauwers wel aangehouden als belangrijk kenmerk voor het bepalen of het product valt onder de ruwvoeders. Uit onderzoek bij herkauwers blijkt dat de penswerking (en het noodzakelijke herkauwen) pas voldoende verloopt als het dier voer eet met een vezellengte van 8 mm. Ook bij paarden is de werking van vezels op de darmbeweging een belangrijke eigenschap van ruwvoer. De vezellengte als definitie voor ruwvoer is dus meer op zijn plaats om te hanteren dan alleen het gehalte aan ruwe celstof. Het ruwe celstofgehalte in fijngemalen hooi is gelijk aan ongemalen hooi. Toch zal het effect op de darmbeweging en ook op de tijdsduur van kauwen en de speekselvorming anders zijn voor gemalen hooi als voor ongemalen hooi. Laten we aannemen dat ruwvoer gedefinieerd wordt als een vezelrijke voersoort met een minimale vezellengte van 8 mm.

Soorten ruwvoer

De meest gebruikte en bekende zijn natuurlijk gras, hooi en graskuil. Daarnaast wordt luzernehooi veel gebruikt. Graszaadhooi, snijmaïs en stro worden minder vaak aan paarden gegeven. Verder zijn er nog kunstmatig gedroogd gras of luzerne (Hartog, Dodson&Horrell), klein verpakte kuil van verschillende grassoorten (o.a. HorseHage), bietenpulp, verpakte combinaties van hooi, luzerne of stro met olie of granen zoals Le Brick, Fiber P (D&H), Fibergy (D&H). Haverafvalmeel pellets en bolkaf zijn ook nog mogelijke kandidaten.

Variatie in gras, hooi en kuil

Hooi en kuilvoer zijn de meest gangbare ruwvoer soorten die gebruikt worden, naast gras uiteraard. Het zijn ook de meest betaalbare. Een voorkeur voor hooi of kuilvoer voor het paard is er in de meeste gevallen niet. Als ze van een goede kwaliteit zijn en dus geen bederf bevatten, kunnen ze beiden evengoed gebruikt worden. De stellingen dat alleen hooi goed paardenvoer is en kuil niet of dat hooi altijd rijker is dan kuil, zijn niet helemaal waar. Beide soorten ruwvoer kunnen van een goede of slechte kwaliteit zijn, kunnen rijk of arm zijn aan energie en eiwit en beide kunnen bij gevoelige paarden gezondheidsproblemen geven (hoesten, verteringsproblemen). Vers gras is per kilo droge stof rijk aan energie en eiwit vergeleken met de andere ruwvoeders (zie tabel). Door de bewerkingen die het gras ondergaat, zoals maaien, schudden en drogen, verliest het gras een deel van zijn voederwaarde. Hooi en kuil zijn dus altijd iets armer. Maar de variatie is groot. De gehalten van energie en eiwit tussen rijk en arm hooi en kuil lopen door elkaar heen. Oftewel hooi kan rijker zijn dan kuil en andersom. Het kuilvoer voor paarden kent grote variaties, meer nog dan aangegeven in de tabel (bron: CVB). De energiewaarde van kuil kan lager zijn dan grof hooi (0,44 EWpa/kg ds). En het laagste gehalte aan ruw eiwit dat ik in kuilvoer ben tegengekomen is 51 g per kilogram droge stof. Dit zijn natuurlijk wel extremen. Ga voor een inschatting van hooi en kuil uit van de tabelwaarden of laat het zelf analyseren (zie www.blgg.nl). Je kunt ook zelf het ruwvoer beoordelen en de voederwaarde in schatten. Het energie en eiwitgehalte van hooi en kuil varieert van fijn naar grof en gaat dan van hoog naar laag. Door goed te kijken en te voelen kun je het hooi of kuil kwalificeren in grof, middel of fijn. Voelt het voer erg hard aan en prikt het flink in je handpalm dan is het gras lang doorgegroeid en zijn de grasstengels al redelijk verhout. Dit maakt het hooi of kuil hard en prikkelig. Waarschijnlijk zie je dan ook veel bloeiwijze, oftewel aren of pluimen. De energiewaarde is laag. Is aan de andere kant het hooi of kuil juist zacht in je hand, zie je geen bloeiwijze en juist veel blad in plaats van harde stengels, dan is het gras vrij jong gemaaid. Jong gemaaid gras bevat meer energie dan oud gemaaid gras. Voor paarden die veel energie nodig hebben of voor paarden die het harde hooi niet goed meer kunnen kauwen is dat zachte hooi of kuil goed geschikt. Maar heb je een paard dat snel te dik wordt dan kun je beter het harde, stengelige voer pakken.

Eiwit en suikers

Het eiwitgehalte is in principe hoger in jong dan in ouder gras. Is het grasland bemest dan is het eiwitgehalte in hooi of kuil hoger dan wanneer het niet bemest is geweest. Voor een goede grasgroei is enige bemesting op zijn plaats. Het intensieve bemesten voor een maximale grasproductie is alleen voor koeien nodig. Bestaat het gras uit een diversiteit van grassoorten en kruiden dan is zowel het energie- als het eiwitgehalte iets lager dan van gras van een hoogproductieve soort zoals Engels raaigras. Het suikergehalte in gras varieert gedurende de dag en de tijd van het jaar. Meestal stijgt het suikergehalte gedurende de dag en daalt het weer in de nacht. Maar ook andere omstandigheden beïnvloeden het suikergehalte. Een periode van droogte en het kort afgrazen kan gras met een hoog suikergehalte opleveren. In graskuil wordt een deel van de suiker door de bacteriën gebruikt en omgezet en zal het suikergehalte vaak lager zijn dan in hooi. Maar wederom, hoog of laag suikergehalte is relatief en afhankelijk van het suikergehalte in het gras op het moment van maaien (in de ochtend dus meestal lager dan in de middag). Op bemest gras met een hoger eiwitgehalte is het suikergehalte vaak lager dan op onbemest gras. Ook hier kan een analyse uitkomst bieden, want dit is niet altijd goed “op het oog” in te schatten. De verandering in de gras samenstelling (maar ook tussen verschillende partijen hooi of kuil) kan leiden tot koliek of diarree, maar ook tot hoefbevangenheid. Daarom is gras voor sommige paarden niet altijd geschikt. En moet je bij gevoelige paarden rekening houden voerovergangen zo geleidelijk mogelijk te doen. Helaas is het maken van ruwvoer een proces dat weersafhankelijk is en zal er elk jaar weer een andere kwaliteit gemaakt worden. Sommige producenten leveren een zo constant mogelijke kwaliteit en maken een analyse van het voer. Dit geeft enige houvast. Helaas heb ik ervaren dat de analyse resultaten niet altijd up-to-date zijn en niet altijd kloppen. Het aankopen van ruwvoer blijft dus een kwestie van gezond verstand en vertrouwen. Bij twijfel kun je zelf het voer laten analyseren, dan weet je in ieder geval wat je in huis haalt.

Kunstmatig gedroogde voeders

Voor paarden zijn er verschillende producten te koop van kunstmatige gedroogde voeders. Het voordeel is dat de voederwaarde van het gras goed bewaard is gebleven. Gedroogd gras is dus wat rijker. Hartog heeft voor paarden grasmix als verpakt ruwvoer beschikbaar. Dit is een mengsel van gras, samen met een brokje gemaakt van haverhalmen plus wat melasse en plantaardige olie. Het ruwe celstofgehalte van boven de 30% is hoog, het energiegehalte is vergelijkbaar met gemiddeld hooi, het eiwitgehalte is iets hoger. Uit Engeland komt Dodson&Horrell met het product Just Grass, dat enkel gedroogd gras bevat. Het energiegehalte lijkt op dat van grof hooi, het eiwitgehalte is hoger dan de grasmix van Hartog. Luzerne hooi van Hartog is ook kunstmatig gedroogd. Dit bevat een hoog ruwe celstofgehalte, een energiewaarde die vergelijkbaar is met hooi en een hogere eiwitwaarde. D&H Alfalfa (alfalfa is luzerne) is ook rijk aan vezels en eiwit. Met de eiwitrijke producten kan het eiwitgehalte in het rantsoen aangevuld worden. Voor jonge groeiende paarden is luzerne alleen geschikt als dit in combinatie met een ander ruwvoer wordt gegeven om het totaal aan calcium in het voer niet al te hoog te maken.

Andere kuilvoeders

HorseHage uit Engeland heeft ruwvoeders van twee verschillende grassoorten; HorseHage Timothy en HorseHage Reyegrass. Dit zijn klein verpakte ingekuilde voeders. Het droge stofgehalte ligt tussen de 50-60% (hooi is > 80%). Timothy is iets armer aan energie en eiwit dan Reyegrass. Van beide is het ruwe celstof gehalte vrij hoog. Het voer High Fiber van HorseHage is gemaakt van lang doorgegroeid raaigras zodat het energie en eiwitgehalte iets lager ligt dan van het andere Reyegrass product. Maar doordat de variaties in de analyse resultaten van deze producten elkaar overlappen, is verschil tussen de producten niet zo groot en dat maakt de keuze minder makkelijk. Let wel op de hoeveelheid die je moet voeren van voeders met een relatief laag droge stofgehalte. Je voert per kilogram immers 40-50% water mee. Ook HorseHage heeft een luzerne in zijn ruwvoer assortiment met een hoog vezel en eiwitgehalte. Ook dit heeft een laag droge stof gehalte.

Andere soorten ruwvoer

Luzerne
Luzerne is een vlinderbloemige plant (anders dan gras). Het is een plant met grove stengels en fijne blaadjes en kleine bloemetjes. De blaadjes bevatten redelijk veel voederwaarde en eiwit. De stengels zijn vezelrijk. Droogt luzerne op het land dan zal een groot deel van de blaadjes verloren gaan doordat ze verpulveren en niet meegenomen worden bij het oprapen. Je houdt dan een product over met veel stengels. In Nederland drogen ze luzerne in droogovens en gaat er niets verloren. De blaadjes verpulveren nog steeds maar het komt allemaal in de zak terecht. De blaadjes kunnen als stof onderin liggen. Het toevoegen van iets melasse of olie kan een meer homogeen mengsel maken. Luzernehooi is een smakelijk, vezelrijk en eiwitrijk product met veel calcium en caroteen (voorloper van vitamine A). De hoge gehalten aan eiwit en calcium maken het goed geschikt om aan een zogende merrie te geven. Voor de overige paarden is het meer geschikt als bijvoer naast een ander ruwvoer dat minder eiwit bevat. Het kan dan als aanvulling gebruikt worden om het eiwitgehalte iets te verhogen, bijvoorbeeld naast eiwitarm hooi. Veel paarden lusten het graag, voor zieke paarden die weinig eetlust hebben kun je het mengen met ander voer om de voeropname te verbeteren.

Snijmaïs
Snijmaïs wordt gemaakt van de hele maïsplant; de stengel, de bladeren en de kolf. Het is een ingekuild voer, dat wil zeggen, het voer is luchtvrij verpakt en de melkzuurbacteriën zorgen voor een lage zuurtegraad waardoor het voer houdbaar blijft. Snijmaïs heeft een hoge energie- en een lage eiwitwaarde. Het ruwe celstofgehalte is lager dan de meeste andere ruwvoeders. De energie komt ook uit de kolf en de maïskorrels, en dus voor een deel uit zetmeel. Zowel het eiwit- als de vitaminen- en mineralengehalten zijn laag in snijmaïs. Dit heeft als consequentie dat de rest van het rantsoen deze tekortkomingen moet aanvullen. Meestal is snijmaïs slechts een deel van het ruwvoer, naast hooi of kuil. Heeft een paard een rantsoen met weinig eiwit nodig, bijvoorbeeld als de nieren niet goed functioneren, dan past snijmaïs daar goed in thuis. Vroeger werd gezegd dat sommige paarden er jeuk van krijgen, maar de oorzaak is mij niet bekend. Wat je vaak wel merkt is dat paarden moeten wennen aan de wat zure smaak van snijmaïs. Let op de kwaliteit, het is een ingekuild voer en zodra de verpakking open gaat kan het gaan schimmelen en daar kunnen paarden ziek van worden.

Graszaadstro en tarwestro

Beide producten hebben een hoog ruwe celstofgehalte en bevatten weinig energie en weinig eiwit. Graszaadhooi is een restant van de graszaden-industrie. Na de oogst worden de zaden verwijderd en blijven de stengels over. Doordat het zeer lang doorgegroeid gras is kan de vertering er moeite mee hebben en leidt het soms tot een verstopping. Hetzelfde geldt voor stro. Een paard mag best uit zijn stal wat stro eten, maar omdat stro juist darmverstoppingen geeft, is dit geen goed voedermiddel. Mijn voorkeur is een grofstengelig hooi te zoeken als een paard weinig energie nodig heeft.

Bietenpulp
Bietenpulp is een restant van de suikerindustrie. De bieten worden gehakseld, de suikers verwijderd en de vezels blijven over. Deze kunnen ingekuild worden of gedroogd. Gedroogde bietenpulp brokjes mogen alleen natgemaakt aan paarden gevoerd worden. Ze nemen veel en snel water op, waardoor de hap al tijdens het doorslikken zwelt en in de slokdarm vastloopt. Eenmaal geweekt in water (5 delen water op 1 deel pulp) levert het een smakelijk voer op. De vezels zijn snel door de bacteriën af te breken en leveren veel energie op. Als het paard hier veel van eet kan hij dunne mest krijgen. Daarom is het als aanvullend voer bedoeld en niet als enig ruwvoer. Geef een paard niet meer dan 2 kilogram per dag (let wel in geweekte vorm is dit meer dan een emmer vol), naast ander vezelrijk voer. Bietenpulp is energierijk en arm aan eiwit. Het ruwe celstof gehalte is in vergelijking met andere ruwvoeders niet zo hoog. Ook de overige voedingsstoffen zijn beperkt aanwezig, behalve calcium. Voor paarden met te harde mest of slecht verteerde mest kan bietenpulp helpen de mest (en dus de vertering) te verbeteren. De speciale pectine vezels in bietenpulp stimuleren een gezonde darmflora. Ook voor paarden die weinig ruwvoer kunnen eten, zoals een senior, kan bietenpulp een aanvulling zijn om vezels te geven die toch gemakkelijk te eten zijn. Bewaar bietenpulp op stal altijd achter slot en grendel zodat een paard nooit per ongeluk het verkeerde voer krijgt!

Haverafvalmeelpellets en bolkaf
De kaf van haverkorrels wordt gemalen en in een brokje geperst. Volgens de definitie van ruwvoer dat er een minimale vezellengte moet zijn, past dit product er officieel niet in thuis. Dit voer is vooral vezelrijk en bevat verder weinig andere voedingsstoffen. Het energiegehalte van havermeel pellets is vergelijkbaar met grof hooi, het eiwitgehalte is vrij laag. Het wordt nog wel eens gebruikt voor paarden met verteringsproblemen om het vezelgehalte in het rantsoen te verhogen als deze paarden geen ander ruwvoer kunnen of mogen eten. Bijvoorbeeld paarden met een verstoorde darmpassage of senioren die geen hooi of kuil kunnen eten. Het is geen voer waar paarden langdurig op kunnen kauwen. Dit gebruik je alleen maar als er geen andere mogelijkheid is je paard vezels te geven. De smakelijkheid is niet erg groot, daarom wordt het in een speciaal dieet altijd ergens mee gemengd, bijvoorbeeld met geweekte bietenpulp en luzerne, om het lekker te maken. Een vergelijkbaar product is bolkaf. Dit zijn de kafjes/doppen van de lijnzaadjes. Ook een vezelrijk product met niet veel smaak. Door het te mengen met melasse verbetert dit wel maar stijgt tevens het suikergehalte wat weer niet voor alle paarden wenselijk is. Bolkaf is een product met een zeer laag eiwitgehalte. Voor het overige bevat het weinig en geldt ook hier dat het een alternatief is als het paard geen ander ruwvoer kan of mag eten.

Bijzondere ruwvoerproducten

Fibergy (D&H) is gemaakt van luzerne en stro vezels gemengd met olie en speciaal bedoeld voor paarden die weinig suiker mogen hebben. Ondanks gebruik van luzerne is het eiwitgehalte in het eindproduct vrij laag. Fiber P (D&H) is een mengsel van vezels en voorbehandelde granen, dus meer een combinatie van krachtvoer met ruwvoer. Het ruwe celstofgehalte is niet erg hoog, het bevat een gemiddelde hoeveelheid eiwit.

Le Brick is een ander voorverpakt ruwvoer. Het is een combinatie van gedroogd gras en luzerne met zemelen, gerst, wat melasse, olie en mineralen en vitaminen. Het levert redelijk wat energie en eiwit. Door de aanvulling met granen en mineralen en vitaminen lijkt het meer een combinatie van ruwvoer en krachtvoer. Het is geperst onder hoge druk waardoor het paard moeite moet doen hiervan te eten en er dus meer tijd nodig heeft.

Tenslotte komt er uit België het product Bindipack. Dit is een verpakt voer samengesteld uit een deel snijmaïs en een deel (natte) bietenpulp. Het geheel is als kuil geconserveerd. Het is een zuur product met een pH van 3,5-4. Deze combinatie heeft een redelijk hoog energiegehalte met een laag eiwitgehalte. De fermentatie in de dikke darm kan vrij snel verlopen waarmee het paard kans heeft op dunnere mest. Dit is te voorkomen door het samen met hooi te voeren. Het is geschikt voor paarden die weinig eiwit moeten hebben.

Wanneer welk ruwvoer?
Kosten, gemak en zekerheid zijn overwegingen van de eigenaar om tot een goede keuze te komen. Het paard stelt ook bepaalde eisen aan zijn voer. Zowel de behoefte aan energie en eiwit kan per paard verschillen, maar ook of het paard bepaalde gezondheidsklachten heeft is bepalend in de keuze van het ruwvoer. Stofvrije voeders zijn geschikt voor paarden met chronische hoestklachten. Paarden met regelmatige koliek of diarree hebben vaak baat bij een grofstengelig hooi in plaats van kuilvoer. Voor paarden met insuline resistentie zoek je een voer met weinig suikers. De verpakte commerciële voeders zijn redelijk constant van samenstelling, dit geeft zekerheid en gemak. Probeer altijd eerst of je paard het voer wel lekker vindt, voor dat je grote hoeveelheden in huis haalt. |

Tekst: Anneke Hallebeek / Foto: Remco Veurink

0 632

Als er op een stal een paar paarden gezondheidsproblemen krijgen, dan wijst men vaak naar het voer. Voor een goede beoordeling en analyse van wat er gebeurt op stal moet je naar alle facetten van het voeren kijken. Niet alleen wat er gevoerd wordt, maar ook hoeveel, wanneer en zelfs door wie. Dit geldt voor zowel het krachtvoer als voor het ruwvoer. Vaak zijn het kleine dingen die men over het hoofd ziet, die toch erg belangrijk blijken. Een paar voorbeelden.

Koliek op stal

Van het voorjaar tot de winter zijn er op een pensionstal met twintig paarden regelmatig paarden met koliek. Het betreft vaak dezelfde paarden. Er is meestal sprake van gaskoliek, soms leidend tot darmverplaatsing. Bij één paard komt de koliek door een verstopping. De paarden die problemen hebben, worden alle drie flink getraind. Een combinatie met spierstijfheid is niet uit te sluiten. De symptomen van lichte spierbevangenheid en koliek kunnen soms op elkaar lijken; het paard wil niet eten, beweegt moeizaam en lijkt pijn te hebben. Verhoogde spierenzymen in het bloed kunnen uitsluitsel geven. Er is hier geen bloedonderzoek gedaan. De meest waarschijnlijke diagnose is koliek en het rantsoen van de paarden wordt bekeken. De paarden glanzen goed, maar de lichamelijke conditie van de paarden is matig, de ribben zijn (net) te zien. De mest is goed gebald en verteerd. Er is in het verleden één periode geweest waarin plotseling alle paarden dunne, slecht verteerde mest hadden.

Het rantsoen van de paarden bestaat uit kuilvoer, hooi, wat weidegang en krachtvoer. De paarden lopen een aantal uren in de wei. Ten tijde van dit bedrijfsbezoek was het winter en was de grasopname erg laag. Dat was ook te zien aan de paarden die net terug kwamen uit de wei, de buiken (flanken) waren niet gevuld. Elk paard krijgt zijn eigen soort krachtvoer variërend in hoeveelheid van 0,5 tot maximaal 2 kg per dag in twee porties. De paarden staan verdeeld over twee stallen. In elke stal komt één keer per week een grote baal kuilvoer te liggen. Omdat in één van de stallen maar weinig paarden staan worden de restanten aan het einde van de week gedeeld met de andere stal. De paarden krijgen ongeveer 8 kg kuilvoer en 1,5-2,5 kg hooi per dag. Er zijn geen analysen van het voer gemaakt. Het overjarige hooi is zacht en fijn en ruikt muf. De voordroogkuil in de ene stal is gemaakt van lang doorgegroeid stengelig gras met een geschatte droge stofgehalte van 70%. De geur is wat muf en zoetig, op het oog lijkt er geen schimmel in te zitten. Het kuilpak in de andere stal is van een andere snede. Het droge stof gehalte is ongeveer 55%. De kuil voelt zacht aan, bevat relatief veel blad, er zijn enkele bloeiwijzen te zien en het plakt iets. De geur is wat zoetig. Uit de rantsoenberekening blijkt dat de paarden die naast hooi en krachtvoer, 8 kg van het droge kuilvoer krijgen, net voldoende energie en voedingsstoffen opnemen voor het werk dat ze doen. Paarden die dezelfde hoeveelheid van de minder droge kuil krijgen, hebben iets te weinig energie en voedingsstoffen. De 8 kg kuilvoer bestaat namelijk bij het droge voer uit 5,6 kg droge stof en bij het minder droge voer uit 4,4 kg droge stof. Bij zo’n groot verschil in vochtigheid tussen de kuilpakken moet je dus wel de hoeveelheid voer aanpassen. Een ander probleem is dat de kuilpakken door elkaar heen worden gebruikt. Het willekeurig door elkaar voeren van deze twee soorten kuilvoer heeft consequenties voor de paarden. Ten eerste krijgen de paarden plotseling meer of minder voedingsstoffen binnen en ten tweede krijgen de darmen en de darmflora plotseling een andere kwaliteit voer te verwerken. Er is hier dus sprake van een te snelle voerovergang. De paarden nemen opeens minder energie op en krijgen daardoor een energietekort. Ook de vertering krijgt een verandering te verwerken. De afbraak van ruwvoer gebeurt voornamelijk in de dikke darm. De dikke darm komt na de dunne darm. De vertering in de dunne darm bepaalt voor een groot deel wat er door de bacteriën moet worden afgebroken. Als de aanvoer van bijvoorbeeld vezels, zetmeel of eiwitten verandert, past de darmflora zich aan. Bij snelle veranderingen heeft de darmflora hier onvoldoende tijd voor en kan er een verteringsstoornis ontstaan. Overgangen in voer dienen daarom altijd geleidelijk te gaan om ontsporingen in de darmflora te voorkomen. Ook van schijnbaar hetzelfde voedermiddel. Door deze ontsporingen kunnen verschillende aandoeningen ontstaan; koliek, diarree, obstipatie en in ernstige gevallen zelfs hoefbevangenheid. Aangezien niet elk paard hetzelfde is zal de aanpassing op ander ruwvoer bij de één gemakkelijker gaan dan bij de ander.

Het bedrijf is geadviseerd voortaan de kuilpakken per snede te stapelen zodat de verschillende snedes na elkaar gevoerd worden en niet meer door elkaar. Een bijkomend probleem in dit geval kan zijn dat de kuil gedurende de week op stal beschimmeld raakt. Op het moment van bezoek bevatte de kuil geen schimmel, al rook de droge kuil wel iets muf, maar kan dit later in de week wel ontstaan. Met name de droge kuil is daar erg gevoelig voor. Dit kan de oorzaak zijn geweest van de vermelde uitbraak van diarree. Elke dag goed het voer beoordelen en er aan ruiken kan de opname van schimmel voorkomen.

Stijve spieren

Bij een pensionstal krijgt een aantal paarden op hetzelfde moment plotseling te kampen met spierproblemen. De spierenzymen in het bloed van de paarden waren verhoogd. Het werk was niet veranderd en de vraag luidde of de verandering van kuilvoer er mogelijk iets mee te maken had. Men vermoedde dat er misschien te lage of te hoge gehalten aan bepaalde mineralen oorzaak kon zijn van de problemen. De paarden staan elke ochtend een aantal uren in de wei, krijgen op stal twee keer circa 2 kg kuilvoer en krachtvoer variërend van 1-4 kg. Zowel van de verschillende soorten kuil als van het gras zijn analysen gemaakt. Er is geen analyse van het kuilvoer van vóór de voerverandering. Na de voerverandering kregen de paarden een redelijk droge kuil (>70% droge stof) met een relatief laag eiwitgehalte (8,7% (gemiddeld 11,5%)) en redelijk hoog suikergehalte (12% (gemiddeld 9,5%)). De gehalten aan mineralen en spoorelementen zijn niet afwijkend. Het gras is in het voorjaar bemest. Het droge stof gehalte van het gras was hoog, > 25%, het eiwitgehalte rond de 16% en het gehalte aan suikers rond de 14%. Dit zijn wat afwijkende waarden vergeleken met gemiddeld gras. Gras bevat normaal gesproken 16% droge stof, 18-22% ruw eiwit en suikergehalten variërend van 9,5- 12%. De gehalten aan mineralen zijn niet afwijkend. Uit de analyse van het gras zijn de gevolgen van een droogte periode te zien. Door de droogte kan het gras onvoldoende groeien. Onder invloed van het zonlicht maakt het gras wel suikers aan. Het suikergehalte stijgt en het eiwitgehalte blijft relatief laag. Suiker in gras bestaat voor een deel uit fructaan. Dit zijn suikers die niet in de dunne darm verteerbaar zijn, het levert dus geen glucose voor de spieren. Fructanen worden in de dikke darm gefermenteerd, daarbij ontstaan vluchtige vetzuren die het paard als energiebron gebruikt. De snelheid van de fermentatie door plotselinge toename van fructaan in het gras kan soms leiden tot een grote verandering in de darmflora met als gevolg koliek of hoefbevangenheid. Het overige deel van de suikers uit gras kan wel in de dunne darm verteerd worden. In vergelijking met een meer gemiddelde samenstelling van het gras en met meer gemiddeld kuilvoer bevatte het totale rantsoen tijdens de droogte periode waarschijnlijk (plotseling) minder energie en voedingsstoffen dan daarvoor. Ook de samenstelling was veranderd, het ruwe celstofgehalte werd iets lager en het aandeel ‘zetmeel + suiker’ verdubbelde! Dit betekende voor de paarden dat de hoeveelheid brandstof voor de spieren verminderde (minder energie opname totale rantsoen) en de samenstelling veranderde. De spieren zijn door het soort werk dat ze doen en de training die ze krijgen ‘gewend’ aan bepaalde energievoorziening. Als dat plotseling verandert, zijn de spiercellen niet in staat direct om te schakelen naar een andere brandstof. In tijden van nood gebruiken de spieren tijdens de training hun eigen spiereiwitten als brandstof en/of produceren ze meer melkzuur. Dat is een verklaring voor de spierproblemen. In dit geval is het een samenloop van omstandigheden die tot deze problemen leidde bij een aantal paarden. De paarden kregen ander kuilvoer én het was een periode van droogte. Het kuilvoer was in dit geval al redelijk suikerrijk, maar door de beperkte hoeveelheid die de paarden krijgen niet direct oorzaak van het probleem. Maar als dan ook nog door de droge periode het gras van samenstelling verandert, wordt de energie opname voor het paard wel erg anders dan daarvoor. De verandering in energie opname en samenstelling van de energie in het rantsoen resulteerde bij een aantal paarden in spierstijfheid. Vaak zijn de gevolgen van suikerrijk gras anders, namelijk hoefbevangenheid of koliek. In periode van langdurige droogte is het dus zaak de grasopname te beperken om problemen te voorkomen.

Herhaaldelijk spierbevangen

Op een bedrijf met voornamelijk fokmerries en jonge opgroeiende paarden staan enkele rijpaarden. Deze twee rijpaarden krijgen bij herhaling last van spierbevangenheid. Alle paarden krijgen kuilvoer en een merriebrok. Er zijn twee soorten kuilvoer en van beiden is een analyse gemaakt. Beide soorten hebben een hoog droge stof gehalte, 70 en 78%. Verder is er een groot verschil in energiegehalte (0,65 versus 0,44 EWpa/kg ds) en eiwitwaarde (43 versus 90 g VREp/kg ds). De jonge paarden krijgen 4 á 5 kg kuilvoer per dag en de rijpaarden ca. 8 á 9 kg. Ook bij deze stal werd afwisselend van het ene of het andere kuilvoer gevoerd. De overgang van het rijke naar het armere kuilvoer betekende voor de rijpaarden minimaal 15-20% minder energie opname. De hoeveelheid eiwit in het rijke rantsoen was 190% van wat de rijpaarden nodig hadden en met de minder rijke kuil nog 126%. Veel paarden krijgen een rantsoen met meer eiwit dan ze nodig hebben. Met weidegang kan dit zelfs oplopen tot meer dan 200%. Daarnaast leverden beide soorten kuilvoer in combinatie met het krachtvoer onvoldoende zout en hadden de paarden geen liksteen. Als het vitamine E gehalte in de kuil laag is (na lang bewaren bijvoorbeeld), kan het rantsoen daar ook een tekort aan bevatten. Kortom, het rantsoen is niet in balans voor de behoefte van de rijpaarden. Door de plotseling overgang naar een andere kuil kan de verandering van energie opname en het ontbreken van zout beiden met de spierbevangenheid te maken hebben. Daarnaast is het overschot aan eiwit niet echt aan te raden, alhoewel dit bij veel paarden voorkomt zonder dat daar problemen door ontstaan.

Het advies voor dit bedrijf was om de soorten kuilvoer in ieder geval na elkaar te voeren en niet door elkaar. Feitelijk is de eiwitrijke kuil beter geschikt voor de fokmerries en de opgroeiende paarden en hebben de rijpaarden genoeg aan de minder eiwitrijke kuil. Omdat er maar twee rijpaarden zijn kan daar niet een aparte kuil voor opengemaakt worden. Wel kan het rantsoen beter op de rijpaarden worden afgestemd door het eiwitrijke kuilvoer te combineren met hooi. De merriebrok is samengesteld voor de verhoogde behoefte van drachtige en lacterende merries en groeiende paarden. Rijpaarden hebben een ander soort krachtvoer nodig dat beter aansluit op hun behoeften. |

Ruwvoer belangrijker dan krachtvoer!

In alle voorbeelden blijkt het ruwvoer en de verandering daarin de oorzaak van de problemen te zijn. Omdat ruwvoer het grootste deel van het rantsoen uitmaakt werken veranderingen hierin ook harder door dan van krachtvoer, wat een aanvullend voedermiddel is. Toch wordt er veel aandacht aan het krachtvoer geschonken, zowel door de fabrikanten als de paardeneigenaren. Dat is vaak het eerste waar mensen aan denken als het over het rantsoen gaat. De aandacht zou beter gericht kunnen worden op het gras, de kuil en het hooi. Veranderingen in deze voedermiddelen zijn niet altijd makkelijk te zien of te voorkomen. Daarom is het raadzaam kuil en hooi te laten analyseren.

Maar natuurlijk is de zorg voor het voer en het voerbeleid cruciaal:

* Stapel de pakken voer per partij zodanig dat ze goed bereikbaar zijn.

* Pas de hoeveelheid kuilvoer aan als er een grote verandering is in het droge stof gehalte.

* Voer de partijen na en elkaar en niet door elkaar. Het is natuurlijk wel mogelijk om hooi en kuilvoer samen in het rantsoen te hebben, zolang er maar geen plotselinge veranderingen zijn.

* Sluit open kuilpakken na het voeren goed af dan gaan ze langer mee.

* En controleer elke dag of het kuilvoer niet is gaan schimmelen door er naar te kijken aan te ruiken. Gooi bedorven delen weg!

Tekst: Anneke Hallebeek /Foto: Remco Veurink

0 231

‘Voorkomen is beter dan genezen’. Kijkend naar paarden met vage klachten of kortdurende problemen wordt deze bekende wijsheid niet altijd toegepast. Pas als de klachten echt niet overgaan of ernstiger worden, gaat men naar de dierenarts. Denk aan te slappe mestballen, een lichte koliekaanval of te traag verharen. Veel eigenaren laten zich vaak eerst adviseren door vrienden, de buurman, of via internet sites. Veel goedbedoelde adviezen, maar zijn ze wel geschikt voor jouw paard?

Beter is de dierenarts of andere goed opgeleide onafhankelijke deskundigen om raad te vragen. Soms kan een aanpassing in het rantsoen de oplossing zijn. Voor bepaalde groepen, zoals het seniorpaard, bestaan bij sommige dierenartspraktijken al preventie programma’s. Hiermee wordt het paard op regelmatige basis ‘gemonitord’. Voorkomen is voor hen namelijk echt beter, want genezen is niet altijd mogelijk.

Verandering van spijs

De komende periode kan het rantsoen de oorzaak zijn van verteringsproblemen bij je paard. In het najaar verandert de samenstelling van het gras en het paard komt vaker op stal. Op stal krijgt het paard weer meer hooi, kuil en krachtvoer dan in de zomermaanden. Verteringsproblemen die in het najaar vaker voorkomen zijn duidelijk gerelateerd aan al deze veranderingen; koliek, diarree en hoefbevangenheid. Gras in het najaar heeft een minder hoge voederwaarde. Het gras groeit minder hard en het eiwitgehalte wordt lager. Minder gras in de wei en minder voederwaarde van het gras betekent dat het paard meer ander voer nodig heeft. Verander het rantsoen geleidelijk. Verkort de uren in de wei en voer het paard hooi of kuilvoer bij. De vertering heeft tijd nodig om zich aan te passen aan andere hoeveelheden en soorten vezels, vetten, zetmeel en suikers. Geef je meer krachtvoer, dan zal de enzymproductie in de dunne darm moeten stijgen. Krijgt het daar niet de tijd voor, dan verteert het zetmeel onvoldoende. Dit kan in de dikke darm verteringsstoornissen geven. Hetzelfde principe geldt voor een verandering van de hoeveelheid en soorten vezels uit hooi en gras. Bacteriën gebruiken deze vezels voor hun eigen energiebehoefte. De afzonderlijke vezeltypen worden door verschillende bacteriën gebruikt en in verschillend tempo afgebroken. De groei en dus de samenstelling van de bacterieflora in de dikke darm verandert als je paard ander voer eet. Gras bevat voornamelijk relatief snel afbreekbare vezels, terwijl hooi meer langzamer afbreekbare vezels bevat. Is de darmflora niet aangepast, dan kan ander voer leiden tot slecht verteerde mest, mestballen met veel water erbij, maar ook koliek.

Niet echt een vezel, maar wel een koolhydraat die door bacteriën gefermenteerd wordt, is fructaan. Het fructaangehalte in het gras kan in de nazomer en vroege herfst zeer sterk wisselen, net als in het voorjaar. Dit is ondermeer afhankelijk van de temperatuur overdag en ’s nachts. Een koude nacht na een warme zonnige dag geeft in de ochtenduren gras met erg hoge fructaangehalten. Geen goed moment om je paard in de wei te zetten. Later in de middag zijn de gehalten weer gedaald.

Verstoppingskoliek

Door het paard op te stallen verandert niet alleen zijn rantsoen, maar ook zijn dagelijkse beweging. Dit heeft effect op de voerpassage door de darm. Bij sommige paarden leidt opstallen tot een verstopping in de dikke darm. Een verstopping of zeer trage darmpassage geeft vaak milde koliekklachten. Zolang de oorzaak niet duidelijk is, zal een injectie om de darmen te laten ontspannen slechts tijdelijk effect hebben. De koliekklachten gaan pas over als de verstopping eruit is. Dit kan soms dagen duren. De verstopping ontstaat omdat het voer op stal minder snel afbreekbaar is, de darmbewegingen verminderen en het paard soms uit verveling veel stro eet. Is je paard hier gevoelig voor, geef dan een zachte, fijne kwaliteit hooi of kuil plus een speciaal samengestelde voeding die de darmbewegingen stimuleert. De zemelen in het aangepaste voer bevorderen de darmperistaltiek. Zowel de darmpassage als vermenging van de darminhoud met de verteringsenzymen hebben hier profijt van. Een hoge verteerbaarheid voorkomt dat er teveel ballast overblijft om een verstopping te veroorzaken. Weer een andere soort vezels maken de darminhoud meer pasteus door meer water vast te houden en voorkomen een te snelle indroging. Bekijk dus nu alvast het rantsoen voor als het paard op stal komt. En geef gevoelige paarden meteen een aangepaste voeding. Want wachten op de eerste koliekaanval is riskant en duur. De dierenarts moet op een spoedvisite komen en er kunnen complicaties optreden.

Let op senior

Seniorpaarden reageren sterker op de verandering van het rantsoen in het najaar dan jongere paarden. De klachten die gaan opspelen, zoals slecht verteerde mest, teveel water bij de mest, een slechte verharing, een minder goede conditie, of wat koliekerige symptomen kunnen heel geleidelijk aan beginnen. De mate van slijtage aan tanden en kiezen en de stand van het gebit verschillen per individu. Minder goed en minder effectief kauwen heeft direct gevolgen voor de vertering. De kans op vermagering in de winter is vele malen groter dan in de zomer. De reden hiervoor is dat gras veel beter te verteren is dan hooi of kuil. Er zijn zelfs paarden die zonder tanden en kiezen op gras redelijk in conditie blijven. Op hooi en kuil is dat niet meer mogelijk. Het kauwen is zo belangrijk voor de vertering dat senioren op stal vaak snel symptomen krijgen van een slechte voerverteerbaarheid. Op welke leeftijd dit gaat opspelen, is moeilijk te voorspellen. Doordat oudere paarden waarschijnlijk minder krachtig gaan kauwen, kunnen ze met een ogenschijnlijk goed gebit toch vermageren. Vanaf twintig jaar is het waardevol het paard regelmatig te laten controleren op gebit, conditie en vertering. Bij sommige dierenartsenpraktijken kun je een zogenaamde senioren-check-up te krijgen. Hiervoor komt de dierenarts een paar keer per jaar het paard controleren. Hij kijkt het paard klinisch na, geeft de noodzakelijke entingen, maakt een conditiescore en vergelijkt deze met de voorgaande, geeft ontwormingsadvies, mogelijk op basis van mestonderzoek en natuurlijk voedingsadvies. Omdat de dierenarts een beter continu beeld krijgt en het paard objectief kan beoordelen, zullen afwijkingen in bijvoorbeeld de conditie eerder opvallen.

Voorkom vermagering

Door het paard zo goed te controleren kan met aangepaste voeding vermagering en koliek voorkomen worden. Reeds in een slechte voedingstoestand is het moeilijk de conditie weer op peil te krijgen. Realiseer je dat met de vermagering het paard al lange tijd te weinig noodzakelijke voedingsstoffen binnen heeft gekregen. Het functioneren van de stofwisseling en de organen hebben daar onder te lijden. Het paard heeft minder weerstand en zal eerder ziek worden. Het rantsoen moet voldoen aan de speciale eisen die het seniorpaard stelt aan zijn voeding. Alleen maar overgaan op geweekt krachtvoer of slobber van maïsmeel en brokken is niet voldoende en zelfs gevaarlijk. Door te weinig kauwen kan teveel onverteerd zetmeel naar de dikke darm stromen en tot koliek of hoefbevangenheid leiden. Een uitgebalanceerde samenstelling is belangrijk voor een gezonde darmfora, een efficiënte vertering en opname van de juiste voedingsstoffen. Normaal gesproken voer je een paard voornamelijk ruwvoer met een aanvulling van krachtvoer. Voldoende vezels zijn essentieel voor een goede darmwerking, tegen de verveling en voor een gezonde samenstelling van de darmflora. De senior heeft dit ook nodig. Dus kies je in eerste instantie voor beter en makkelijker verteerbare soort hooi dat, zacht en fijn van structuur is. Voer geen kuilgras dat voor koeien is gemaakt. Dit is te zuur, bevat te weinig vezels, erg veel eiwit en geeft eerder aanleiding voor diarree en koliek. Hooi levert niet alle essentiële voedingsstoffen en moet worden aangevuld met geschikt krachtvoer. Dat voer mag niet teveel zetmeel bevatten en het zetmeel dat erin zit moet ontsloten zijn voor een betere verteerbaarheid. De hoeveelheid eiwit en vooral de kwaliteit eiwit moet afgestemd zijn op de behoefte van de senior. De hoeveelheid aan calcium en fosfor in het voer mag wat lager zijn dan normaal, terwijl het zink-, koper- en seleniumgehalte hoger mag zijn. Krijgt het paard minder ruwvoer of zelfs helemaal geen ruwvoer meer, dan moet het aanvullende voer veel vezels bevatten. Het paard heeft dan wel meer vitamine B en K nodig uit het overige voer. Deze vitaminen maakt hij normaal gesproken zelf in de dikke darm. Doordat de bacteriële activiteit daalt, zal deze productie ook minder zijn. Ook vitamine C moet aan dit rantsoen worden toegevoegd. Dit maakt een jonger paard voldoende aan in de lever, maar blijkbaar doen oudere paarden dat minder goed. Onderzoek wijst uit dat een toevoeging leidt tot een betere vitamine C status. De juiste voeding kan vermagering bij seniorpaarden uitstellen en de weerstand verbeteren. Er zijn meerdere seniorvoeders voor paarden op de markt. Het merendeel voldoet aan een aantal van deze gestelde eisen, maar vaak niet aan alle. Let dus goed op waar je paard aan toe is en welk voer het beste past. Bespreek dit met je dierenarts. Maak samen een plan van aanpak om je paard de laatste jaren van zijn leven zo fit en gezond mogelijk door te brengen. |

Tekst: Anneke Hallebeek

0 571
Jude Burgess

Voor elke tak van sport kan de samenstelling van het rantsoen afgestemd worden op de intensiteit en duur van de prestatie. Het grote aantal sprongen in een springparcours vergt veel explosieve energie en dus kracht.

Omdat het paard gedurende een wedstrijd vaak een aantal keer het parcours aflegt, is er sprake van een meer langdurige prestatie. Zowel uithoudingsvermogen als kracht is een belangrijk eigenschap voor een goed springpaard. Het rantsoen kan de spieren van de juiste energiebronnen voorzien. Behalve het paard de geschikte energiebronnen te geven, zijn de mineralen en vitaminen voor het herstel en een goede weerstand voor het stressvolle paardenbestaan even belangrijk. Zo krijgen magnesium en vitamine E de laatste tijd veel aandacht. Veel te weinig aandacht gaat helaas uit naar het ruwvoer, terwijl ook springpaarden niet zonder kunnen.

Energie
De training moet ervoor zorgen dat de spiersamenstelling geschikt is voor de te leveren krachtprestatie. De energie die hiervoor nodig is, moet snel beschikbaar zijn. Verbranding van glucose levert snelle energie, waardoor de spier kan samentrekken. Spieren die snel moeten reageren hebben dus een voorraadje glucose nodig. Deze voorraad ligt voor een deel in de spiercel, dit is het glycogeen. Verder kan de spier glucose opnemen uit het bloed, en dat kan dan weer uit een voorraad glycogeen in de lever komen. Hij moet er wel zuinig mee omspringen. De voorraad is te beperkt om alle energie voor een springparcours mee te leveren. Er moet dus nog een andere energiebron aangeboord worden; vetzuurverbranding. Deze energie komt wel langzamer vrij. Toch blijkt dat paarden, in tegenstelling tot mensen, op ‘vetverbranding’ een redelijk grote krachtprestatie kunnen leveren. De spier heeft een kleine opslag vet in de spiercellen. Verder kunnen de vetzuren met het bloed worden aangevoerd en is de voorraad bijna onbeperkt. Door training en het opbouwen van een goede conditie leer je de spieren overschakelen naar de energie-efficiënte vetzuurverbranding. Hoe eerder een spier omschakelt naar vetverbranding, des te meer glucose blijft er over voor plotselinge krachtprestaties. Voor de spier is het efficiënt om glucose te bewaren voor een laatste eindsprint. Een rantsoen met zowel vet als zetmeel en suikers kan ertoe leiden dat het paard sneller omschakelt naar vetzuurverbranding en daarmee dus glycogeen spaart. De hoeveelheid vet in het voer en de hoeveelheid zetmeel en suikers moeten afgestemd worden op de prestaties en de totale behoefte aan energie van het paard.

Na een zware prestatie zijn de glycogeenreserves gedaald of zelfs helemaal uitgeput. Door zetmeel en suikers te eten kan deze voorraad weer herstellen. Dit kan tot wel 72 uur duren als het paard echt ‘leeg’ is. Logisch dat het paard niet direct een soortgelijke prestatie kan leveren. Om het herstel van de glycogeenvoorraad te stimuleren is het goed om na de training krachtvoer te geven. Uiteraard pas zodra de ademhaling en hartslag weer zijn genormaliseerd. Het opbouwen van een extreem hoge glycogeenvoorraad is bij paarden niet zonder risico. De grote porties zetmeelrijk krachtvoer die het paard daarvoor nodig heeft, kunnen aanleiding zijn voor verteringsstoornissen. Daarnaast kan de hoeveelheid glycogeen te groot worden. Daardoor kan het paard eerder spierbevangenheid of maandagziekte krijgen. Gezien het maagdarmkanaal van paarden en hun spierfysiologie, is het beter krachtvoer in kleine porties te geven.

Zonder ruwvoer geen gezond paard. Geef in trainingsperioden gewoon voldoende hooi, minimaal 1,2 kg per 100 kg lichaamsgewicht. Vóór de wedstrijd mag de hoeveelheid hooi wel enigszins beperkt worden. Hooi houdt immers water vast in blinde en dikke darm, wat door het extra gewicht mogelijk de prestatie negatief beïnvloedt.

Vitaminen en mineralen
Krijgt een sportpaard (dagelijks werk op M-Z niveau), meer dan 3,5 kg krachtvoer en voldoende ruwvoer, dan is de kans op tekorten aan mineralen en vitaminen gering. Bij gebruik van natuurhooi, dus van onbemeste gronden, kan het eiwitniveau in het totale rantsoen te laag blijven. Door wat hooi te vervangen door lucernehooi, wordt het rantsoen eiwitrijker. De hoeveelheid vitamine E – met name de activiteit van die vitamine – is in ouder krachtvoer en ouder hooi minder dan in het verse product. Zeker aan het einde van de winter zijn de gehalten in het hooi te laag en kan aanvulling met een supplement nodig zijn. Om te kunnen beoordelen of het rantsoen een tekort bevat, moet je eerst de norm weten die het paard nodig heeft.

Extra vitamine E?
Er is een leuk onderzoek gepubliceerd (Kienzle et al. 2008) over het effect van placebo op de waarneming van de ruiters op de prestaties van hun springpaarden. In het onderzoek kregen paarden een supplement met niets erin (placebo), met vitamine E of met selenium. Alle paarden in het onderzoek hadden volgens de ruiters spierproblemen. Na het geven van het supplement werden deze klachten in alle groepen, dus ook die van de placebo, duidelijk minder. Ook de reactie van de paarden op de hulpen leek bij iedereen te verbeteren. Het is maar om aan te geven dat veel van wat er gebeurt, of wat je denkt dat er gebeurt, een kwestie is van gevoel en beleving bij de ruiter zelf. Dit effect is niet uit te schakelen, maar dien je wel te realiseren bij het beoordelen van bepaalde toevoegingen aan het rantsoen. Alle rantsoenen van deze paarden bevatten overigens voldoende vitamine E.

De minimale hoeveelheid vitamine E is 1 mg (=IE) per kilogram lichaamsgewicht. Voor renpaarden wordt dit opgehoogd naar 4 mg. Als springpaarden qua activiteit hier tussen zitten zou 2-3 mg vitamine E per kg lichaamsgewicht voldoende moeten zijn. Stel dat een springpaard van 550 kg dagelijks 5 kg hooi (redelijk beperkt) krijgt plus 4 kg krachtvoer, dan kan het rantsoen 500-3200 IE (=mg) vitamine E bevatten. Deze variatie in het rantsoen komt door de grote verschillen in de keuze aan krachtvoeders (100-650 IE vit E/kg) en de mogelijke daling van het vitamine E gehalte in hooi tijdens opslag. Het paard heeft aan 1100-1650 IE vitamine E voldoende. Het krachtvoer moet in deze rantsoensamenstelling minimaal 150 mg vitamine E per kg bevatten.

Extra magnesium?
Ook de hoeveelheid magnesium die het rantsoen moet bevatten is aan discussie onderhevig. Allereerst is er verwarring over de terminologie: de één drukt de norm uit per kilogram lichaamsgewicht en de ander per kilogram droge stof rantsoen. Paarden van hetzelfde gewicht kunnen een andere hoeveelheid voer en dus droge stof eten. Als je dan de norm per kilogram droge stof aanhoudt krijgt het ene paard meer dan het andere paard. Makkelijker is het om behoefte aan voedingsstoffen per paard te kunnen berekenen. Maar het mag duidelijk zijn; als je de norm hoger stelt zijn er meer paarden met een tekort in het rantsoen. Dus wanneer heeft het paard nu eigenlijk magnesiumgebrek? Bij ernstige tekorten zie je nerveuze verschijnselen, ataxie, en uiteindelijk zelfs hartfalen. Gelukkig komt dit soort situaties niet meer voor. Maar als het nog niet zo ver is, wanneer is het rantsoen dan optimaal? Het bepalen van een magnesiumstatus bij paarden kan in het bloed, maar deze waarde wordt beïnvloed door andere factoren zoals wel of geen voeropname, hormonen en ziekte. De urine zegt iets meer over een mogelijk magnesiumtekort, maar dit is voor de praktijk niet altijd eenvoudig. Uiteraard kun je naar het rantsoen kijken. Normaal gesproken is een hoeveelheid van 15 mg magnesium per kilogram lichaamsgewicht (LG) voldoende. De adviezen voor sportpaarden lopen uiteen tussen 18 en 40 mg per kg LG. De behoefte aan magnesium van het voorbeeld springpaard (550 kg) kan variëren tussen de 9,9-20 g per dag. Het rantsoen zoals opgegeven bevat tussen de 12-25 (tot 34) g Mg, weer afhankelijk van het gehalte in het hooi en de variatie die mogelijk is in de diverse soorten krachtvoeders. Echte tekorten van magnesium zijn niet snel te verwachten. Waar wat de optimale hoeveelheid is, blijft koffiedik kijken.

Tot slot
Het menu van een springpaard bevat in eerste instantie gewoon hooi en krachtvoer. Op hogere niveaus kun je de hoeveelheid zetmeel en suikers en vetten nauwkeuriger gaan bepalen. Een scheut olie aan het rantsoen toevoegen is dan niet de juiste weg. Hiermee geef je extra energie zonder andere energie ‘eruit’ te halen. Het samenstellen van de juiste balans tussen de energiebronnen is iets gecompliceerder. Laat altijd het ruwvoer analyseren zodat overdreven gebruik van supplementen niet nodig is. Focus niet teveel op één element in het rantsoen, maar probeer het geheel te beoordelen en te optimaliseren. De prestatie valt of staat niet met alleen het toevoegen van extra vitamine E of magnesium.

Tekst: Anneke Hallebeek

0 977

Het aanbod van paardenvoeders is enorm, de juiste keuze maken valt dan ook niet mee. Voor het ene paard voldoet basisbrok, het andere heeft meer baat bij sportbrok. De omschrijving impliceert een verschil, waar zit hem dat dan in? Voerfabrikanten maken voer door grondstoffen te selecteren, een bepaalde dosering te formuleren en daarna alles te malen, eventueel te verhitten en te persen (brok) of te mengen (muesli). Elke fabrikant kiest zijn eigen samenstelling en gehalten van deze voersoorten. Dat kan ertoe leiden dat de basisbrok van het ene merk qua gehalten lijkt op sportbrok van een ander merk. Aan het voer zelf is niet heel veel af te lezen. De hardheid van de brok kun je voelen. En in muesli kun je een deel van de grondstoffen zien, mits je deze herkent. Verder kun je ruiken en beoordelen of het wel of niet stoffig is. Maar dan heb je het 
wel gehad. Om wat meer duidelijkheid te geven, dook voedingsdeskundige Anneke Hallebeek voor de Hoefslag Special ‘Het Fitte Paard’ in de ingrediënten.

Alles weten over het verschil tussen basis- en sportbrok? Het hele artikel staat in het extra dikke themanummer ‘Het Fitte Paard’

Tekst: Anneke Hallebeek

Foto: Remco Veurink

0 87
oog
foto: Remco Veurink

Altijd al willen weten of je paard zo fit is als jij denkt? Of waar nog winst te behalen valt? Voor de eerste special van 2015 mag Hoefslag drie lezers blij maken met een fitheidscheck van hun paard. Hierbij voeren dierenarts Alfons Geerts en voedingsdeskundige Anneke Hallebeek een vakkundig onderzoek uit.

Dierenarts Alfons Geerts van eDigit mobiel Paardenonderzoek stelt op donderdagochtend 29 januari zijn kennis , ervaring en kliniek in Roosendaal ter beschikking om een algemene gezondheidscheck uit te voeren. Daarnaast geeft voedingsdeskundige Anneke Hallebeek advies over het rantsoen van je paard. Een verslag en de uitkomst van de fitheidscheck wordt gepubliceerd in de eerste Hoefslag Special die vanaf half februari bij de abonnees op de deurmat ligt.

Kans maken op deze fitheidscheck? En kun je op 29 januari? Stuur dan een mail naar hoefslag.nl@sanoma.com met daarin de reden waarom jouw paard deze check verdient. Let op: de check is niet bedoeld voor paarden die al iets mankeren.

0 115

Een groep onderzoekers aan de Universiteit van Versailles, Kentucky, namen onlangs het gemiddelde dieet voor springpaarden en andere internationale sportpaarden onder de loep. Het leveren van krachtprestaties vraagt om een hogere dosis van het molecuul adenosina triphosphate (ATP), dat zorgt voor energie in iedere lichaamscel. Volgens onderzoek kan de samenstelling van het voer en de timing van het voeren, via de hoeveelheid ATP, insuline en koolhydraten grote impact uitoefenen op de prestaties van het paard.

Gemiddeld voerschema

De onderzoekers onderzochten het voerschema van twintig springpaarden en vergeleken deze met voedingsadvies uit literatuur, om zo tot nieuw inzicht te komen. Daarnaast werden de bloedwaardes van diverse moleculen die belangrijk zijn voor het bewegingsapparaat (lactose, vet, insuline en suiker) voor en na de training van 27 springpaarden op 71 wedstrijden gemeten. Hieruit blijkt dat de paarden gemiddeld 6.9 kilo hooi en 3.1 kilo geconcentreerd voer (verdeeld over 2 tot 3 maaltijden per dag) ontvingen. Gemiddeld kregen de paarden de laatste voerbeurt zo’n 6 uur en 10 minuten voor de wedstrijd, en 7 paarden (35%) hadden tussen de wedstrijden door nog de beschikking over hooi en water.

Hoewel diverse boeken suggereren dat een suikerrijk dieet bevorderend is voor presteren tijdens kort intensief werk als springen, blijkt dat in de praktijk niet te werken. In deze studie bleek namelijk dat de springpaarden profiteerden van hooibeurten zo’n twee tot vier uur voor de training en dat het voedingsconcentraat geen belangrijke invloed had op de bloedanalyses.

Conclusie

‘Gebaseerd op onze bevindingen is het niet duidelijk of het geconcentreerde voer ook daadwerkelijk suikerrijk was. Het is dan ook belangrijk te weten dat de paarden in de meeste gevallen goed gevoerd werden voor ze aan het werk mochten (gemiddeld zes uur en 10 minuten voor aanvang van de training). Het wordt aangeraden een springpaard niet binnen vier uur voor het werk te voeren. Binnen deze vier uur zou het namelijk flinke invloed hebben op het insulineniveau.’

Het onderzoek gaat verder om bovenstaande bevindingen te bevestigen en meer inzicht te creeëren in het optimale voedingspatroon voor het (sport)paard.

Hoefslag/Equinews

0 110

Vanaf 16 oktober is in IJsland een wet ingegaan die paarden moet beschermen. Er was dit jaar al een nieuwe wet van kracht gegaan op het gebied van paardenwelzijn, maar die moest worden aangevuld.

De wetsregels beschrijven gedetaillerd hoe een paard dient te worden verzorgd, behandeld en getraind en hoe de eigenaar/ruiter zich ten opzichte van zijn paard hoort te gedragen.

Een aantal wetsonderwerpen:
* In elke stal moet een rustzone zijn. De paarden moeten elkaar kunnen zien; stroomdraden zijn uit den boze. Paarden moeten minstens een uur per dag vrij kunnen uitlopen. Een paard mag niet alléén gehouden worden, of dat nu op stal of in een wei is, enkele kortstondig durende gevallen daargelaten.

* De ruiter draagt de volle verantwoordelijkheid voor zijn paard en de uitrusting. Die moet goed passen. Op maneges en verhuurbedrijven moet een administratie gevoerd worden omtrent het inzetten van de paarden.

* In de training mogen geen uitrustingsstukken gebruikt worden die het paard kunnen beschadigen of bang maken. Paarden moeten niet met onnageeflijk materiaal of in een vaste houding opgebonden worden. Het zgn. IJslandse stangbit met tongboog is op wedstrijden en keuringen verboden.

* Paarden moeten in een gezonde toestand en goed getraind aan een wedstrijd deelnemen. Er geldt een volumelimiet voor muziek op wedstrijden.

* Paarden moeten minstens twee keer per dag gevoerd worden; minimaal vier kilo ruwvoer per dag. Ze mogen niet langer dan zes uur zonder water en niet langer dan veertien uur zonder ruwvoer staan. Een merrie met een veulen aan de voet mag niet langer dan twee uur zonder water of voer staan. Voer mag niet bedorven zijn.

* Van 1 juni t/m 1 oktober moeten paarden minstens twee maanden toegang tot een wei hebben. Groepen van meer dan veertig paarden moeten worden opgedeeld in voergroepen.

* De boxen moeten groot genoeg zijn; het paard moet kunnen gaan liggen en draaien. Een box moet met rubberen matten uitgerust zijn en dagelijks uitgemest worden. Een stal moet over daglicht en frisse lucht beschikken. Een paard mag slechts enkele uren per dag in een stand staan. Op stal mag het niet voortdurend lawaaïig zijn (maximaal 60 db op stal, 90 db op wedstrijden). De inrichting/omheining van stal en wei moet veilig zijn en het paard niet kunnen verwonden.

* Paarden in de wei moet een natuurlijke of kunstmatige schuilplaats ter beschikking staan, die groot genoeg is voor alle paarden in de groep.

Iceland Review/Hoefslag

 

Volg ons!

102,858FansLike
0VolgersVolg
0VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer