Tags Posts tagged with "Voeding"

Voeding

0 635
krachtvoer
Foto: Remco Veurink

Het maagdarmkanaal van een paard functioneert optimaal wanneer het langzaamaan ruwvoer verwerkt; dit houdt de maag gevuld, en helpt maagzweren voorkomen. Voor voldoende energie en voedingsstoffen, voeren we vaak ook krachtvoer, in een geconcentreerde vorm. Maar hoe vaak, en hoe veel krachtvoer moet er gevoerd worden voor een optimale gezondheid? Kentucky Equine Research zocht het uit.

Kleine porties

‘De hoeveelheid kracht die het paard nodig heeft om te groeien of te werken, is de belangrijkste factor om te bepalen hoe veel maaltijden een paard nodig heeft.’ vertelt voedingsdeskundige Catherine Whitehouse. ‘Ruwvoer moet vrijwel altijd beschikbaar zijn voor paarden, krachtvoer kan beter in kleine porties worden gevoerd. Over het algemeen is het verstandig niet meer dan 2,3 kilo te per keer te voeren aan volwassen paarden.’

Graan en zetmeel

‘De grootte van de maag en de snelheid van de spijsvertering bepalen dat het paard niet meer graan per maaltijd kan eten. De meeste paarden zouden graag meerdere, enorme maaltijden krachtvoer op een dag krijgen, maar het maagdarmkanaal kan niet meer voer tegelijk aan. Zetmeel is de belangrijkste energiebron in veel voer, het moet voldoende tijd in de dunne darm doorbrengen om goed te worden verteerd. Wordt het te snel door de dunne darm geduwd, kan het de energieproductie van het paard verstoren.’

Drie maaltijden

‘Wanneer je maximaal 2,3 kilo krachtvoer per dag aan een paard voert, kan dit veilig in één maaltijd worden aangeboden. De meeste concentraten zijn echter ontwikkeld om tussen de 3 en 6 kilo per dag te worden gevoerd, meerdere maaltijden per dag zijn dan nodig. Wanneer paarden meer dan 4,5 kilo per dag krijgen, is het verstandig om het in drie maaltijden aan te bieden. Verdeel deze maaltijden dan gelijkmatig over de dag.’

Bron: Kentucky Equine Research

0 241
Foto: Remco Veurink

Zonnebloempitten komen steeds vaker voor in de voeding van paarden. Ze zijn een rijke bron van vetten, en zouden kunnen bijdragen aan de gezondheid van de huid, een glanzende vacht en gewichtstoename.

Zwarte zonnebloempitten

Niet alle zonnebloempitten zijn hetzelfde, de meest bekende zonnebloempitten zijn de gestreepte pitten. Deze worden vaak gebruikt in de bakindustrie, maar weinig ingezet als paardenvoer. Zwarte zonnebloempitten zijn beter bruikbaar als paardenvoer. Deze bevatten meer oliën, zijn beter verteerbaar en kosten minder. Zwarte pitten hebben een dunnere huls dan de gestreepte pitten, wat ze makkelijker te kauwen en te verteren maakt voor paarden.

Veilig

Zonnebloempitten zijn veilig voor paarden, ook al is de ideale dosering nog niet onderzocht. Kleine hoeveelheden worden vaak gevoerd aan paarden zonder bijzonderheden, en kunnen voor wat aanvullende calorieën zorgen. In tegenstelling tot andere zaden die oliën bevatten, zitten er geen Anti-Nutritionele Factoren (ANF’s) in zonnebloempitten. ANF’s beïnvloeden de vertering in het maagdarmstelsel, in negatieve zin. Ook dit maakt de pitten goed verteerbaar.

Omega-6 en vitamine E

Zwarte zonnebloempitten beschikken over 40 tot 50% olie en zijn rijk aan omega-6 vetzuren. Omega-6 zijn kunnen de gezondheid van de huid ondersteunen. Omdat modern voer vaak al veel omega-6 bevat, zou omega-3 de omega’s beter in balans brengen. Visolie kan hier bijvoorbeeld sterk aan bijdragen. De vetten in zonnebloempitten verbeteren de vacht, daarbij bevatten deze veel vitamine E. Vooral voor paarden die geen vers gras krijgen, is vitamine E zeer belangrijk.

Lysine

Er zijn veel eiwitten aanwezig in zwarte zonnebloempitten, maar ze bevatten weinig van het essentiële aminozuur lysine, dat zeer belangrijk is voor de groei van paarden. Daarom kunnen zwarte pitten een nuttig supplement zijn, maar dienen zij niet de belangrijkste bron van eiwitten in het voer te zijn.

Bron: Kentucky Equine Research

0 1631

De World Equestrian Games in Tryon was een groot evenement, met meer dan 800 paarden. Kentucky Equine Research was verantwoordelijk voor de import van en lokale zoektocht naar voeding voor deze paarden, en een deel van de bodembedekking. Daarnaast sloegen zij het voer op in Tryon, en verwerkten ze het bestel- en leveringsproces.

Voer uit Europa

Kentucky Equine Research geeft een uniek beeld van de hoeveelheden en types voer die gebruikt worden voor toppaarden van over de hele wereld. Drie containers krachtvoer werden geïmporteerd vanuit Europa, voor teams die hun voer vooraf hadden besteld. Van die containers zijn 1180 zakken voer geleverd. Van Amerikaanse leveranciers is er wat minder voer ingekocht, omdat de meeste ruiters die in de VS zijn gestationeerd, hun eigen voer hebben meegenomen. 120 zakken Amerikaans voer waren te koop op het evenement.

Granen en hooi

Naast het standaard krachtvoer werden ook granen geleverd, waaronder twintig zakken geplette haver, acht zakken gestoomde haver en 24 zakken normale haver. Ook bietenpulp en zemelen werden in vrij hoge hoeveelheden aangeleverd. Gerst, lijnzaad en geplette mais waren ook beschikbaar, maar werden niet veel gevoerd. Er waren verschillende opties hooi, waaronder de eerste- en tweede snede gras, alfalfa en kropaargras. 3684 balen hooi werden verkocht.

Verschillende disciplines

‘Het is altijd interessant om de verschillen tussen de disciplines te zien, met betrekking op het voer.’ vertelt een voedingsdeskundige uit Kentucky, die aanwezig was in Tryon. ‘De meeste reiningruiters voeren alfalfa, andere disciplines voeren misschien alfalfa in combinatie met ander hooi, maar nooit enkel alfalfa. Voltigeurs en para-ruiters vermijden alfalfa juist, omdat paarden er te heet van zouden kunnen worden. Endurance paarden krijgen enkel alfalfa op de dag van de wedstrijd, en de andere dagen normaal grashooi. Dressuurruiters waren meer geïnteresseerd in de eerste snede, en springruiters kozen vaak voor de tweede snede, dat hooi is wat groener en heeft meer voedingswaarde.’

Elektrolyten en lekkernijen

Veel teams bereidden hun paarden in voor op de hitte en luchtvochtigheid in Tryon door het bijvoeren van elektrolyten. Kentucky Equine Research leverde 79 poeders met elektrolyten, 263 pastas en 89 zoutblokken. Daarnaast waren uiteraard lekkernijen in trek op dit evenement! De paarden aten 4000 kilo appels en bijna 9000 kilo wortelen.

Bron: Kentucky Equine Research

Foto: Remco Veurink

lommel

OCD (Osteochondrose Dissecans) is een gewrichtsafwijking die ontstaat bij veulens in het eerste levensjaar. Door kreupelheid kan het een paard ongeschikt maken voor de sport, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. In veel gevallen kan er geopereerd worden, wat een kostbare zaak is. Een groot deel van de oorzaak zit in de fokkerij, maar voeding kan helpen om OCD te voorkomen.

1. Merrie: extra koper en magnesium, niet teveel calcium

Koper en magnesium zijn zeer belangrijke mineralen in het proces om de kans op OCD te verkleinen. Via de merrie kan het veulen koper in de lever opslaan voor gebruik in het eerste levensjaar. Magnesium krijgt het veulen binnen via de melk. Teveel calcium voor de merrie is voor het veulen ongewenst. Let hierop bij het gebruik van merriebrok en houd de calcium/fosforverhouding in het gehele rantsoen van de merrie in de gaten.

2. Mineralenvoorziening veulen in de juiste verhoudingen

Zodra het veulen krachtvoer gaat mee-eten met de merrie, maar vooral na het spenen, is het van belang om het mineralenaanbod in het rantsoen in de gaten te houden. Belangrijke mineralen zijn calcium, fosfor, magnesium, koper, mangaan en zink. Zelf knutselen met enkelvoudige voedermiddelen/supplementen is lastig en kan tot problemen leiden. Vaak is een speciaal supplement voor veulens de beste oplossing.

3. Liever energie in de vorm van vetten/olie dan zetmeel en suiker

Zetmeel en suiker veroorzaken sterke schommelingen in de bloedsuiker en insulinespiegels, wat een negatief effect heeft op de botgroei. Voer veulens daarom liever niet bij met krachtvoer wat veel zetmeel/suiker bevat, maar met veel ruwvoer en een krachtvoer met een hoger vetpercentage. Sober voederen leidt niet tot kleine veulens; de uiteindelijke stokmaat is genetisch bepaald.

Ter voorkoming van OCD is ook beweging heel belangrijk. Bovendien zorgt daglicht voor aanmaak van vitamine D, wat van belang is bij de absorptie van calcium en fosfor. Weidegang is hierbij de beste oplossing, weer of geen weer!

Bron: Hoefslag

Foto: Remco Veurink

mager
Paardis te mager

Vandaag de dag lees je veel over te dikke paarden. Maar er zijn ook paarden die juist heel lastig op gewicht te krijgen en te houden zijn. Wat doe je als je paard te mager is?

Verschillende oorzaken

Een paard kan door een scala aan oorzaken gewicht verliezen of al mager zijn. Onder andere de leeftijd en de kwaliteit van het gebit kunnen een rol spelen. Een medische oorzaak is ook mogelijk, zoals een slechte vertering en/of absorptie van voedingsstoffen, maagzweren, dunne darmontstekingen, darmzweren, etc.. Laat een mager paard of een paard dat gewicht verliest daarom altijd eerst medisch helemaal doorlichten, voordat je zelf met het rantsoen aan de slag gaat. Bij een rantsoen voor een mager paard zijn de volgende aandachtspunten van belang:

1. Ruwvoer 

Geef een mager paard een onbeperkte hoeveelheid goed hooi of voordroogkuilgras. Langstengelig en moeilijk verteerbaar ruwvoer is minder geschikt, omdat hier minder voedingstoffen in zitten. De kwaliteit en voedingswaarde kan per partij heel erg verschillen. Geef je paard (indien mogelijk) meer weidegang op een goed onderhouden weiland. Gras bevat meer energie en eiwit dan hooi en kuil. Van weidegang komen magere paarden het snelst weer op gewicht.

2. Krachtvoer met beleid

Als je meer prestaties van je paard verwacht, heeft hij ook een voedzamer rantsoen nodig. Wanneer ruwvoer niet meer voldoende is, kan krachtvoer worden bijgevoerd.  Zie het verhogen van de hoeveelheid krachtvoer echter niet als oplossing om je paard dikker te krijgen. De kwaliteit van het ruwvoer is veel belangrijker voor de gezondheid van je paard.

3. Plantaardige olie

Olie bevat 3 keer meer energie dan koolhydraten zoals suiker en zetmeel. Bovendien brengt het voeren van plantaardige olie geen risico op verteringsproblemen die bij gebruik van veel zetmeel wel voorkomen, zoals koliek en diarree. Introduceer plantaardige olie altijd langzaam, zodat het spijsverteringssysteem zich kan aanpassen en optimaal gebruik kan maken van de energie.

 

4. Ook eiwit is aandachtspunt

Niet alleen energie, maar ook eiwit is een belangrijk aandachtspunt bij magere paarden. Vaak hebben ze een deel van hun spieren verbrand; alleen een voldoende eiwitaanbod in het rantsoen kan deze weer helpen op te bouwen. Voor extra eiwit kan luzerne bijgevoerd worden. Verder is geweekte bietenpulp een goede en veilige manier om de voederwaarde van het rantsoen op te krikken.

Als het niet helpt….

Er zijn veel mogelijke medische oorzaken van vermagering, waarbij vaak, na klinisch onderzoek, specialistische inzet van een internist nodig is om bloed-urine-testen, mestonderzoek, maag/dunnedarm endoscopie, biopten van dunne/dikke darm en absorptie-testen van de dunne darm uit te voeren. Bij magere paarden wordt vaak te lang geprobeerd het probleem door middel van voeding te verhelpen, waardoor zieke dieren vaak in een verder gevorderd stadium bij de dierenarts worden aangeboden en daardoor moeilijker te behandelen zijn.

Bron: Hoefslag, overname zonder bronvermelding én schriftelijke toestemming via webredactie@mediaprimair.nl niet toegestaan

Foto: Remco Veurink

 

 

 

stal

Als je een paard hebt en verzorgt, spreek je regelmatig met andere paardeneigenaren en wissel je informatie uit. Over problemen met je paard, over training en voeding. We doen graag na wat anderen doen, zeker als die succes heeft. Vandaar dat voerfabrikanten graag topruiters sponsoren. Dit geeft een positieve uitstraling. Toch kunnen juist door deze ‘praktijken’ weleens fouten ontstaan, die soms tot klachten leiden.

Want ook al lijken de paarden veel op elkaar, ze hebben allemaal een eigen voerbehoefte. Daar komt bij dat het ruwvoer van de ene stal van heel andere kwaliteiten is dan van de andere stal en daarmee een hele andere aanvulling vergt. Voeding is een individuele aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat er een aantal basisregels zijn waar elk rantsoen aan moet voldoen om je paard gezond te houden.

Basisregels van paardenvoeding

Zorg dat je wat kennis krijgt over paardenvoeding en besluit wat jouw paard nodig heeft. Met een beetje zekerheid krijg je minder de neiging om telkens veranderingen in het rantsoen door te voeren. Kijk eens op het krachtvoer en de supplementen wat er in zit. Voer geen dingen die het paard niet nodig heeft. Het kan zijn dat je hulp nodig hebt om de puntjes op de i te zetten. Maar een aantal basisregels zijn zeker voor iedereen zelf in te vullen.

Basisregel 1: Voer voldoende ruwvoer

Elk paard heeft minimaal 1,25 kg droge stof ruwvoer per 100 kilogram lichaamsgewicht nodig. Natuurlijk mag dit meer zijn. Ruwvoer eten is goed voor het paard. Zolang het paard geen overgewicht krijgt, mag hij zoveel ruwvoer eten als hij wil. Als je krachtvoer wilt bijvoeren, let dan op of het paard niet te dik gaat worden als hij onbeperkt ruwvoer kan eten. Vandaar de maat voor de minimale hoeveelheid. Daar mag het rantsoen niet onder komen!

Onbeperkt ruwvoer, dus ook als je paard buiten in de schrale wei staat (Foto: Remco Veurink)

De ervaring leert dat deze minimale hoeveelheid lang niet op alle stallen gehaald wordt. De hoeveelheid ruwvoer is vaak gelijk voor elk paard, terwijl een paard van 1.75 m echt meer nodig heeft dan een paard van 1.60 m. Tussen deze paarden kan 100 kg gewichtsverschil zitten. Bij een schofthoogte van 1.60 m hoort meestal een gewicht van 550 kg en een minimale ruwvoerbehoefte van 6,9 kg droge stof, maar bij een schofthoogte van 1.75 m en een gewicht van 650 kg is ruim 8 kg droge stof hooi nodig.

Stel dat de paarden drie keer per dag twee plakken hooi krijgen en het gewicht van een plak varieert tussen de 1 en 2 kg, dan varieert de voergift tussen 6-10 kg per dag. Omgerekend naar droge stof (voor hooi 850 g/kg), komt dit neer op 5,1 – 8,5 kg . De gemiddelde voergift kan voor het kleinere paard net voldoende zijn, maar de grote krijgt waarschijnlijk altijd te weinig. Weeg geregeld wat je voert en geef elk paard een eigen portie. Schrijf dit op de staldeur.

Om deze basisregel te hanteren moet je kennis hebben van de body condition score van je paard (kan je wel of niet onbeperkt ruwvoer geven?), het gewenste gewicht (wat is de minimale hoeveelheid?) en het droge stofgehalte van het ruwvoer.

1. Body Condition Score van je paard

Body Condition Score
Illustratie: www.bonpard.com

Het totale rantsoen moet passen bij wat het paard nodig heeft. Op basis van berekeningen kan je een goede schatting maken van de energiebehoefte, maar het paard geeft uiteindelijk aan of je voldoende, teveel of te weinig energie voert. Heel veel eigenaren zijn onvoldoende op de hoogte wat de Body Condition Score van hun paard is. Wat tot gevolg heeft dat het rantsoen niet tijdig wordt aangepast.

Er zijn vijf gradaties in de Body Condition Score:
-2 (erg mager)
-1 (te mager
0 (prima!)
+1 (iets te dik)
+2 (veel te dik)

Je beoordeelt dit door naar je paard te kijken (vorm en verhoudingen) en te voelen (onderhuidse vetlaag). Kijk naar deze film voor uitleg:

Het lezen van het artikel ‘Body condition score (BCS) | Weet jij of je paard wel of niet te dik is?‘ is eveneens verhelderend. Om je dit meer eigen te maken moet je ervaring opdoen en verschillende paarden beoordelen. Wil je dit leren, organiseer een workshop van een voedingsdeskundige op je pensionstal!

2. Gewenste gewicht van je paard

Het gewenste gewicht kan je aan de hand van schofthoogte en ras schatten:

Tabel: Gewicht van paarden op basis van ras en schofthoogte

Ras Stokmaat Gewicht
minipaardje Tot 1.10 90-200
Shetlander 1.00-1.10 200-225
Welsh pony klein

Welsh pony middel

Welsh pony groot

Tot 1.22

1.22-1.37

1.45-1.52

200-275

275-350

400-500

New Forest 1.25-1.45 300-400
Connemara 1.25-1.48 300-450
IJslander 1.30-1.45 300-450
Fjord 1.35-1.48 400-500
Haflinger 1.35-1.55 450-600
Arabier 1.45-1.50 400-450
Tinker 1.45-1.60 500-800
Fries 1.50-1.63 500-700
Draver 1.50-1.65 500-600
KWPN 1.60-1.75 550-700
Belgisch trekpaard 1.55-1.70 700-1000

Een meetlint kan het huidige gewicht aangeven, maar als de Body Condition Score afwijkend is, gebruik je dit dan niet om de gewenste hoeveelheid ruwvoer te berekenen.

3. Droge stofgehalte van het ruwvoer

Ruwvoeders zijn variabel in droge stofgehalte. Zeker als het gaat om kuilvoer. De voederwaarde en ook de vezels kan je het best vergelijken en beoordelen op basis van het droge stofgehalte. Voor een berekening van de gewenste hoeveelheid droge stof ruwvoer is een schatting van het droge stofgehalte nodig. Hoe droog hooi ook lijkt, met een droge stofgehalte van 830-850 g per kilogram voer, bevat het nog altijd 150-170g water! Natter mag hooi niet zijn. Droging is namelijk de manier om het gras houdbaar te maken, te conserveren. Te vochtig hooi kan gaan broeien en schimmelen. Voordrogen en verzuren is ook een goede conserveringsmethode, dit is kuilvoer.

Kuilvoer (of ‘voordroog’) is in plastic verpakt en heeft meer variatie in droge stofgehalte dan hooi, namelijk van 600 tot 850g per kilogram voer. Zogenaamde ‘koeienkuil’ bevat nog minder droge stof (is dus natter!), maar dit is ongeschikt om aan paarden te voeren, vanwege het hoge energie- en eiwitgehalte en vanwege de zuurheid.

Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap

Het schatten van de droge stofgehalte van kuilvoer is best lastig. Zeker als je geen vergelijkingsmateriaal hebt. De droogte van hooi is wel duidelijk. Als het kuilvoer daarop lijkt en je meer ‘ingepakt hooi’ hebt, heb je te maken met waarschijnlijk 800-850g droge stof. Voelt het nét niet helemaal droog aan, oftewel had je dit spul niet zonder verpakking kunnen bewaren, dan gaat het richting 750g droge stof. Is het product echt niet helemaal droog dan zal het circa 700g droge stof bevatten. Plakt het aan elkaar vast, maar is het wel makkelijk los te krijgen (je kan er geen water uit knijpen), dan zal de droge stof meer naar de 600-650g gaan.

Kuilvoerwinning (Foto: Wikipedia.com)

Is het wel zo vochtig dat je er water uit kan knijpen, dan is de vraag of het geschikt is voor paarden. Ruikt het erg zuur, kijk dan uit of het niet te rijk is (veel blad en weinig stengels) en daarmee een te hoge voederwaarde heeft. Ook al hebben sommige paarden veel energie en eiwit nodig (topsport, merrie, groeiende paarden), dan nog is deze kwaliteit een risico voor verteringsklachten, zoals slappe mest en koliek. Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap. Het is stofvrij en kan een prima voer zijn, maar als het te zuur is, is het waarschijnlijk minder gezond (én te rijk). Omdat verzuring onderdeel is van de houdbaarheid, is een minder zure kuil minder houdbaar, tenzij het door droging voldoende is geconserveerd (!).
Dus als je kuilvoer gebruikt, is het allerbelangrijkste dat je elke dag de kwaliteit controleert!

Basisregel 2. Zorg voor een goede verdeling van het voer over de dag

Krijgt het paard altijd ruwvoer en blijft hij daarbij in een gezonde body condition score, dan voldoe je zeker aan deze regel. Maar veel paarden krijgen beperkt gevoerd (omdat ze anders te dik worden) en dan moet je even goed opletten of de voermomenten niet te lang uit elkaar liggen. Zeker als een paard veel op stal staat, kan verveling ertoe leiden dat hij stalondeugden ontwikkelt.

Kribbebijten of luchtzuigen

Verveling is misschien niet het goede woord. Het paard heeft een kauwbehoefte en als daar niet aan voldaan kan worden, raakt hij gefrustreerd. Uit frustratie kan hij gaan kribbebijten of luchtzuigen. Dit afwijkende gedrag heeft als eerste doel om te bijten en te kauwen om daarmee speeksel te maken. Het vervelende is dat dit gedrag uiteindelijk een stereotypie wordt. Het paard krijgt, door dit gedrag uit te voeren, een prettig gevoel (door endorfines) en gaat het keer op keer herhalen. Om er dan vanaf te komen is zeer moeilijk. En het gedrag zelf kan nadelige gevolgen hebben voor de vertering. Vaak zie je bij deze paarden terugkerende koliekklachten, maagweren en vermagering.

Kribbebijten
Kribbebijten (Foto: Marjolijn Munnich)

Voorkom dat paarden te lang met een lege maag staan. Geef frequent wat ruwvoer en de laatste (grote) portie voer je vrij laat in de avond. Als je dat doet, is het ook niet zo erg om de dag te beginnen met krachtvoer. Want het paard heeft net het ruwvoer op. Staat het paard erg lang zonder eten, dan begin je eerst met ruwvoer en geef je daarna krachtvoer. In een stro stal staan geeft wel wat ‘rek’ voor de periode zonder eten. Echter, veel stro eten kan leiden tot een verstoppingskoliek. Het is dus belangrijk om de juiste kwaliteit ruwvoer voor je paard te kiezen. Langstengelig grof ruwvoer bevat minder energie en eiwit, maar geeft wel meer kauwtijd. Uitstekend voer voor de meeste paarden. Daar kan je meer van geven dan van gemiddelde kwaliteit ruwvoer.

Basisregel 3. Geef niet meer dan 2 kg krachtvoer per maaltijd (pony 1 kg)

2 kg krachtvoer per maaltijd per paard is voldoende. Geef sowieso nooit méér krachtvoer dan ruwvoer!
Sportpaarden krijgen krachtvoer voor een prestatie in kracht of duur. Het krachtvoer levert energie in de vorm van zetmeel en suikers en wat vet. Krachtvoer verblijft langer in de maag dan ruwvoer. En aangezien de maag van het paard maar klein is, kan je beter niet te veel per keer geven. Soms krijgt een paard geleidelijk aan meer krachtvoer, omdat de conditiescore laag is en niet verbetert. Een grote hoeveelheid krachtvoer verteert minder goed en het zorgt er tevens voor dat het paard minder ruwvoer kan eten. Een averechts effect! Het ruwvoer moet altijd het grootste deel uitmaken van de totale voer- en energieopname.

Basisregel 4. Geef alle noodzakelijke voedingsstoffen

Een compleet rantsoen voorziet in voldoende vezels, maar voor een goede gezondheid ook in alle overige noodzakelijke voedingsstoffen. Elk paard heeft behoefte aan eiwitten en een hele reeks vitaminen en mineralen. Daarnaast zijn nog essentiële vetzuren nodig. Voercomponenten als pro- en prebiotica heeft niet ieder paard altijd nodig. Dit voeg je alleen toe als daar aanleiding toe is. Ook hier weer zijn de gezondheid van het paard en de prestatie uitgangspunt om de behoefte te bepalen. En is de lijst noodzakelijke voedingsstoffen individueel bepaald. Om dit uit te zoeken is hulp van een voedingsdeskundige nodig.

Vitaminen

Paarden maken bijvoorbeeld zelf een heel aantal vitaminen. Toch zijn er soms omstandigheden dat ze wel een extra aanvulling nodig hebben. Anders dan bij de mens is de productie van vitamine B-complex en vitamine K in de dikke darm van het paard normaal gesproken voldoende. Voor vitamine B1 en vitamine B2 bestaat een voedernorm voor paarden, oftewel van deze twee vitaminen moet het rantsoen een bepaalde dosering bevatten. Met een gangbaar rantsoen voor paarden krijgen ze dit voldoende binnen.

Maar heeft het paard een minder actieve of volumineuze darmflora, bijvoorbeeld doordat het paard (te) weinig ruwvoer eet of regelmatig fermentatiestoornissen heeft met mestproblemen (diarree) of koliekklachten, dan is de productie van vitamine B-complex en vitamine K waarschijnlijk onvoldoende.

Supplementen (Foto: Remco Veurink)

Nu bevatten bijna alle krachtvoeders voor paarden vitamine B-complex en soms vitamine K, dus met krachtvoer in het rantsoen is de voorziening vaak goed geregeld. Een ander voorbeeld is de vitamine C voorziening voor oudere paarden. Paarden produceren zelf vitamine C in de lever. Bij oudere paarden vermoedt men dat de productie minder is, vanwege een minder goed functioneren van de lever. Vandaar dat in seniorenvoer vaak vitamine C is toegevoegd. Ook voor sportpaarden kan dit soms een goede aanvulling zijn, omdat door stress de behoefte is verhoogd én omdat vitamine C de functie van vitamine E kan ondersteunen. En zo zijn er ook uitzonderingen voor de behoefte van biotine, lysine en linolzuur en linoleenzuur.

Voor de meeste paarden geldt dat 2-2,5 kg krachtvoer samen met voldoende ruwvoer een volledig rantsoen oplevert. Voor pony’s zal 1-1,5 kg voldoende zijn. Geef je een granenmix of haver in plaats van krachtvoer, dan ontbreekt het rantsoen aan mineralen en vitaminen. Tenzij op de verpakking staat dat deze als extra zijn toegevoegd. Maar anders is een aanvullend supplement nodig. Veel ruwvoer geven is een gezonde keuze en levert voor veel paarden en pony’s voldoende energie (vermagert niet). Een half schepje krachtvoer na het rijden is een fijne beloning. Meer is dan ook niet nodig. Ook in dat geval is wel een aanvullend supplement nodig om het rantsoen compleet te maken.

Bonpard FORAGE SUPPLEMENT

Bonpard Forage is hier speciaal voor samengesteld. Het bevat alleen wat het paard nodig heeft naast ruwvoer, in de juiste dosering en verhouding. Zelfs in een uitstekend opneembare vorm, zodat koper en zink (vaak in rantsoen tekort) echt ten goede komt aan het paard (en niet in de mest verdwijnt). En als klein brokje gemakkelijk te voeren, ook als het paard geen ander krachtvoer krijgt.

Rantsoenanalyse

Een goede rantsoenanalyse heeft tot doel te beoordelen of het rantsoen past bij het paard. Het gaat veel verder dan alleen de krachtvoer keuze. Het is het opmaken van de balans tussen de individuele voedermiddelen in kwaliteit en hoeveelheid en het voerschema samen met wat het paard op dat moment nodig heeft.

Het paard bepaalt de behoefte aan voedingsstoffen

Feitelijk staat het paard centraal. Die bepaalt door conditie, gewicht en prestatie de behoefte aan voedingsstoffen. Maar omdat door groei, leeftijd en prestatie veel factoren in het paard veranderen, moet je deze balans keer op keer maken. Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken kan je met de vier basisregels het rantsoen controleren. Een verfijning in de afstemming doe je samen met een dierenarts of voedingsdeskundige. Sinds enkele jaren volgen dierenartsen nascholing over paardenvoeding.

Kijk voor onafhankelijk goed voeradvies op www.voedingsconsulentpaard.nl.

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding

Foto’s: Shutterstock, Remco Veurink, Marjolijn Munnich, Wikipedia, Bonpard

hooi voeding

De hooitijd is altijd een bijzonder moment voor de paardeneigenaar die zijn eigen hooi produceert en oogst. Hij moet onder meer het ideale tijdstip van hooien bepalen en oog hebben voor het drogen van het hooi. Welk hooi is geschikt voor mijn paard?

We willen allemaal het beste voor ons paard en ook het lekkerste als het even kan, vandaar dat we zo zorgzaam en kieskeurig zijn bij het bepalen van het type krachtvoer dat onze paarden eten. Hooi wordt dan soms een beetje een ondergeschoven kindje, ofschoon dit zeer onterecht is en eigenlijk een beetje een eigenaardige houding. Hooi (of andere bronnen van ruwvoeder zoals voordroog) vertegenwoordigt het belangrijkste en grootste aandeel van het dieet van het paard.

Herbivoor

Het paard is primair een herbivoor en gemaakt om gras en aanverwanten te eten. Wij geven het paard granen in de vorm van krachtvoer, maar in de natuur eten paarden geen granen. Wij mensen hebben het concept ontwikkeld om paarden granen te voeren om zo extra energie te verschaffen om arbeid te kunnen ver-richten. Ofschoon steeds meer recente studies aantonen dat paarden in behoorlijke sportcompetitie niveaus kunnen presteren, puur op hooi.

Deze studies bewijzen nog maar eens hoe belangrijk hooi in het dieet van het paard is. Een paard haalt er veel energie uit en het is een zeer veilige voedselbron, op voorwaarde dat het hooi kwaliteitsvol is en past bij jouw paard. Het ene hooi is immers het andere niet.

Op twee plaatsen

Vertering en opname van voedingsstoffen gebeurt binnen het spijsverteringsstelsel van het paard hoofdzakelijk op twee plaatsen. De dunne darm, waar vooral opname van suikers, eiwitten en vetten plaatsvindt met de hulp van spijsverteringsenzymen die geproduceerd worden door onder andere de alvleesklier en de lever en lokaal ter hoogte van de darmwand. Krachtvoer bevat veel suikers, eiwitten en vetten en wordt hoofdzakelijk in dat deel van het spijsverteringsstelsel verteerd.

De dunne darm is verantwoordelijk voor 30% van de totale vertering. De dikke darm daarentegen verteert cellulose en kan dit dankzij de darmflora die daar rijkelijk aanwezig is. Eigenlijk is het hooi de voeding voor de flora van de dikke darm. Deze flora verteert het hooi en produceert daarbij onder andere vluchtige vetzuren die door de darmwand worden opgenomen naar de bloedbaan en door het paard als energiebron worden gebruikt.

Hoofdaandeel

Vernietig de flora in de dikke darm van het paard, en het kan geen hooi meer verteren. De dikke darm van het paard is verantwoordelijk voor zo’n 45% van de vertering en vertegenwoordigt dus het hoofdaandeel.

Onze inzichten en kennis over hooi evolueren snel de laatste jaren. Het feit dat paarden competitiesport kunnen doen op een puur hooi dieet was binnen de wetenschappelijke wereld toch wel een eyeopener. Paarden halen dus meer energie uit hooi dan we vroeger veronderstelden. In retrospect bekeken is het ook logisch dat een paard super efficiënt kan omgaan met de meest natuurlijke voedingsbron in zijn dieet. Maar het ene hooi is het andere niet en het ene paard is het andere niet.

Sterk verschillende snedes

Wat hooi betreft, is het belangrijk te beseffen dat snedes sterk kunnen verschillen wat betreft eiwit- en suikergehalte, ruw vezelgehalte en verteerbaarheid. Als je met professionele hooianalyses aan de slag gaat, wat steeds meer hooiproducenten doen, dan besef je dat visuele inspectie van een hooilading en het hooi ‘voelen en ruiken’, behoorlijk onbetrouwbare manieren zijn om hooi energetisch in te schatten. Met andere woorden: lang niet alle groen en fijn hooi is hoog energetisch en lang niet al het grofstengelig hooi is ‘arm hooi’.

hooi voeding
Hooi maken
© DigiShots

Zoals altijd: meten is weten en enkel een officiële hooianalyse, die overigens tegenwoordig zeer betaalbaar is, kan zekerheid geven over de samenstelling van het hooi dat je voert. Daarbij is het uiteraard belangrijk dat de nodige referentiewaarden voor de verschillende voedingsstoffen in het hooi specifiek voor het paard geformuleerd moeten worden. Het heeft geen zin om de analyse resultaten te vergelijken met normaal-waarden voor hooi geschikt voor runderen.

Vooral het verteerbaar suiker- en eiwitgehalte in het hooi verdienen aandacht. Hoe hoger deze zijn, wat je vooral zal aantreffen in hooi dat vroeg geoogst is (begin juni), zonder dat het gras in de aren is geschoten, hoe voorzichtiger je ermee moet omspringen. En daarmee willen we zeker geen pleidooi lanceren om enkel arm, in de aren geschoten hooi aan paarden te voederen. Integendeel! Dat zou een gemiste kans zijn. De kunst bestaat er juist in om het juiste hooi op het juiste moment te voeren aan het juiste paard.

Rasverschillen

Er zijn belangrijke rasverschillen wat betreft energiebehoeften. Sommige rassen, zoals Shetlanders, IJslanders en Fjorden hebben hun natuurlijke habitat in zeer onherbergzaam, koud en voedselarm gebied. Het mag dan ook niet verbazen dat de natuur hen heeft uitgerust met een super efficiënt en spaarzaam energie opname- en verbruiksysteem. Zij zijn ertoe in staat om als een spons alle energie weg te zuigen uit een zeer arme energiebron. Ze kunnen in feite dik worden van arm hooi en worden ook wel ‘easy keepers’ genoemd.

Dat is prachtig en komt enorm van pas als je verblijft in de Schotse Hooglanden, maar dat is toch wel een puntje dat aandacht verdient als je in Nederland woont en elke dag graast op een sappige groene weide.
Aan het andere uiterste staat de volbloed. Die jaagt de energie er doorheen, net als een straalmotor. Het Friese paard zit daar ergens middenin, met toch wel de neiging tot ‘easy keeper’. Dat wil zeggen dat het dieet van het Friese paard zeker niet gericht moet zijn op het laten draaien van een straalmotor, maar eer-der gematigd energetisch dient te zijn, met een rijkelijk aandeel ruwvoer zoals hooi.

Equine metabool syndroom

De hooikeuze wordt nog belangrijker als het paard te kampen heeft met bepaalde problemen, zoals EMS (equine metabool syndroom) of spierproblemen. Paarden met EMS zijn gevoelig voor het verzamelen van vet in specifieke gebieden van het lichaam (meestal de nek, staartaanzet, schouder en liesstreek) of zijn gewoon algemeen zwaarlijvig. Vooral rassen die behoren tot of die genetisch materiaal in zich dragen van ‘easy keepers’ komen hiervoor in aanmerking. Helaas is het zo, dat net zoals zwaarlijvigheid bij de mensen een echte epidemie lijkt te worden, we dat ook met toenemende mate zien optreden bij paarden, honden en katten.

Tot een tiental jaren geleden dacht men dat al dat vet gewoon een inerte energiereserve was, die daar als een dikke speklaag werkloos lag te wezen. Nu weet men wel beter. Onderzoek heeft aangetoond dat over-matig vetweefsel een massa hormonen produceert en stoffen die ontstekingen uitlokken overal in het lichaam.

Minder onschuldig

Overgewicht is dus veel minder onschuldig dan het vroeger leek en de wetenschap dat het overmatige vet-weefsel massa’s stoffen produceert die het hele lichaam beïnvloeden, is meteen de verklaring waarom zwaarlijvige mensen grotere kans hebben op diabetes type 2, aderverkalking, kanker, vroegtijdige sterfte, etc. Ook bij paarden neemt de kennis over de gevolgen van zwaarlijvigheid toe, ofschoon dit nog in de kinderschoenen staat.

Paarden met EMS zijn zeer gevoelig voor het ontwikkelen van onder andere hoefbevangenheid. In ieder geval is het zo dat paarden met EMS enkel baat hebben bij vezelrijk hooi, arm aan suikers en eiwitten. Eigenlijk is het essentieel om bij deze paarden met een hooianalyse te werken en zelfs het hooi te wegen. Je kan tegenwoordig overal een weeglus kopen waaraan je je vliegtuigbagage kan hangen om te wegen. Deze kan je vlot gebruiken om hooi te wegen.

Paarden met EMS volstaan met 1.5% van hun lichaamsgewicht aan hooi iedere dag. Het hooi kan het beste in een slow feeder aangeboden worden, zodat de opname verspreid over de dag gebeurt. Er kan voor gekozen worden om vitamine en mineralen korrels (balancer) bij te voederen. Krachtvoer is voor deze paarden af te raden. Eerdere studies hebben aangetoond dat het weken van hooi in water een hulpmiddel is om de suikers uit het hooi te wassen. Echter, recente studies hebben aangetoond dat hiermee voorzichtig moet worden omgesprongen en dat het weken geen garantie biedt voor het uitspoelen van de suikers. De effectiviteit van het water weken verschilt sterk tussen hooi ladingen.

Spierproblemen

Net als paarden met EMS, zijn paarden met spierproblemen gevoelig voor hoog energetisch hooi, rijk aan suikers en eiwitten. Niet zelden is er een genetische achtergrond. Deze paarden hebben een defect in de verdeling en de verwerking van koolhydraten en accumuleren polysachariden in de spier, waardoor ze gevoelig zijn voor ontwikkeling van spierproblemen. Bij de aanzet van arbeid wordt onder andere veel melk-zuur geproduceerd met alle gevolgen van dien. Een dergelijk type paard heeft baat bij een vetrijk (13% vet) en zetmeel arm dieet (minder dan 10%) in combinatie met vezelrijk arm hooi.

Ook bij deze paarden kan het weken van hooi in water nuttig zijn. Verder is beweging en geleidelijke op-bouw van training van groot belang voor deze paarden. Vooral in deze periode van het jaar kunnen problemen ontstaan bij dergelijk type paarden, als zij bijvoorbeeld heel het jaar door dezelfde krachtvoer mengeling krijgen, maar nu plots een rijke snede hooi krijgen voorgeschoteld, met erbovenop weidegang. Omgekeerd kan alleen een hooidieet met het rijkere hooi in combinatie met maïsolie ook een veilige op-lossing zijn voor deze paarden. Hooianalyse is wederom aan te raden.

hooi voeding
© DigiShots

Tot slot

Als je hooi kiest voor je paard, besteed dan duidelijk aandacht aan de kwaliteit van het hooi, mits het hooi het hoofdbestanddeel van het dieet van het paard is. Beschimmeld hooi is uit den boze. Bovendien is zicht hebben op de energetische waarde van het hooi zeer belangrijk. Bij aankoop van grote ladingen of hooi voor probleempaarden is een hooianalyse echt aan te raden.

Tot slot is het belangrijk te beseffen dat kruidig hooi niet altijd kwaliteitsvol hooi is. Het is zeer belangrijk daarin een betrouwbare leverancier te hebben en zeker te zijn dat er geen toxische planten in het hooi zit-ten zoals Sint-Jacobs Kruiskruid, kattestaart, digitalis of wolfsmelk. Bij twijfel is het verstandig de blad-vorm van het gedroogde materiaal te vergelijken met beelden die te vinden zijn op internet, dat kan een handig hulpmiddel zijn.

Tekst: Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten paard. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega. Prof. Delesalle is verbonden aan de Universiteit Gent en de Universiteit Utrecht. Haar onderzoeksgroep focust zich op inspanningsfysiologie.

Beeld: DigiShots

 

 

0 2392
voeding rantsoen paard
© DigiShots

Controleer elke 4-6 maanden het rantsoen voor een sportpaard. Een passend rantsoen voorkomt onvoldoende spieropbouw of prestatieproblemen, zoals spierbevangenheid of slecht herstel na prestatie bij sportpaarden.

Voeding en training gaan hand in hand om uiteindelijk tot een optimale prestatie te komen. Het paard komt er niet zonder het juiste rantsoen, maar ook niet zonder de juiste training. Aan alle voorwaarden moeten voldaan zijn om het paard in uithoudingsvermogen te verbeteren en meer kracht en spiermassa te laten krijgen.

Deze voorwaarden zijn onder andere training, maar ook stalmanagement, harnachement (zadel) en rijtechniek vallen hieronder. De voorwaarden wat voeding betreft is deels gelijk voor alle sportpaarden, maar deels ook verschillend, afhankelijk van de discipline. Net zoals je traint voor een bepaalde prestatie, moet je ook voeren voor een bepaalde prestatie.

Puzzel

Valt de ontwikkeling van het paard of de prestaties tegen, dan kan het een hele puzzel zijn om de oorzaak te achterhalen. Daarom is het goed om tijdens de trainingsfase alle voorwaarden telkens weer tegen het licht te houden en te controleren. Klopt het nog wat we doen?

Zo is het verstandig het rantsoen minimaal twee keer per jaar te laten doorrekenen. Door verandering van training en verandering van (ruw)voer kan het zijn dat paard en rantsoen niet meer voldoende op elkaar zijn afgestemd. Bloedonderzoek geeft onvoldoende resultaten om de voedingsstatus te kunnen beoordelen. Wacht niet tot het paard spierproblemen krijgt of vermindering van de conditie. Herstel heeft tijd nodig en vaak had dat voorkomen kunnen worden.

Periodieke monitor

Wat heeft een sportpaard nodig aan voedingsstoffen en hoe weet je of je voldoende voert? Een rantsoenberekening kan in kaart brengen of het rantsoen voldoet aan de behoefte. Maar het is wel een moment opname. Tijdens de trainingsperiode kijk je naar je paard en voel je naar de soepelheid, beweging en kracht. Een instructeur kijkt en beoordeelt mee.

Een stapje verder is de hartslagmeter die gebruikt kan worden om de trainingseffectiviteit te optimaliseren. Uiteindelijk is het oordeel of de training effect heeft afhankelijk van de verwachtingen die je hebt en de resultaten die je boekt. Het is fijn om zekerheid te hebben omtrent de voorziening van voedingsstoffen om dit als factor uit te sluiten indien prestaties of verbeteringen tegenvallen. En omdat een licht tekort aan voedingsstoffen niet leiden tot specifiek herkenbare afwijkingen, maar pas op langere termijn zowel prestatie, weerstand als herstel beïnvloeden, kan je niet anders dan het rantsoen vooraf en tijdens de trainingsperiode te monitoren en bij te stellen. Proactief dus.

Kwaliteit van ruwvoer

Ruwvoer is meestal de zwakke schakel in het totale rantsoen. Vreemd eigenlijk, want het is wel het belangrijkste onderdeel van het rantsoen. Weinig stalhouders van sportpaarden laten het ruwvoer onderzoeken en stemmen daar het aanvullende rantsoen op af. Terwijl dat een hele mooie manier is om grip op de voeding te krijgen.

Elke partij ruwvoer kan sterk variëren in de hoeveelheid en verteerbaarheid van vezels, in het eiwitgehalte, de zuurtegraad (bij kuilvoer) en in het suikergehalte. Vezels leveren energie die het paard voor de prestatie gebruikt. Het aandeel en de verteerbaarheid van de vezels beïnvloeden de darmflora en de energieproductie door micro-organismen. Het kan zelfs de hoeveelheid glucose productie in de lever verbeteren.

Vezels uit ruwvoer

Glucose is een snel bruikbare energiebron. Die dus niet alleen via krachtvoer in het paard komt, maar ook via de vezels uit ruwvoer. Vandaar dat ruwvoer voor alle typen paardensport een factor is die serieus genomen moet worden om de prestatie én de gezondheid te verbeteren.

Nogmaals, als je weet wat je aan ruwvoer voert, kan het aanvullende voer daarop afgestemd worden. Zelfs om de efficiëntie van het ruwvoer nog te verbeteren. Een win-win situatie. Voor sportpaarden geldt dat een gemiddelde kwaliteit ruwvoer als optimaal beschouwd kan worden. Beter dan arme kwaliteit en ook beter dan een rijke kwaliteit. Met een arme kwaliteit moet het krachtvoer teveel aanvullen en krijgt een te groot aandeel in het rantsoen. En met een rijke kwaliteit kan het paard makkelijker teveel energie opnemen en te dik worden. Dat leidt vaak tot een vermindering van de hoeveelheid ruwvoer met als gevolg dat de vezelhoeveelheid te laag wordt voor een gezonde darmwerking en welzijn.

Energie- en eiwitbalans

Het klinkt als een open deur, maar het paard moet voldoende energie en eiwit opnemen voor wat hij nodig heeft. Sportpaarden zijn er in vele soorten en maten. Dressuur- en springpaarden, eventers, endurancepaarden, polopaarden, menpaarden, maar ook westernsportpaarden, renpaarden en dravers. En zo zijn er nog wel een paar te noemen. Per discipline kan het niveau variëren van licht tot zeer zwaar. Behalve dit heb je ook nog te maken met de getraindheid van het paard. Voor een jong, groen paard is het lichte werk al zwaar te noemen en voor een routinier in de topsport zijn sommige oefeningen ‘opwarmertjes’.

Een disbalans in de energie- en eiwitvoorziening is niet direct zichtbaar of merkbaar. Pas na verloop van tijd gaat de body condition score (‘voedingsbalans’) veranderen, heeft het paard minder looplust of is de bespiering verminderd. Het kritisch beoordelen van de body condition score moet vast onderdeel zijn in het monitoren van een paard in training. Elke 4 tot 6 weken beoordeel je het paard door te kijken en te voelen. Hoe is het met de vetbedekking onder de huid en met de bespiering?

Noteer wat je ziet en voelt en vergelijk het met de afgelopen periode. Weeg het paard, als de gelegenheid daarvoor is, want een verandering in gewicht kan ook een signaal zijn, die je misschien nog niet direct ziet. Door deze controles krijg je beter inzicht in de werkelijke energie- en eiwitbehoefte van het paard. Want naast het controleren van de BCS houdt je de voeropname bij. Wat en hoeveel eet het paard? De behoefte is op basis van gewicht en prestatieniveau te schatten, maar kent uiteraard een redelijk grote individuele variatie.

Energiebronnen

De verschillende paardensportdisciplines vragen een andere prestatie van het paard. De training is gericht op deze prestatie, en op de verbetering van de algehele fitheid. Een fit paard met een goede basis uithoudingsvermogen presteert beter en blijft gezond. Een verbetering van het uithoudingsvermogen betekent dat het paard meer kan doen op het verbranden (energie maken) van glucose en/of vetzuren met behulp van zuurstof (aeroob) zonder te hoeven over te schakelen op het verbranden van glucose zonder zuurstof (anaeroob).

Dat laatste is namelijk maar beperkt mogelijk en leidt tot de productie van melkzuur en ophoping van melkzuur in de spieren. Het verbranden van vetzuren is relatief traag, maar levert wel veel energie. Voor veel disciplines is dit een uitstekende brandstof. Moet het paard snel en krachtig werk doen, dan heeft het glucose als energiebron nodig. Maar omdat de voorraad glucose relatief beperkt is, is het beter dit pas aan te spreken als het echt nodig is.

Vetvoorraden

Vetzuren zijn volop beschikbaar uit de vetvoorraden en rechtstreeks uit de opname van vetzuren uit de dikke darm. Glucose is beschikbaar direct uit het bloed, uit de glycogeenvoorraad in de spieren en de lever en indirect door omzetting van bepaalde vetzuren uit de dikke darm.

De energiebronnen in het rantsoen zijn vezels, vetten en zetmeel en suikers. Met een passende kwaliteit ruwvoer kan een paard voor licht tot soms gemiddeld werk al voldoende energie binnenkrijgen. Is meer energie nodig dan kan een aanvulling met vetten of zetmeel en suikers nodig zijn. Krachtvoer is traditioneel gemaakt van granen en graanproducten, wat betekent dat de energiebron vooral bestaat uit zetmeel en suikers. Plantaardige olie kan daaraan worden toegevoegd. Het lezen van het voerlabel helpt je om te ontdekken welke energiebronnen het voer bevat.

Voerlabel

Op het voerlabel staat altijd het volgende: ruw vet, ruwe celstof, ruw eiwit en ruwe as en soms het aandeel overige koolhydraten, wat niet gelijk staat aan zetmeel en suikers.

Voor sportpaarden kan de soort energie in het voer van belang zijn voor de prestatie. Snelle sporten zoals racepaarden of dravers en polopaarden hebben baat bij een hoog aandeel zetmeel en suikers (± 400 g/kg) en langdurige minder snelle sporten, zoals endurance hebben baat bij een hoger vetgehalte (90-110 g/kg). Een flink aantal disciplines kunnen een combinatie gebruiken, deels Z&S en deels vet (250-350 g Z&S/kg, 60-80 g RV/kg). Werkt je paard nog niet op een hoog niveau (5-6 dagen per week zware training en regelmatig wedstrijden), dan kan een gemiddeld krachtvoer prima voldoen. Tussen de voerfabrikanten is er verschil in gehalten tussen basisbrok en sportbrok. Er zijn geen richtlijnen waar aan voldaan moet worden om een voer ‘sportpaardenvoer’ te noemen. En dus zie je in de praktijk voersoorten met een energie en eiwitgehalte die soms basisvoer heten en soms sportvoer. Let niet alleen op de naam van het voer, maar verdiep je even verder in het voerlabel.

Tabel 1: Gemiddelde gehalten in krachvoer voor paarden, verplicht op voerlabel

Weende analyse gemiddeld krachtvoer meest voorkomende variaties
Ruwe celstof, g/kg 95 55-150
Ruw eiwit, g/kg 110 95-140
Ruw vet, g/kg 36 24-55
Ruwe as, g/kg 75 60-100

 

Tabel 2: gemiddelde gehalten in krachtvoer voor paarden, niet verplicht op voerlabel

gemiddeld krachtvoer meest voorkomende variaties
EWpa, per kg 0,87 0,75-0,95
VREp, g/kg 90 75-105
Z&S, g/kg 340 250-420

Tegenvallende bespiering

Nog even naar het eiwit. Voor een goede spierontwikkeling is het onontbeerlijk dat paarden voldoende eiwit krijgen, maar ook voldoende essentiële aminozuren. Vooral dat laatste is niet altijd vanzelfsprekend. Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwit. Ontbreekt er een bepaald type, dan gaat de bouw niet verder. Niet alle aminozuren komen gelijk verdeeld in alle voedermiddelen voor. Sommige meer dan andere. Juist de schaarse aminozuren noemt men de essentiële aminozuren.

Voor het paard zijn dat met name lysine, threonine en methionine. Deze specifieke aminozuren komen relatief beperkt voor in gras, hooi en granen. Geef je veel eiwit, bijvoorbeeld weidegang, dan is er geen sprake van een beperking in de voorziening van aminozuren. Maar is de totale eiwit niet erg hoog, maar bijvoorbeeld net voldoende, dan komt het er wel op aan wat de oorsprong is van het eiwit. Ruwvoer is tegenwoordig steeds vaker beperkt in eiwit. Het is net voldoende, maar voor het sportpaard ontbreekt het aan voldoende essentiële aminozuren.

Omdat brok vooral is gemaakt van granen die ook niet zeer rijk zijn aan deze soorten aminozuren, levert dat niet voldoende aanvulling. Tenzij de eiwitkwaliteit in het krachtvoer is verbeterd door gebruik te maken van een andere eiwitbron, zoals soja of losse aminozuren. Op het label vindt je dit terug in de ingrediënten lijst (tabel 3). Let op: sojaolie en sojaschillen zijn geen eiwithoudende ingrediënten.

Tabel 3: Ingrediëntenlijst van 2 sportpaardenvoersoorten

Sportvoer 1 Sportvoer 2
Tarwegries Gerst
Gepofte tarwe Tarwe
Luzerne Tarwegries
Haver Haver
Gepofte gerst Mais
Sojaschillen Luzerne
Sojaolie Lijnzaad
Tarwe Sojaschillen
Rietmelasse Havergries
Gepofte mais Sojaolie
Getoaste sojabonen Rietmelasse
Geextrudeerd lijnzaad
Plantaardige olie

Voedingstoffen

De behoefte aan mineralen en spoorelementen stijgt iets door training (zie tabel 4). Zoals je ziet de een meer dan de ander. Omdat een rantsoen van ruwvoer en krachtvoer veel voedingsstoffen bevat, is het niet per se noodzakelijk bij zwaarder werk met supplementen extra veel mineralen en spoorelementen toe te voegen. Zeker als het sportpaard 3 of 4 kilogram krachtvoer krijgt, zijn de meeste behoeften wel gedekt. Je kan je dan afvragen of meer voedingstoffen geven wel een voordeel biedt.

Veel paarden krijgen extra supplementen onder het mom ‘baadt het niet dan schaadt het niet’, toch is dat te betwijfelen. Afgezien van het feit dat een vergiftiging niet snel aan de orde is, moet het overschot aan voedingsstoffen wel ‘verwerkt’ worden in het lichaam; opgenomen, omgezet en uitgescheiden. Dit geldt ook voor magnesium. Vaak wordt overbodig extra magnesium aan het rantsoen toegevoegd.

Tabel 4: Behoefte aan enkele mineralen en vitaminen per 100 kilogram lichaamsgewicht per dag

Ca, g P, g Mg, g Na, g Cu, mg Fe, mg Zn, mg Se, mg Vit A, IE Vit E, IE
Rust 5,2 3,7 1,9 2,6 23 104 104 0,3 3000 100
Licht werk 5,4 3,8 2,1 6,0 23 104 104 0,3 4500 200
Matig werk 5,7 3,8 2,2 9,3 26 117 117 0,3 4500 200
Zwaar werk 6,3 3,9 2,5 18,3 29 130 130 0,3 4500 300
Zeer zwaar werk 6,8 3,9 2,8 25,0 29 130 130 0,3 4500 400

Gebrek aan zout

Ook al zweet het paard veel, de beperkte uitscheiding van magnesium wordt nog steeds gecompenseerd door de hoeveelheid in het rantsoen (grafiek 1). Het enige mineraal wat een paard dan echt tekort komt is natrium of eigenlijk natriumchloride, zout dus. Een gebrek aan zout kan verminderde prestaties en spierbevangenheid tot gevolg hebben. Een liksteen doet wel wat, maar bij veel zweetverlies en een zwaar trainings- of wedstrijdprogramma is zelf aanvullen beter.

Tenslotte is vitamine E een essentiële voedingsstof waar een sportpaard in de hogere klassen meer van nodig heeft en die een rantsoen van hooi en krachtvoer niet automatisch voldoende bevat. Het krachtvoer voor paarden die internationale wedstrijden op hoog niveau lopen en ongeveer 4 kilogram krachtvoer krijgen, moet dan zeker minimaal 400-500 IE vitamine E per kilogram bevatten. Let op dat op het label vaak vitamine E in milligrammen wordt weergegeven en dit niet altijd gelijk is aan de actieve vorm die wordt weergegeven in de internationale eenheid, IE.

Grafiek 1: Het rantsoen voldoet aan de energie- en eiwitbehoefte en aan de behoefte van calcium, fosfor en magnesium. Maar niet aan de natriumbehoefte.

grafiek rantsoen paard voeding

Paarden met spierproblemen

Veel sportpaarden kampen weleens met spierstijfheid. Vaak een gevolg van een (te) zware training of wedstrijd of onvoldoende cooling down. Met rustig herstelwerk verbetert dit vanzelf. Heeft het paard onvoldoende bespiering of heeft het paard te vaak dit soort spierstijfheidsklachten, dan is een goede rantsoenbeoordeling op zijn plaats, naast een objectieve trainingsbeoordeling (train je niet verkeerd of te hard of past het zadel niet?).

Sommige paarden zijn van zichzelf vrij heet en temperamentvol wat leidt tot te veel spierspanning met spierstijfheid tot gevolg. De rantsoen beoordeling maakt inzichtelijk of het paard alle noodzakelijke voedingsstoffen krijgt. Eiwit is nogal eens van een te matige kwaliteit of een te laag gehalte wat een goede spieropbouw belemmert. Maar ook het tekort aan zout en vitamine E kan de oorzaak zijn. Voor de te hete paarden geeft een rantsoen met een relatief laag zetmeel en suikergehalte en verhoogd aandeel vetten veelal een vermindering van de stress en daarmee ook vermindering van de spierspanning en spierstijfheid.

Balans

Het aandeel makkelijk verteerbare koolhydraten is dan nog steeds voldoende om een goede prestatie neer te zetten. De samenstelling van dit rantsoen komt wel nauw. Het is niet juist om krachtvoer te verminderen en plantaardige olie toe te voegen. Dan haal je het rantsoen uit balans, wat betreft eiwit en mineralen en vitaminen. Bonpard Muscle kan uitkomst bieden. Het bevat een correcte verhouding tussen Z&S en vetten plus voldoende voedingsstoffen (behalve zout).

Voor paarden met ‘echte’ spierbevangenheid is een goede analyse nodig om de oorzaak te achterhalen. En vooral om fouten in het rantsoen te corrigeren. Bij spierbevangenheid breekt het paard zijn eigen spieren af om als energiebron te gebruiken. Het kan komen door fouten en tekorten in het rantsoen, maar ook door genetische ‘fouten’. Dan blijft het paard, ondanks een optimaal rantsoen, terugkerende spierbevangenheid krijgen. Dit uit zich in plotseling ernstig zweten en niet verder willen met de training en soms ook in bruinverkleuring van de urine.

Paarden mogen dan absoluut niet verder lopen, want elke stap betekent spierafbraak. Behandeling van de dierenarts is noodzakelijk en het herstel kan weken tot maanden duren. Een aanpassing in het rantsoen is vaak de enige optie om het paard in training te kunnen houden. Veelal komt dat neer op een zeer sterke reductie van de makkelijk verteerbare koolhydraten en een flinke toename van het aandeel vet (en vezels) in het rantsoen. Dit vraagt om een apart dieetvoer dat voldoet aan deze specifieke eisen (er is ook meer vitamine E nodig bijvoorbeeld).

Aanvullend dieetvoer

Bonpard Muscle is een aanvullend dieetvoer voor paarden met spierbevangenheid. Voor een paard van 500 kg dat een gemiddelde training krijgt, bestaat het totale rantsoen dan uit 7 kg ruwvoer, 2,5 kg Bonpard Muscle en 130 ml plantaardige olie. Het rantsoen levert 14-17% energie uit Z&S en 20-22 % uit vetten. Dit voldoet aan de richtlijnen voor de meeste paarden met spierbevangenheid (10-15% energie uit Z&S en 15-20% energie uit vetten).

Sommige paarden zijn heel erg gevoelig voor zetmeel en suiker en hebben een rantsoen nodig van voornamelijk suiker arm ruwvoer (analyse) plus Bonpard Forage eventueel aangevuld met plantaardige olie. Als het een sportpaard betreft moet een speciale samenstelling geformuleerd worden om aan alle voereisen te voldoen (zoals eiwitkwaliteit).

Hiervoor kan je terecht bij dr. Anneke Hallebeek, specialist veterinaire diervoeding en auteur van dit artikel.

Foto’s: DigiShots

Mok
Mok

Veterinair bekeken begint mok meestal onschuldig. Zodra je het constateert is het echter zaak maatregelen te nemen. Want (verwaarloosde) mok is bijzonder hardnekkig, leidt altijd tot een dik been en is zo pijnlijk voor het paard dat het er kreupel op kan lopen. En daarmee is mok een vervelende kwaal die beter voorkomen dan genezen kan worden.

Wat is mok?

Mok is een ander woord voor kootholte-eczeem. De aandoening komt het meest voor in de kootholten maar kan zich ook rondom de hoef openbaren of hoger op het paardenbeen. Symptomen zijn jeuk en korstjes die mogelijk toegang tot secundaire infecties bieden. Zo kan een paard door mok uiteindelijk een dik been krijgen en kan het kreupel gaan lopen.

Waardoor ontstaat mok?

Mok is een eczeem dat veroorzaakt wordt door een verweekte huid. Paarden die in de wei of paddock buiten komen  kunnen er last van krijgen, als de wei of paddock te nat is. Paarden die eenmaal mok hebben, zijn enorm gevoelig voor natheid aan de benen. Bij zulke paarden is het noodzaak geen natte weide of drassige ondergronden meer te betreden. Of in ieder geval direct nadat het paard natte benen heeft gekregen, de benen zoveel mogelijk schoon en droog te maken. Een onderschat gevaar op mok is die voor paarden die dag en nacht buiten lopen in de wei. Ook al is de wei niet drassig, bij vochtiger weer ontstaat ochtenddauw, en dat kan ook -bij paarden die er gevoelig voor zijn- mok veroorzaken.

Is er een verband tussen voeding en mok?

Sommige paardenrassen zijn gevoeliger voor mok dan andere. Die gevoeligheid heeft niet altijd met het zware behang of het onderhoud van de paardenbenen te maken maar ook met voeding. Dierenartsen nemen aan dat de meest sobere paardenrassen, het Friese paard en de IJslander, de eiwitten in met name hardvoer moeilijker kunnen verwerken. Dat kan zich onder andere in eczemen uiten. Het loont de moeite om bij constatering van mok ook het eiwitrijke dieet van het paard onder de loep te nemen.

Hoe behandel je mok?

Mok ontstaat door een verweekte huid. Huid die niet de kans krijgt te drogen, bijvoorbeeld door zwaar behang is zeer kwetsbaar. Bij mok moet de aandacht op de huid van de benen worden gericht. De basis van de verzorging ligt in preventie. Ontstaat er mok dan is het raadzaam de benen met ontstekingsremmende shampoo te wassen. Daarna moet het been intensief gedroogd worden. Vervolgens is het zaak het been droog te houden. Bij beginnende secundaire huidinfecties zal de dierenarts ontstekingsremmende of -bestrijdende zalf voorschrijven.

Bron: 100 antwoorden op …/ Hoefslag

paard al

Maagzweren komen vaak voor, dat blijkt al uit eerder onderzoek. Tot 50% van de veulens kampt al met maagzweren en bij de volwassenen is dit 60 tot 90 %, afhankelijk van leeftijd, prestaties en de onderzochte populatie.  Ook in het wild blijken paarden maagzweren te ontwikkelen. Maagzweren zijn onder te verdelen in twee soorten, zij komen voor in de verschillende delen van de maag.

Drie onderzoekers die meerdere onderzoeken naar maagzweren hebben vergeleken en geanalyseerd hebben een aantal adviespunten samengebundeld die het ontstaan van maagzweren kan verminderen.

Paardenmaag

Een paardenmaag bestaat twee delen, een derde van de maag heeft dezelfde bekleding als de slokdarm, een oppervlakkige cellaag. Het bezit geen klieren waarin zuren aangemaakt worden. De onderkant, twee derde van de maag, dat wel zuren aanmaakt. Dit is een volcontinu proces en gebeurt de hele dag door, ook als er geen voedsel in de maag aanwezig is.

Zweren die ontstaan in het bovenste gedeelte van de maag, of aan de onderkant van de slokdarm worden waarschijnlijk veroorzaak door een verstoring in de celslijmlaag. Zweren kunnen ook op in het onderste gedeelte van de maag ontstaan. Ongeacht waar de maagzweer zich bevindt is, volgens de onderzoekers, altijd eerst medicatie nodig om de zuurproductie van de maag te verlagen.

Aanpassing in voeding

Om de maagzweer verder te doen genezen en verdere zweren te voorkomen is een aanpassing van voeding en stalmanagement nodig. Uit onderzoek blijkt al dat de manier van voeden een duidelijke rol speelt bij het ontstaan van maagzweren in het bovenste gedeelte van de maag, echter naar het ontstaan van maagzweren in het onderste gedeelte is nog meer onderzoek nodig.

Huidige onderzoeken tonen aan dat paarden met maagzweren veel ruwvoer nodig hebben en weinig suikers. De voeding behoort dag en nacht aanwezig te zijn, op deze manier wordt de kans op maagzweren in het bovenste gedeelte verminderd. Op dit moment, ondanks dat meer onderzoek nodig is, wordt hetzelfde advies gegeven voor paarden met maagzweren in het onderste gedeelte van de maag.

Medische behandeling

Als maagzweren gediagnosticeerd worden horen zij zo snel mogelijk medisch behandeld te worden, zeker in het beginstadia. Zij horen behandeld te worden met medicatie dat specifiek maagzweren bestrijdt, maar daarnaast ook op therapeutische basis met een niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddel (NSAID). Daarnaast is een permanente aanpassing nodig in het voedings- en stalmanagement.

Het trio wijst er op dat er op de markt meerdere voedingssupplementen zijn die zouden helpen. Echter zijn veel van deze producten nooit getest op paarden. In bepaalde delen van de wereld is dit voor de verkoop van het product niet nodig, waardoor studies niet vaak worden uitgevoerd. Als zij wel zijn uitgevoerd is dit vaak specifiek onder gecontroleerde omstandigheden, waardoor de werking zich meestal beperkt tot één oorzaak, terwijl er vaak meerdere oorzaken zijn voor het ontstaan van maagzweren. De risicofactoren zijn volgens de onderzoekers onder meer intensiteit van trainingen, stress en voedingsgewoonten. Vaak is het een combinatie dat tot ontstaan van zweren leidt.

Ruwvoer

Voor paarden in het algemeen geldt dat zij veel ruwvoer nodig hebben en veel van hen hebben eigenlijk ook geen aanvullende brok nodig, mogelijk alleen een aanvulling op het gebied van vitaminen en mineralen. Als men toch brok wil geven dient dit bij voorkeur verdeeld te worden in kleine porties. De onderzoekers adviseren dat niet-ruwvoervoeding verdeeld wordt over 3 tot 4 porties per dag. Langdurige periodes zonder voedsel waardoor de maag leeg raakt dient ten alle tijden vermeden te worden.

Geen stro, wel luzerne

Stro is geen goede vervanging of  aanvulling op hooi. Met uitzondering bij ezels blijkt dat stro een verhoogd risico op zweren geeft. Luzernehooi heeft wel een bewezen positief effect op zweren. Het zorgt voor een laagje in de maag waardoor het risico verkleind wordt.

Daarnaast horen paarden in de paddock of weide te staan wanneer mogelijk en dienen zij onbeperkt toegang te hebben tot schoon drinkwater. Bij paarden die enkel op een paddock/weide staan kunnen ook last van maagzweren hebben, zeker als zij veel extra zetmeel of suiker krijgen. Stress dient zoveel mogelijk vermeden te worden.

Meer weten over de symptomen van maagzweren? Lees dan onderstaand artikel nog eens door

Maagzweren

Bron: Horsetalk / Hoefslag

Foto: Remco Veurink

Error, group does not exist! Check your syntax! (ID: 18)

Volg ons!

102,691FansLike
0VolgersVolg
0VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer