Tags Posts tagged with "ruwvoer"

ruwvoer

0 2656

Je traint je paard bewust en bouwt hem netjes op. Dat zie je terug in zijn spieropbouw. Soms wil dat laatste echter niet helemaal lukken. Je paard blijft kaal en is niet mooi gespierd. Dan is de vraag wat is er aan de hand? Hoefslag duikt in deze materie over spiermassa. Voeding kan een verschil maken.

Eiwit

Eiwit is de belangrijkste bouwstof voor de spieren en is noodzakelijk voor spierherstel. Eiwit bestaat uit aan elkaar gekoppelde aminozuren, waarvan er enkele door het lichaam zelf kunnen worden aangemaakt.  Enkele van die aminozuren zijn echter essentieel, wat betekent dat een paard deze uit de voeding moet halen. Is de voeding eiwitarm en voorziet het niet in essentiële aminozuren, dan is spieropbouw lastig en kan zelfs spierafbraak optreden.

Voldoende ruw eiwit in het rantsoen

Voor onderhoud heeft een paard overigens niet veel eiwit nodig; goede kwaliteit ruwvoer en een beetje krachtvoer zijn vaak voldoende. Tijdens training worden spiervezels afgebroken, welke na de training weer opnieuw, en sterker, worden opgebouwd.  Tegenwoordig zijn zowel kracht- als ruwvoeders vaak eiwitarm. Kies daarom liever voor een specifiek sportproduct met extra eiwit.

Essentiële aminozuren

Zoals gezegd moet de voeding voorzien in de essentiële aminozuren. Voor een paard zijn dat lysine, methionine, leucine, isoleucine, fenylalanine, threonine, tryptofaan, histidine en valine. Van krachtvoer is meestal minimaal het lysine- en methioninegehalte bekend. Speciale eiwit- of aminozuursupplementen bevatten echter een volledig uitgekiend aminozurenprofiel en kunnen helpen bij de spieropbouw.

Hoge biologische waarde


De waarde van het eiwit in de voeding, is afhankelijk van de verteerbaarheid en het aminozurenprofiel. Hoe meer essentiële aminozuren het eiwit bevat, hoe hoger de biologische waarde. Luzerne bevat ongeveer 18-20% ruw eiwit, waarvan  50-60% wordt verteerd. Voedermiddelen rijk aan eiwit met een hoge biologische waarde zijn o.a. soja en lijnzaad.

Reputatie

Eiwit heeft tientallen jaren geleden volledig onterecht een slechte reputatie gekregen: het zou de oorzaak zijn van o.a. hoefbevangenheid. Hierdoor zijn veel ruw- en krachtvoeders tegenwoordig eiwitarm. Eiwit is echter een essentieel onderdeel van de voeding en verdient de nodige aandacht: tekorten kunnen de prestaties en gezondheid behoorlijk in de weg staan.

Bron: Hoefslag

Foto: Stock

0 635
krachtvoer
Foto: Remco Veurink

Het maagdarmkanaal van een paard functioneert optimaal wanneer het langzaamaan ruwvoer verwerkt; dit houdt de maag gevuld, en helpt maagzweren voorkomen. Voor voldoende energie en voedingsstoffen, voeren we vaak ook krachtvoer, in een geconcentreerde vorm. Maar hoe vaak, en hoe veel krachtvoer moet er gevoerd worden voor een optimale gezondheid? Kentucky Equine Research zocht het uit.

Kleine porties

‘De hoeveelheid kracht die het paard nodig heeft om te groeien of te werken, is de belangrijkste factor om te bepalen hoe veel maaltijden een paard nodig heeft.’ vertelt voedingsdeskundige Catherine Whitehouse. ‘Ruwvoer moet vrijwel altijd beschikbaar zijn voor paarden, krachtvoer kan beter in kleine porties worden gevoerd. Over het algemeen is het verstandig niet meer dan 2,3 kilo te per keer te voeren aan volwassen paarden.’

Graan en zetmeel

‘De grootte van de maag en de snelheid van de spijsvertering bepalen dat het paard niet meer graan per maaltijd kan eten. De meeste paarden zouden graag meerdere, enorme maaltijden krachtvoer op een dag krijgen, maar het maagdarmkanaal kan niet meer voer tegelijk aan. Zetmeel is de belangrijkste energiebron in veel voer, het moet voldoende tijd in de dunne darm doorbrengen om goed te worden verteerd. Wordt het te snel door de dunne darm geduwd, kan het de energieproductie van het paard verstoren.’

Drie maaltijden

‘Wanneer je maximaal 2,3 kilo krachtvoer per dag aan een paard voert, kan dit veilig in één maaltijd worden aangeboden. De meeste concentraten zijn echter ontwikkeld om tussen de 3 en 6 kilo per dag te worden gevoerd, meerdere maaltijden per dag zijn dan nodig. Wanneer paarden meer dan 4,5 kilo per dag krijgen, is het verstandig om het in drie maaltijden aan te bieden. Verdeel deze maaltijden dan gelijkmatig over de dag.’

Bron: Kentucky Equine Research

Voor het veulen is het afspenen een enorm stressvolle periode, waarin er verschillende problemen kunnen optreden, die meer dan eens met de voeding en spijsvertering te maken hebben.

Steeds minder drinken

Al enkele maanden na de geboorte begint de merrie het veulen steeds minder vaak te laten drinken. Ondertussen heeft het veulen al geleerd om met de moeder mee te eten, hetzij brok, hooi en/of gras. Op  ongeveer vijf maanden leeftijd wordt een veulen vervolgens van de moeder gescheiden, het zogenaamde afspenen.  Waar moet je op letten zodra je je veulen afgespeend hebt?

Niet teveel zetmeel!

Dat een veulen op jonge leeftijd al brok leert eten, betekent niet dat de extra energie die nodig is in de speenperiode uit brok moet komen. Brok bevat veel zetmeel. Door stress kan bovendien het spijsverteringsstelsel extra snel werken, waardoor de kans bestaat dat zetmeel in de dikke darm terecht komt. Diarree en koliek kunnen daarvan het gevolg zijn.

Goede kwaliteit ruwvoer

Een veulen van 5 maanden oud groeit snel en heeft veel energie nodig. Vanwege het boven genoemde risico van grote hoeveelheden krachtvoer, moet die energie uit ruwvoer gehaald worden. Het onbeperkt voeren van goede kwaliteit kuilgras of hooi is daarom verstandig. Na een ruwvoeranalyse wordt duidelijk hoeveel van welke voedingsstoffen het ruwvoer bevat, waarop de krachtvoergift en een eventueel supplement kan worden afgestemd.

Gras, gezelschap en beweging

Voor een veulen is gezelschap en vrije beweging een absolute must. Zeker na het spenen moet een veulen worden omringd door soortgenoten, al dan niet van zijn eigen leeftijd, om het ontbreken van zijn moeder op te vangen. Gras van een goed onderhouden weiland vormt daarbij een waardevolle energiebron, die een veulen kan helpen gezond door de moeilijke speenperiode heen te komen.

Maagzweren

Onder invloed van stress lijden veel gespeende veulens aan maagzweren. Het is lastig dit volledig te voorkomen, tenzij de manier van spenen wordt aangepast en het veulen geleidelijk  van de moeder wordt gescheiden. Qua voeding kan het helpen om een beperkte hoeveelheid luzerne bij de voeren (matig vanwege de scheve calcium/fosfor-verhouding). Luzerne heeft de eigenschap de zuurgraad in de maag iets te verlagen.

Bron: Hippos, overname zonder bronvermelding én toestemming via webredactie@mediaprimair.nl niet toegestaan

Foto: Remco Veurink

Silje Bakken - Ek's Ment II Be FEI World Breeding Dressage Championships for Young Horses 2012 © DigiShots

Haar dressuurpaard Ment II Be bleef maar last houden van koliekaanvallen. De Noorse Eva Kindahl gooide het roer om en pakte zijn training en voer drastisch aan. Sinds het paard alleen maar goed ruwvoer krijgt, gaat het fantastisch en het duo maakt binnenkort de overstap naar de Grand Prix.

Ment II Be is nu elf jaar. Hij is het eerste fokproduct van Kindahl. Spannend was zijn geboorte zeker, want de merrie beviel maar liefst zeven weken te vroeg. En dus was moest de naam van het veulen heel speciaal zijn: Ment II Be.

WK Jonge dressuurpaarden

‘Mentos’, zoals ze haar lieveling noemt, groeide voorspoedig op en al snel werd zijn dressuuraanleg duidelijk. Beroepsamazone Silje Bakken presenteerde het paard twee jaar op rij op het WK voor Jonge Dressuurpaarden in Verden (foto).

Koliekaanvallen

Er volgden twee jaren waarin Silje Bakken het paard opleidde tot en met Lichte Tour. Maar in die periode kreeg Mentos steeds vaker last van koliek. Kindahl besloot haar paard naar huis te halen om hem continu in de gaten te kunnen houden.

‘Mentos was niet happy’

Omdat ze thuis alleen een buitenbak tot haar beschikking had, ging Mentos samen met de andere paarden naar buiten als zij in de wei of paddock liepen. Hij kreeg voornamelijk kuilvoer en weinig krachtvoer. In het voorjaar van 2016 moest ze toegeven dat het niet opschoot met haar paard. ‘Hij glansde niet, was niet happy.’

Veel beweging

Tegenwoordig is Ment II Be wél gezond en gelukkig. Hij neemt deel aan Lichte Tour-wedstrijden en blijft het goed doen. ‘Ik moest veel tijd in hem investeren. Hem veel beweging geven, zoals stappen aan de hand. Het was het helemaal waard!’

Gevoelige maag

Het paard kan vanwege zijn gevoelige maag niet eten wat een gezond paard tot zich neemt. ‘Hij eet alleen voordroogkuil van zeer goede kwaliteit, wel 25 tot 30 kilo per dag. Verder loopt hij zoveel mogelijk buiten, het liefst zonder deken, want daar houdt hij niet van.’

Beweging en 18 uur ruwvoer eten

Kindahl brengt tegenwoordig haar paard zelf uit. ‘Ik weet dat ik niet van hetzelfde kaliber ben als een Silje. Maar ik leer. Het meest gelukkig ben ik met het feit dat Mentos er weer bovenop is. We weten eigenlijk allemaal wel dat een paard zich – net als in de natuur – het beste voelt als hij zoveel mogelijk beweegt en zo’n 18 uur per dag kan eten. Voor Mentos is het in elk geval zijn redding geweest.’

Winnend Intermediaire I-Kür debuut september 2017

Hippson.se/Hoefslag

Foto: DigiShots

 

stal

Als je een paard hebt en verzorgt, spreek je regelmatig met andere paardeneigenaren en wissel je informatie uit. Over problemen met je paard, over training en voeding. We doen graag na wat anderen doen, zeker als die succes heeft. Vandaar dat voerfabrikanten graag topruiters sponsoren. Dit geeft een positieve uitstraling. Toch kunnen juist door deze ‘praktijken’ weleens fouten ontstaan, die soms tot klachten leiden.

Want ook al lijken de paarden veel op elkaar, ze hebben allemaal een eigen voerbehoefte. Daar komt bij dat het ruwvoer van de ene stal van heel andere kwaliteiten is dan van de andere stal en daarmee een hele andere aanvulling vergt. Voeding is een individuele aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat er een aantal basisregels zijn waar elk rantsoen aan moet voldoen om je paard gezond te houden.

Basisregels van paardenvoeding

Zorg dat je wat kennis krijgt over paardenvoeding en besluit wat jouw paard nodig heeft. Met een beetje zekerheid krijg je minder de neiging om telkens veranderingen in het rantsoen door te voeren. Kijk eens op het krachtvoer en de supplementen wat er in zit. Voer geen dingen die het paard niet nodig heeft. Het kan zijn dat je hulp nodig hebt om de puntjes op de i te zetten. Maar een aantal basisregels zijn zeker voor iedereen zelf in te vullen.

Basisregel 1: Voer voldoende ruwvoer

Elk paard heeft minimaal 1,25 kg droge stof ruwvoer per 100 kilogram lichaamsgewicht nodig. Natuurlijk mag dit meer zijn. Ruwvoer eten is goed voor het paard. Zolang het paard geen overgewicht krijgt, mag hij zoveel ruwvoer eten als hij wil. Als je krachtvoer wilt bijvoeren, let dan op of het paard niet te dik gaat worden als hij onbeperkt ruwvoer kan eten. Vandaar de maat voor de minimale hoeveelheid. Daar mag het rantsoen niet onder komen!

Onbeperkt ruwvoer, dus ook als je paard buiten in de schrale wei staat (Foto: Remco Veurink)

De ervaring leert dat deze minimale hoeveelheid lang niet op alle stallen gehaald wordt. De hoeveelheid ruwvoer is vaak gelijk voor elk paard, terwijl een paard van 1.75 m echt meer nodig heeft dan een paard van 1.60 m. Tussen deze paarden kan 100 kg gewichtsverschil zitten. Bij een schofthoogte van 1.60 m hoort meestal een gewicht van 550 kg en een minimale ruwvoerbehoefte van 6,9 kg droge stof, maar bij een schofthoogte van 1.75 m en een gewicht van 650 kg is ruim 8 kg droge stof hooi nodig.

Stel dat de paarden drie keer per dag twee plakken hooi krijgen en het gewicht van een plak varieert tussen de 1 en 2 kg, dan varieert de voergift tussen 6-10 kg per dag. Omgerekend naar droge stof (voor hooi 850 g/kg), komt dit neer op 5,1 – 8,5 kg . De gemiddelde voergift kan voor het kleinere paard net voldoende zijn, maar de grote krijgt waarschijnlijk altijd te weinig. Weeg geregeld wat je voert en geef elk paard een eigen portie. Schrijf dit op de staldeur.

Om deze basisregel te hanteren moet je kennis hebben van de body condition score van je paard (kan je wel of niet onbeperkt ruwvoer geven?), het gewenste gewicht (wat is de minimale hoeveelheid?) en het droge stofgehalte van het ruwvoer.

1. Body Condition Score van je paard

Body Condition Score
Illustratie: www.bonpard.com

Het totale rantsoen moet passen bij wat het paard nodig heeft. Op basis van berekeningen kan je een goede schatting maken van de energiebehoefte, maar het paard geeft uiteindelijk aan of je voldoende, teveel of te weinig energie voert. Heel veel eigenaren zijn onvoldoende op de hoogte wat de Body Condition Score van hun paard is. Wat tot gevolg heeft dat het rantsoen niet tijdig wordt aangepast.

Er zijn vijf gradaties in de Body Condition Score:
-2 (erg mager)
-1 (te mager
0 (prima!)
+1 (iets te dik)
+2 (veel te dik)

Je beoordeelt dit door naar je paard te kijken (vorm en verhoudingen) en te voelen (onderhuidse vetlaag). Kijk naar deze film voor uitleg:

Het lezen van het artikel ‘Body condition score (BCS) | Weet jij of je paard wel of niet te dik is?‘ is eveneens verhelderend. Om je dit meer eigen te maken moet je ervaring opdoen en verschillende paarden beoordelen. Wil je dit leren, organiseer een workshop van een voedingsdeskundige op je pensionstal!

2. Gewenste gewicht van je paard

Het gewenste gewicht kan je aan de hand van schofthoogte en ras schatten:

Tabel: Gewicht van paarden op basis van ras en schofthoogte

Ras Stokmaat Gewicht
minipaardje Tot 1.10 90-200
Shetlander 1.00-1.10 200-225
Welsh pony klein

Welsh pony middel

Welsh pony groot

Tot 1.22

1.22-1.37

1.45-1.52

200-275

275-350

400-500

New Forest 1.25-1.45 300-400
Connemara 1.25-1.48 300-450
IJslander 1.30-1.45 300-450
Fjord 1.35-1.48 400-500
Haflinger 1.35-1.55 450-600
Arabier 1.45-1.50 400-450
Tinker 1.45-1.60 500-800
Fries 1.50-1.63 500-700
Draver 1.50-1.65 500-600
KWPN 1.60-1.75 550-700
Belgisch trekpaard 1.55-1.70 700-1000

Een meetlint kan het huidige gewicht aangeven, maar als de Body Condition Score afwijkend is, gebruik je dit dan niet om de gewenste hoeveelheid ruwvoer te berekenen.

3. Droge stofgehalte van het ruwvoer

Ruwvoeders zijn variabel in droge stofgehalte. Zeker als het gaat om kuilvoer. De voederwaarde en ook de vezels kan je het best vergelijken en beoordelen op basis van het droge stofgehalte. Voor een berekening van de gewenste hoeveelheid droge stof ruwvoer is een schatting van het droge stofgehalte nodig. Hoe droog hooi ook lijkt, met een droge stofgehalte van 830-850 g per kilogram voer, bevat het nog altijd 150-170g water! Natter mag hooi niet zijn. Droging is namelijk de manier om het gras houdbaar te maken, te conserveren. Te vochtig hooi kan gaan broeien en schimmelen. Voordrogen en verzuren is ook een goede conserveringsmethode, dit is kuilvoer.

Kuilvoer (of ‘voordroog’) is in plastic verpakt en heeft meer variatie in droge stofgehalte dan hooi, namelijk van 600 tot 850g per kilogram voer. Zogenaamde ‘koeienkuil’ bevat nog minder droge stof (is dus natter!), maar dit is ongeschikt om aan paarden te voeren, vanwege het hoge energie- en eiwitgehalte en vanwege de zuurheid.

Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap

Het schatten van de droge stofgehalte van kuilvoer is best lastig. Zeker als je geen vergelijkingsmateriaal hebt. De droogte van hooi is wel duidelijk. Als het kuilvoer daarop lijkt en je meer ‘ingepakt hooi’ hebt, heb je te maken met waarschijnlijk 800-850g droge stof. Voelt het nét niet helemaal droog aan, oftewel had je dit spul niet zonder verpakking kunnen bewaren, dan gaat het richting 750g droge stof. Is het product echt niet helemaal droog dan zal het circa 700g droge stof bevatten. Plakt het aan elkaar vast, maar is het wel makkelijk los te krijgen (je kan er geen water uit knijpen), dan zal de droge stof meer naar de 600-650g gaan.

Kuilvoerwinning (Foto: Wikipedia.com)

Is het wel zo vochtig dat je er water uit kan knijpen, dan is de vraag of het geschikt is voor paarden. Ruikt het erg zuur, kijk dan uit of het niet te rijk is (veel blad en weinig stengels) en daarmee een te hoge voederwaarde heeft. Ook al hebben sommige paarden veel energie en eiwit nodig (topsport, merrie, groeiende paarden), dan nog is deze kwaliteit een risico voor verteringsklachten, zoals slappe mest en koliek. Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap. Het is stofvrij en kan een prima voer zijn, maar als het te zuur is, is het waarschijnlijk minder gezond (én te rijk). Omdat verzuring onderdeel is van de houdbaarheid, is een minder zure kuil minder houdbaar, tenzij het door droging voldoende is geconserveerd (!).
Dus als je kuilvoer gebruikt, is het allerbelangrijkste dat je elke dag de kwaliteit controleert!

Basisregel 2. Zorg voor een goede verdeling van het voer over de dag

Krijgt het paard altijd ruwvoer en blijft hij daarbij in een gezonde body condition score, dan voldoe je zeker aan deze regel. Maar veel paarden krijgen beperkt gevoerd (omdat ze anders te dik worden) en dan moet je even goed opletten of de voermomenten niet te lang uit elkaar liggen. Zeker als een paard veel op stal staat, kan verveling ertoe leiden dat hij stalondeugden ontwikkelt.

Kribbebijten of luchtzuigen

Verveling is misschien niet het goede woord. Het paard heeft een kauwbehoefte en als daar niet aan voldaan kan worden, raakt hij gefrustreerd. Uit frustratie kan hij gaan kribbebijten of luchtzuigen. Dit afwijkende gedrag heeft als eerste doel om te bijten en te kauwen om daarmee speeksel te maken. Het vervelende is dat dit gedrag uiteindelijk een stereotypie wordt. Het paard krijgt, door dit gedrag uit te voeren, een prettig gevoel (door endorfines) en gaat het keer op keer herhalen. Om er dan vanaf te komen is zeer moeilijk. En het gedrag zelf kan nadelige gevolgen hebben voor de vertering. Vaak zie je bij deze paarden terugkerende koliekklachten, maagweren en vermagering.

Kribbebijten
Kribbebijten (Foto: Marjolijn Munnich)

Voorkom dat paarden te lang met een lege maag staan. Geef frequent wat ruwvoer en de laatste (grote) portie voer je vrij laat in de avond. Als je dat doet, is het ook niet zo erg om de dag te beginnen met krachtvoer. Want het paard heeft net het ruwvoer op. Staat het paard erg lang zonder eten, dan begin je eerst met ruwvoer en geef je daarna krachtvoer. In een stro stal staan geeft wel wat ‘rek’ voor de periode zonder eten. Echter, veel stro eten kan leiden tot een verstoppingskoliek. Het is dus belangrijk om de juiste kwaliteit ruwvoer voor je paard te kiezen. Langstengelig grof ruwvoer bevat minder energie en eiwit, maar geeft wel meer kauwtijd. Uitstekend voer voor de meeste paarden. Daar kan je meer van geven dan van gemiddelde kwaliteit ruwvoer.

Basisregel 3. Geef niet meer dan 2 kg krachtvoer per maaltijd (pony 1 kg)

2 kg krachtvoer per maaltijd per paard is voldoende. Geef sowieso nooit méér krachtvoer dan ruwvoer!
Sportpaarden krijgen krachtvoer voor een prestatie in kracht of duur. Het krachtvoer levert energie in de vorm van zetmeel en suikers en wat vet. Krachtvoer verblijft langer in de maag dan ruwvoer. En aangezien de maag van het paard maar klein is, kan je beter niet te veel per keer geven. Soms krijgt een paard geleidelijk aan meer krachtvoer, omdat de conditiescore laag is en niet verbetert. Een grote hoeveelheid krachtvoer verteert minder goed en het zorgt er tevens voor dat het paard minder ruwvoer kan eten. Een averechts effect! Het ruwvoer moet altijd het grootste deel uitmaken van de totale voer- en energieopname.

Basisregel 4. Geef alle noodzakelijke voedingsstoffen

Een compleet rantsoen voorziet in voldoende vezels, maar voor een goede gezondheid ook in alle overige noodzakelijke voedingsstoffen. Elk paard heeft behoefte aan eiwitten en een hele reeks vitaminen en mineralen. Daarnaast zijn nog essentiële vetzuren nodig. Voercomponenten als pro- en prebiotica heeft niet ieder paard altijd nodig. Dit voeg je alleen toe als daar aanleiding toe is. Ook hier weer zijn de gezondheid van het paard en de prestatie uitgangspunt om de behoefte te bepalen. En is de lijst noodzakelijke voedingsstoffen individueel bepaald. Om dit uit te zoeken is hulp van een voedingsdeskundige nodig.

Vitaminen

Paarden maken bijvoorbeeld zelf een heel aantal vitaminen. Toch zijn er soms omstandigheden dat ze wel een extra aanvulling nodig hebben. Anders dan bij de mens is de productie van vitamine B-complex en vitamine K in de dikke darm van het paard normaal gesproken voldoende. Voor vitamine B1 en vitamine B2 bestaat een voedernorm voor paarden, oftewel van deze twee vitaminen moet het rantsoen een bepaalde dosering bevatten. Met een gangbaar rantsoen voor paarden krijgen ze dit voldoende binnen.

Maar heeft het paard een minder actieve of volumineuze darmflora, bijvoorbeeld doordat het paard (te) weinig ruwvoer eet of regelmatig fermentatiestoornissen heeft met mestproblemen (diarree) of koliekklachten, dan is de productie van vitamine B-complex en vitamine K waarschijnlijk onvoldoende.

Supplementen (Foto: Remco Veurink)

Nu bevatten bijna alle krachtvoeders voor paarden vitamine B-complex en soms vitamine K, dus met krachtvoer in het rantsoen is de voorziening vaak goed geregeld. Een ander voorbeeld is de vitamine C voorziening voor oudere paarden. Paarden produceren zelf vitamine C in de lever. Bij oudere paarden vermoedt men dat de productie minder is, vanwege een minder goed functioneren van de lever. Vandaar dat in seniorenvoer vaak vitamine C is toegevoegd. Ook voor sportpaarden kan dit soms een goede aanvulling zijn, omdat door stress de behoefte is verhoogd én omdat vitamine C de functie van vitamine E kan ondersteunen. En zo zijn er ook uitzonderingen voor de behoefte van biotine, lysine en linolzuur en linoleenzuur.

Voor de meeste paarden geldt dat 2-2,5 kg krachtvoer samen met voldoende ruwvoer een volledig rantsoen oplevert. Voor pony’s zal 1-1,5 kg voldoende zijn. Geef je een granenmix of haver in plaats van krachtvoer, dan ontbreekt het rantsoen aan mineralen en vitaminen. Tenzij op de verpakking staat dat deze als extra zijn toegevoegd. Maar anders is een aanvullend supplement nodig. Veel ruwvoer geven is een gezonde keuze en levert voor veel paarden en pony’s voldoende energie (vermagert niet). Een half schepje krachtvoer na het rijden is een fijne beloning. Meer is dan ook niet nodig. Ook in dat geval is wel een aanvullend supplement nodig om het rantsoen compleet te maken.

Bonpard FORAGE SUPPLEMENT

Bonpard Forage is hier speciaal voor samengesteld. Het bevat alleen wat het paard nodig heeft naast ruwvoer, in de juiste dosering en verhouding. Zelfs in een uitstekend opneembare vorm, zodat koper en zink (vaak in rantsoen tekort) echt ten goede komt aan het paard (en niet in de mest verdwijnt). En als klein brokje gemakkelijk te voeren, ook als het paard geen ander krachtvoer krijgt.

Rantsoenanalyse

Een goede rantsoenanalyse heeft tot doel te beoordelen of het rantsoen past bij het paard. Het gaat veel verder dan alleen de krachtvoer keuze. Het is het opmaken van de balans tussen de individuele voedermiddelen in kwaliteit en hoeveelheid en het voerschema samen met wat het paard op dat moment nodig heeft.

Het paard bepaalt de behoefte aan voedingsstoffen

Feitelijk staat het paard centraal. Die bepaalt door conditie, gewicht en prestatie de behoefte aan voedingsstoffen. Maar omdat door groei, leeftijd en prestatie veel factoren in het paard veranderen, moet je deze balans keer op keer maken. Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken kan je met de vier basisregels het rantsoen controleren. Een verfijning in de afstemming doe je samen met een dierenarts of voedingsdeskundige. Sinds enkele jaren volgen dierenartsen nascholing over paardenvoeding.

Kijk voor onafhankelijk goed voeradvies op www.voedingsconsulentpaard.nl.

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding

Foto’s: Shutterstock, Remco Veurink, Marjolijn Munnich, Wikipedia, Bonpard

0 2001
voeding rantsoen paard
© DigiShots

Controleer elke 4-6 maanden het rantsoen voor een sportpaard. Een passend rantsoen voorkomt onvoldoende spieropbouw of prestatieproblemen, zoals spierbevangenheid of slecht herstel na prestatie bij sportpaarden.

Voeding en training gaan hand in hand om uiteindelijk tot een optimale prestatie te komen. Het paard komt er niet zonder het juiste rantsoen, maar ook niet zonder de juiste training. Aan alle voorwaarden moeten voldaan zijn om het paard in uithoudingsvermogen te verbeteren en meer kracht en spiermassa te laten krijgen.

Deze voorwaarden zijn onder andere training, maar ook stalmanagement, harnachement (zadel) en rijtechniek vallen hieronder. De voorwaarden wat voeding betreft is deels gelijk voor alle sportpaarden, maar deels ook verschillend, afhankelijk van de discipline. Net zoals je traint voor een bepaalde prestatie, moet je ook voeren voor een bepaalde prestatie.

Puzzel

Valt de ontwikkeling van het paard of de prestaties tegen, dan kan het een hele puzzel zijn om de oorzaak te achterhalen. Daarom is het goed om tijdens de trainingsfase alle voorwaarden telkens weer tegen het licht te houden en te controleren. Klopt het nog wat we doen?

Zo is het verstandig het rantsoen minimaal twee keer per jaar te laten doorrekenen. Door verandering van training en verandering van (ruw)voer kan het zijn dat paard en rantsoen niet meer voldoende op elkaar zijn afgestemd. Bloedonderzoek geeft onvoldoende resultaten om de voedingsstatus te kunnen beoordelen. Wacht niet tot het paard spierproblemen krijgt of vermindering van de conditie. Herstel heeft tijd nodig en vaak had dat voorkomen kunnen worden.

Periodieke monitor

Wat heeft een sportpaard nodig aan voedingsstoffen en hoe weet je of je voldoende voert? Een rantsoenberekening kan in kaart brengen of het rantsoen voldoet aan de behoefte. Maar het is wel een moment opname. Tijdens de trainingsperiode kijk je naar je paard en voel je naar de soepelheid, beweging en kracht. Een instructeur kijkt en beoordeelt mee.

Een stapje verder is de hartslagmeter die gebruikt kan worden om de trainingseffectiviteit te optimaliseren. Uiteindelijk is het oordeel of de training effect heeft afhankelijk van de verwachtingen die je hebt en de resultaten die je boekt. Het is fijn om zekerheid te hebben omtrent de voorziening van voedingsstoffen om dit als factor uit te sluiten indien prestaties of verbeteringen tegenvallen. En omdat een licht tekort aan voedingsstoffen niet leiden tot specifiek herkenbare afwijkingen, maar pas op langere termijn zowel prestatie, weerstand als herstel beïnvloeden, kan je niet anders dan het rantsoen vooraf en tijdens de trainingsperiode te monitoren en bij te stellen. Proactief dus.

Kwaliteit van ruwvoer

Ruwvoer is meestal de zwakke schakel in het totale rantsoen. Vreemd eigenlijk, want het is wel het belangrijkste onderdeel van het rantsoen. Weinig stalhouders van sportpaarden laten het ruwvoer onderzoeken en stemmen daar het aanvullende rantsoen op af. Terwijl dat een hele mooie manier is om grip op de voeding te krijgen.

Elke partij ruwvoer kan sterk variëren in de hoeveelheid en verteerbaarheid van vezels, in het eiwitgehalte, de zuurtegraad (bij kuilvoer) en in het suikergehalte. Vezels leveren energie die het paard voor de prestatie gebruikt. Het aandeel en de verteerbaarheid van de vezels beïnvloeden de darmflora en de energieproductie door micro-organismen. Het kan zelfs de hoeveelheid glucose productie in de lever verbeteren.

Vezels uit ruwvoer

Glucose is een snel bruikbare energiebron. Die dus niet alleen via krachtvoer in het paard komt, maar ook via de vezels uit ruwvoer. Vandaar dat ruwvoer voor alle typen paardensport een factor is die serieus genomen moet worden om de prestatie én de gezondheid te verbeteren.

Nogmaals, als je weet wat je aan ruwvoer voert, kan het aanvullende voer daarop afgestemd worden. Zelfs om de efficiëntie van het ruwvoer nog te verbeteren. Een win-win situatie. Voor sportpaarden geldt dat een gemiddelde kwaliteit ruwvoer als optimaal beschouwd kan worden. Beter dan arme kwaliteit en ook beter dan een rijke kwaliteit. Met een arme kwaliteit moet het krachtvoer teveel aanvullen en krijgt een te groot aandeel in het rantsoen. En met een rijke kwaliteit kan het paard makkelijker teveel energie opnemen en te dik worden. Dat leidt vaak tot een vermindering van de hoeveelheid ruwvoer met als gevolg dat de vezelhoeveelheid te laag wordt voor een gezonde darmwerking en welzijn.

Energie- en eiwitbalans

Het klinkt als een open deur, maar het paard moet voldoende energie en eiwit opnemen voor wat hij nodig heeft. Sportpaarden zijn er in vele soorten en maten. Dressuur- en springpaarden, eventers, endurancepaarden, polopaarden, menpaarden, maar ook westernsportpaarden, renpaarden en dravers. En zo zijn er nog wel een paar te noemen. Per discipline kan het niveau variëren van licht tot zeer zwaar. Behalve dit heb je ook nog te maken met de getraindheid van het paard. Voor een jong, groen paard is het lichte werk al zwaar te noemen en voor een routinier in de topsport zijn sommige oefeningen ‘opwarmertjes’.

Een disbalans in de energie- en eiwitvoorziening is niet direct zichtbaar of merkbaar. Pas na verloop van tijd gaat de body condition score (‘voedingsbalans’) veranderen, heeft het paard minder looplust of is de bespiering verminderd. Het kritisch beoordelen van de body condition score moet vast onderdeel zijn in het monitoren van een paard in training. Elke 4 tot 6 weken beoordeel je het paard door te kijken en te voelen. Hoe is het met de vetbedekking onder de huid en met de bespiering?

Noteer wat je ziet en voelt en vergelijk het met de afgelopen periode. Weeg het paard, als de gelegenheid daarvoor is, want een verandering in gewicht kan ook een signaal zijn, die je misschien nog niet direct ziet. Door deze controles krijg je beter inzicht in de werkelijke energie- en eiwitbehoefte van het paard. Want naast het controleren van de BCS houdt je de voeropname bij. Wat en hoeveel eet het paard? De behoefte is op basis van gewicht en prestatieniveau te schatten, maar kent uiteraard een redelijk grote individuele variatie.

Energiebronnen

De verschillende paardensportdisciplines vragen een andere prestatie van het paard. De training is gericht op deze prestatie, en op de verbetering van de algehele fitheid. Een fit paard met een goede basis uithoudingsvermogen presteert beter en blijft gezond. Een verbetering van het uithoudingsvermogen betekent dat het paard meer kan doen op het verbranden (energie maken) van glucose en/of vetzuren met behulp van zuurstof (aeroob) zonder te hoeven over te schakelen op het verbranden van glucose zonder zuurstof (anaeroob).

Dat laatste is namelijk maar beperkt mogelijk en leidt tot de productie van melkzuur en ophoping van melkzuur in de spieren. Het verbranden van vetzuren is relatief traag, maar levert wel veel energie. Voor veel disciplines is dit een uitstekende brandstof. Moet het paard snel en krachtig werk doen, dan heeft het glucose als energiebron nodig. Maar omdat de voorraad glucose relatief beperkt is, is het beter dit pas aan te spreken als het echt nodig is.

Vetvoorraden

Vetzuren zijn volop beschikbaar uit de vetvoorraden en rechtstreeks uit de opname van vetzuren uit de dikke darm. Glucose is beschikbaar direct uit het bloed, uit de glycogeenvoorraad in de spieren en de lever en indirect door omzetting van bepaalde vetzuren uit de dikke darm.

De energiebronnen in het rantsoen zijn vezels, vetten en zetmeel en suikers. Met een passende kwaliteit ruwvoer kan een paard voor licht tot soms gemiddeld werk al voldoende energie binnenkrijgen. Is meer energie nodig dan kan een aanvulling met vetten of zetmeel en suikers nodig zijn. Krachtvoer is traditioneel gemaakt van granen en graanproducten, wat betekent dat de energiebron vooral bestaat uit zetmeel en suikers. Plantaardige olie kan daaraan worden toegevoegd. Het lezen van het voerlabel helpt je om te ontdekken welke energiebronnen het voer bevat.

Voerlabel

Op het voerlabel staat altijd het volgende: ruw vet, ruwe celstof, ruw eiwit en ruwe as en soms het aandeel overige koolhydraten, wat niet gelijk staat aan zetmeel en suikers.

Voor sportpaarden kan de soort energie in het voer van belang zijn voor de prestatie. Snelle sporten zoals racepaarden of dravers en polopaarden hebben baat bij een hoog aandeel zetmeel en suikers (± 400 g/kg) en langdurige minder snelle sporten, zoals endurance hebben baat bij een hoger vetgehalte (90-110 g/kg). Een flink aantal disciplines kunnen een combinatie gebruiken, deels Z&S en deels vet (250-350 g Z&S/kg, 60-80 g RV/kg). Werkt je paard nog niet op een hoog niveau (5-6 dagen per week zware training en regelmatig wedstrijden), dan kan een gemiddeld krachtvoer prima voldoen. Tussen de voerfabrikanten is er verschil in gehalten tussen basisbrok en sportbrok. Er zijn geen richtlijnen waar aan voldaan moet worden om een voer ‘sportpaardenvoer’ te noemen. En dus zie je in de praktijk voersoorten met een energie en eiwitgehalte die soms basisvoer heten en soms sportvoer. Let niet alleen op de naam van het voer, maar verdiep je even verder in het voerlabel.

Tabel 1: Gemiddelde gehalten in krachvoer voor paarden, verplicht op voerlabel

Weende analyse gemiddeld krachtvoer meest voorkomende variaties
Ruwe celstof, g/kg 95 55-150
Ruw eiwit, g/kg 110 95-140
Ruw vet, g/kg 36 24-55
Ruwe as, g/kg 75 60-100

 

Tabel 2: gemiddelde gehalten in krachtvoer voor paarden, niet verplicht op voerlabel

gemiddeld krachtvoer meest voorkomende variaties
EWpa, per kg 0,87 0,75-0,95
VREp, g/kg 90 75-105
Z&S, g/kg 340 250-420

Tegenvallende bespiering

Nog even naar het eiwit. Voor een goede spierontwikkeling is het onontbeerlijk dat paarden voldoende eiwit krijgen, maar ook voldoende essentiële aminozuren. Vooral dat laatste is niet altijd vanzelfsprekend. Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwit. Ontbreekt er een bepaald type, dan gaat de bouw niet verder. Niet alle aminozuren komen gelijk verdeeld in alle voedermiddelen voor. Sommige meer dan andere. Juist de schaarse aminozuren noemt men de essentiële aminozuren.

Voor het paard zijn dat met name lysine, threonine en methionine. Deze specifieke aminozuren komen relatief beperkt voor in gras, hooi en granen. Geef je veel eiwit, bijvoorbeeld weidegang, dan is er geen sprake van een beperking in de voorziening van aminozuren. Maar is de totale eiwit niet erg hoog, maar bijvoorbeeld net voldoende, dan komt het er wel op aan wat de oorsprong is van het eiwit. Ruwvoer is tegenwoordig steeds vaker beperkt in eiwit. Het is net voldoende, maar voor het sportpaard ontbreekt het aan voldoende essentiële aminozuren.

Omdat brok vooral is gemaakt van granen die ook niet zeer rijk zijn aan deze soorten aminozuren, levert dat niet voldoende aanvulling. Tenzij de eiwitkwaliteit in het krachtvoer is verbeterd door gebruik te maken van een andere eiwitbron, zoals soja of losse aminozuren. Op het label vindt je dit terug in de ingrediënten lijst (tabel 3). Let op: sojaolie en sojaschillen zijn geen eiwithoudende ingrediënten.

Tabel 3: Ingrediëntenlijst van 2 sportpaardenvoersoorten

Sportvoer 1 Sportvoer 2
Tarwegries Gerst
Gepofte tarwe Tarwe
Luzerne Tarwegries
Haver Haver
Gepofte gerst Mais
Sojaschillen Luzerne
Sojaolie Lijnzaad
Tarwe Sojaschillen
Rietmelasse Havergries
Gepofte mais Sojaolie
Getoaste sojabonen Rietmelasse
Geextrudeerd lijnzaad
Plantaardige olie

Voedingstoffen

De behoefte aan mineralen en spoorelementen stijgt iets door training (zie tabel 4). Zoals je ziet de een meer dan de ander. Omdat een rantsoen van ruwvoer en krachtvoer veel voedingsstoffen bevat, is het niet per se noodzakelijk bij zwaarder werk met supplementen extra veel mineralen en spoorelementen toe te voegen. Zeker als het sportpaard 3 of 4 kilogram krachtvoer krijgt, zijn de meeste behoeften wel gedekt. Je kan je dan afvragen of meer voedingstoffen geven wel een voordeel biedt.

Veel paarden krijgen extra supplementen onder het mom ‘baadt het niet dan schaadt het niet’, toch is dat te betwijfelen. Afgezien van het feit dat een vergiftiging niet snel aan de orde is, moet het overschot aan voedingsstoffen wel ‘verwerkt’ worden in het lichaam; opgenomen, omgezet en uitgescheiden. Dit geldt ook voor magnesium. Vaak wordt overbodig extra magnesium aan het rantsoen toegevoegd.

Tabel 4: Behoefte aan enkele mineralen en vitaminen per 100 kilogram lichaamsgewicht per dag

Ca, g P, g Mg, g Na, g Cu, mg Fe, mg Zn, mg Se, mg Vit A, IE Vit E, IE
Rust 5,2 3,7 1,9 2,6 23 104 104 0,3 3000 100
Licht werk 5,4 3,8 2,1 6,0 23 104 104 0,3 4500 200
Matig werk 5,7 3,8 2,2 9,3 26 117 117 0,3 4500 200
Zwaar werk 6,3 3,9 2,5 18,3 29 130 130 0,3 4500 300
Zeer zwaar werk 6,8 3,9 2,8 25,0 29 130 130 0,3 4500 400

Gebrek aan zout

Ook al zweet het paard veel, de beperkte uitscheiding van magnesium wordt nog steeds gecompenseerd door de hoeveelheid in het rantsoen (grafiek 1). Het enige mineraal wat een paard dan echt tekort komt is natrium of eigenlijk natriumchloride, zout dus. Een gebrek aan zout kan verminderde prestaties en spierbevangenheid tot gevolg hebben. Een liksteen doet wel wat, maar bij veel zweetverlies en een zwaar trainings- of wedstrijdprogramma is zelf aanvullen beter.

Tenslotte is vitamine E een essentiële voedingsstof waar een sportpaard in de hogere klassen meer van nodig heeft en die een rantsoen van hooi en krachtvoer niet automatisch voldoende bevat. Het krachtvoer voor paarden die internationale wedstrijden op hoog niveau lopen en ongeveer 4 kilogram krachtvoer krijgen, moet dan zeker minimaal 400-500 IE vitamine E per kilogram bevatten. Let op dat op het label vaak vitamine E in milligrammen wordt weergegeven en dit niet altijd gelijk is aan de actieve vorm die wordt weergegeven in de internationale eenheid, IE.

Grafiek 1: Het rantsoen voldoet aan de energie- en eiwitbehoefte en aan de behoefte van calcium, fosfor en magnesium. Maar niet aan de natriumbehoefte.

grafiek rantsoen paard voeding

Paarden met spierproblemen

Veel sportpaarden kampen weleens met spierstijfheid. Vaak een gevolg van een (te) zware training of wedstrijd of onvoldoende cooling down. Met rustig herstelwerk verbetert dit vanzelf. Heeft het paard onvoldoende bespiering of heeft het paard te vaak dit soort spierstijfheidsklachten, dan is een goede rantsoenbeoordeling op zijn plaats, naast een objectieve trainingsbeoordeling (train je niet verkeerd of te hard of past het zadel niet?).

Sommige paarden zijn van zichzelf vrij heet en temperamentvol wat leidt tot te veel spierspanning met spierstijfheid tot gevolg. De rantsoen beoordeling maakt inzichtelijk of het paard alle noodzakelijke voedingsstoffen krijgt. Eiwit is nogal eens van een te matige kwaliteit of een te laag gehalte wat een goede spieropbouw belemmert. Maar ook het tekort aan zout en vitamine E kan de oorzaak zijn. Voor de te hete paarden geeft een rantsoen met een relatief laag zetmeel en suikergehalte en verhoogd aandeel vetten veelal een vermindering van de stress en daarmee ook vermindering van de spierspanning en spierstijfheid.

Balans

Het aandeel makkelijk verteerbare koolhydraten is dan nog steeds voldoende om een goede prestatie neer te zetten. De samenstelling van dit rantsoen komt wel nauw. Het is niet juist om krachtvoer te verminderen en plantaardige olie toe te voegen. Dan haal je het rantsoen uit balans, wat betreft eiwit en mineralen en vitaminen. Bonpard Muscle kan uitkomst bieden. Het bevat een correcte verhouding tussen Z&S en vetten plus voldoende voedingsstoffen (behalve zout).

Voor paarden met ‘echte’ spierbevangenheid is een goede analyse nodig om de oorzaak te achterhalen. En vooral om fouten in het rantsoen te corrigeren. Bij spierbevangenheid breekt het paard zijn eigen spieren af om als energiebron te gebruiken. Het kan komen door fouten en tekorten in het rantsoen, maar ook door genetische ‘fouten’. Dan blijft het paard, ondanks een optimaal rantsoen, terugkerende spierbevangenheid krijgen. Dit uit zich in plotseling ernstig zweten en niet verder willen met de training en soms ook in bruinverkleuring van de urine.

Paarden mogen dan absoluut niet verder lopen, want elke stap betekent spierafbraak. Behandeling van de dierenarts is noodzakelijk en het herstel kan weken tot maanden duren. Een aanpassing in het rantsoen is vaak de enige optie om het paard in training te kunnen houden. Veelal komt dat neer op een zeer sterke reductie van de makkelijk verteerbare koolhydraten en een flinke toename van het aandeel vet (en vezels) in het rantsoen. Dit vraagt om een apart dieetvoer dat voldoet aan deze specifieke eisen (er is ook meer vitamine E nodig bijvoorbeeld).

Aanvullend dieetvoer

Bonpard Muscle is een aanvullend dieetvoer voor paarden met spierbevangenheid. Voor een paard van 500 kg dat een gemiddelde training krijgt, bestaat het totale rantsoen dan uit 7 kg ruwvoer, 2,5 kg Bonpard Muscle en 130 ml plantaardige olie. Het rantsoen levert 14-17% energie uit Z&S en 20-22 % uit vetten. Dit voldoet aan de richtlijnen voor de meeste paarden met spierbevangenheid (10-15% energie uit Z&S en 15-20% energie uit vetten).

Sommige paarden zijn heel erg gevoelig voor zetmeel en suiker en hebben een rantsoen nodig van voornamelijk suiker arm ruwvoer (analyse) plus Bonpard Forage eventueel aangevuld met plantaardige olie. Als het een sportpaard betreft moet een speciale samenstelling geformuleerd worden om aan alle voereisen te voldoen (zoals eiwitkwaliteit).

Hiervoor kan je terecht bij dr. Anneke Hallebeek, specialist veterinaire diervoeding en auteur van dit artikel.

Foto’s: DigiShots

Je paard ligt bezweet te rollen in zijn stal. Hij staat op, loopt een paar rondjes en gaat weer liggen. Een beeld dat je als eigenaar niet wilt zien. Een paard met koliek maakt je ernstig ongerust, want de afloop is onvoorspelbaar.

Recidiverende koliekpatiënt

Met enige regelmaat hoor je of lees je over fataal aflopende koliekgevallen. Gelukkig kan in veel gevallen de dierenarts je geruststellen en het paard snel weer pijnvrij krijgen. Maar meestal zonder antwoord op de vraag waarom je paard koliek heeft gekregen. Krijgt je paard meer dan 2-3 keer koliek per jaar dan is dit een recidiverende koliekpatiënt. Dit vraagt om een uitgebreider onderzoek en analyse van het paard, maar ook van het rantsoen en het management, om op zoek te gaan naar de oorzaak. Hoe vaker je paard koliek heeft, des te groter het risico dat het een keer niet goed afloopt.

Preventiemaatregelen

Een optimaal rantsoen en goed management van het paard zijn de belangrijkste preventiemaatregelen voor koliek. Als het paard inwendige veranderingen of aandoeningen heeft, kan vaak met een aangepast rantsoen koliek voorkomen worden. Omdat deze aanpassingen afhankelijk zijn van de situatie, is eerst onderzoek nodig door de dierenarts.

 

Oorzaak voer?

Heeft je paard herhaaldelijk koliekklachten dan wordt vaak aan het voer gedacht. De meeste oorzaken van de pijnklachten komen tenslotte uit het maagdarmkanaal. Het is dus geen verkeerde gedachte. Maar kijk breed en beoordeel ook het hele management van het paard. Mocht alles kloppen, dan kan koliek ook ontstaan als gevolg van problemen in het paard zelf.

  1. Ligt het aan het voer?
  2. Ligt het aan het voeren?
  3. Ligt het aan beweging?
  4. Ligt het aan het paard?
    -> Gebitsklachten
    -> K
    ribbebijten/luchtzuigen en maagzweren
    ->
    Dunnedarmontsteking
    ->
    Darmwandbeschadigingen
    ->
    Darmflora veranderingen
  5. Ligt het aan het zand?
  6. Voertips om je paard gezond te houden

 

1.Ligt het aan het voer?

Om daar een antwoord op te kunnen geven moet gekeken worden naar wat het paard te eten krijgt, hoeveel en wanneer. Je moet voeren wat het paard nodig heeft. En wat het paard nodig heeft is afhankelijk van de situatie en de gezondheid. Paarden die geen of weinig werk doen, hebben ander voer nodig dan sportpaarden. Paarden die opgroeien of een veulen krijgen stellen zo ook hun eigen eisen aan het rantsoen. Kortom, er is niet één algemeen rantsoen of voer waar elk paard gezond mee blijft. Het is daarom ook geen goed idee om exact na te doen wat anderen aan hun paard voeren. Al is het alleen maar omdat paarden op een andere stal een andere kwaliteit ruwvoer krijgen.

Het zijn meestal niet direct de voedermiddelen die koliek kunnen veroorzaken, maar de manier waarop ze gebruikt worden. Tenzij het voer bedorven is.

Beschimmeld

Een veelvoorkomende koliek veroorzaker is (licht) beschimmeld (kuil)voer. Ingepakt ruwvoer kan makkelijk bederven als het geopend is, zeker als het product redelijk droog, maar toch nog wat vochtig is. Heb je dit niet in de gaten en voer je het beschimmelde ruwvoer aan je paard dan kan de darmflora in de dikke darm veranderen. Door deze verandering in samenstelling van de micro-organismen die daar leven kan de voerafbraak minder goed verlopen wat tot gevolg heeft dat er meer gasproductie plaatsvindt en het paard koliek krijgt. Of dat het paard mest produceert met te veel vezels of water. Ook hooi kan beschimmeld zijn. Maar doordat beschimmeld hooi vaak erg stoffig is, zie je dan eerder luchtwegklachten.

Ruwvoer
Ruwvoer

Verkeerde soort ruwvoer

Koliek kan ook ontstaan door gebruik te maken van het verkeerde soort ruwvoer, bijvoorbeeld als het ruwvoer slecht afbreekbaar is. Zoals bij graszaadhooi en stro het geval kan zijn. Deze producten zijn zeer vezelrijk en bevatten zeer weinig makkelijk verteerbare onderdelen. De bacterieflora heeft moeite met afbraak van deze vezels. De voermassa in de darmen droogt uit als het daar te lang verblijft. Een verstopping in de darmen geeft koliek. Het paard kan moeite hebben met mesten van de zeer droge mestballen.

Te snelle voerafbraak

Tegenover een te langzame voerafbraak staat voer dat zorgt voor een te snelle voerafbraak door de darmbacteriën. Zo kan jong gras te snel worden afgebroken omdat het vezel- of structuuraandeel nog erg laag is. Hierdoor groeien andere bacteriën in de dikke darm die meer melkzuur vormen. Bij minder vezelafbrekende bacteriën die normaal gesproken het melkzuur gebruiken, zal de darminhoud verzuren. Met een verandering van de microflora tot gevolg welke kan leiden tot gasproductie en koliek. Ook zie je dan vaak te dunne mest. Veel suikers of zetmeel die niet in de dunne darm verteerd zijn geven in de dikke darm gelijksoortige gevolgen. Deze koolhydraten komen vooral in granen en krachtvoer voor. Het gehalte aan zetmeel in het krachtvoer (verschilt per soort), maar ook de mate van vertering van het krachtvoer kan reden zijn voor koliek.

Mals gras
Mals gras

Kwaliteit en wijze gebruik

Het gaat dus niet zozeer om het voedermiddel ‘an sich’, maar meer om de kwaliteit en de wijze en combinatie van gebruik. Zo kan de combinatie van gras met wat stro een prima verteerbaar rantsoen opleveren.

 

2.Ligt het aan het voeren?

Het voeren houdt in de voertijden en de voerhoeveelheden per dag. Het paard stelt eisen aan de hoeveelheid voer die dagelijks nodig is, om in een goede conditie te blijven en om het maagdarmsysteem goed te laten werken. Staat een paard in de wei dan heeft hij altijd voer ter beschikking. Het paard loopt en het paard eet. Gras komt in hapjes binnen en stroomt zo geleidelijk door het maagdarmkanaal. De maximale voerhoeveelheid is begrensd door deze doorstroomsnelheid en dus de verteerbaarheid, en ligt ongeveer bij de 2% van het lichaamsgewicht in droge stof. Een paard van 600 kg eet maximaal 12 kg droge stof gras, d.i ongeveer 80 kg vers gras (soms is deze opname nog wat hoger zelfs). Met de voederwaarde van een malse weide berekend, is de opname aan energie en eiwit veel hoger van de meeste paarden nodig hebben.

Reserves voor de winter

In de natuur is de voederwaarde van wat er groeit wat lager, maar ook dan zal het paard in gewicht toenemen. Deze reserves worden in de winter gebruikt om in leven te blijven. Voor de meeste van onze paarden zal de weidegang beperkt moeten worden om overgewicht en risico’s van hoefbevangenheid te voorkomen. Met een relatief rijke weide zal het even puzzelen worden om de conditie goed te houden, maar de tijden zonder eten niet al te lang. Want langdurig vasten geeft kans op maagzweren, gedragsproblemen en koliek! Paarden eten in ongeveer 7 uur voldoende gras voor de dag als ze in een goede weide staan. Natuurlijk zal dit voor elk paard weer wat verschillen, dus beoordeel altijd de body condition score om zeker te zijn dat deze niet te veel gaat afwijken. Maar het houdt wel in dat naast de (beperkte) weidetijd het paard in de resterende uren nog extra (ruw)voer nodig krijgt.

Een paard met ‘reserves’ voor de winter

Ook op stal kan je dit ter discussie stellen; wat zijn de beste voertijden?

Maagzweren

Omwille van een goede maaggezondheid heeft een paard minimaal iedere 6 uur voer nodig. Langer dan 6-8 uur zonder voedsel in de maag kan mede leiden tot maagzweren (stress is ook een belangrijke factor). Een verkeerde voerfrequentie kan koliek veroorzaken als het paard te lang op voer moet wachten, als gevolg van maagzweren (oorzaak van recidiverende koliek) of door stress en onrust op stal.

Hoeveelheid per keer

De hoeveelheid krachvoer per voerbeurt kan ook tot koliekklachten leiden. Te veel voer in één maaltijd is (wederom) een oorzaak van maagzweren en kan door een minder goede dunne darmverteerbaarheid leiden tot verteringsklachten in de dikke darm. Krachtvoer bevat ingrediënten die vooral in de dunne darm verteerbaar zijn. Als daar onvoldoende tijd voor is (grote massa), zorgen deze ingrediënten voor een verstoring van de balans in de darmflora. De maaggrootte is beperkt en het advies is om niet meer dan 2 kg krachtvoer per maaltijd te voeren (voor een pony niet meer dan 1 kg). En beter is om het krachtvoer in meerdere porties over de dag te verdelen.

Krachtvoer
Krachtvoer

 

3.Ligt het aan beweging?

Het normale gedragspatroon van paarden bestaat uit lopen en grazen. Al lopen paarden in de natuur niet veel op hoge snelheid, de beweging is wel van invloed op de darmwerking. Niet of weinig bewegen kan de darmwerking beperken en oorzaak zijn van verstoppingskoliek. In de richtlijnen van de Gids voor Goede Praktijken (2011) staat dat paarden minimaal 4 uur beschikking tot beweging moeten hebben (met de mogelijkheid een sprintje te trekken!). In de winter met slecht weer kan dit er weleens bij inschieten. Zorg dus dat je je paard elke dag langer dan voor het uurtje rijden uit de box haalt.

beweging
Voldoende beweging is van belang

 

4.Ligt het aan het paard?

Sommige paarden lijken veel gevoeliger voor koliek dan anderen. Misschien dat de pijngrens per paard verschilt. Vaak zijn darmkrampen oorzaak van koliek, waar het ene paard eerder en heftiger op reageert dan het andere. Het paard kan ook interne problemen hebben die aanleiding zijn tot verandering van de verteerbaarheid en zo koliek geven. Onderzoek van het paard wijst uit wat er aan de hand is. Een behandeling kan de situatie verbeteren, maar geeft niet altijd volledig herstel. Ook het rantsoen moet aangepast worden op de specifieke behoefte van het paard om koliek te voorkomen.

Gebitsklachten

Een goed gebit is onmisbaar voor een goede vertering. Aandoeningen van het gebit zijn vaak tot zekere hoogte te herstellen. Maar bij oudere paarden is herstel niet goed mogelijk. Het rantsoen moet zo zijn aangepast dat het paard ook zonder veel kauwen de juiste voedingsstoffen binnenkrijgt zonder risico op koliekklachten. Bonpard Senior bevat hoogwaardige grondstoffen die gemakkelijk verteerd en opgenomen worden, ook als het paard slecht kauwt. Geef daarnaast fijn, zacht hooi en/of gras, zolang dit mogelijk is. Als het paard zelfs hooi niet meer goed kan kauwen (het valt als “rolletjes” of “proppen” terug in de bak), kan Bonpard Senior ook als enig voedermiddel worden gebruikt. Senioren hebben een aangepaste behoefte aan mineralen en vitaminen, waar Bonpard Senior aan voldoet, dit ondersteunt de gezondheid en verbetert de weerstand. Dit voer is te gebruiken voor jongere paarden met tijdelijke gebitsproblemen. Soms duurt het even voordat het gebit weer volledig hersteld is. Om in de tussentijd vermagering te voorkomen is een aangepast, makkelijk en veilig verteerbaar voer nodig.

Gebit
Gebitscontrole

Kribbebijten/luchtzuigen en maagzweren

Als het paard deze stalondeugd heeft ontwikkeld is het moeilijk om er weer vanaf te komen. Veel buiten lopen en ruwvoer kan helpen het luchtzuigen te verminderen. De beweging die het paard met luchtzuigen maakt, heeft invloed op de darmwerking. Het kan een verandering van de darmbewegingen geven en daarmee de verteerbaarheid van voer verminderen. Luchtzuigen en maagzweren komen regelmatig samen voor. Paarden die hieraan lijden hebben vaak terugkerende koliekklachten. De maagzweren kunnen behandeld worden, maar keren terug als het rantsoen niet wordt aangepast. Dat betekent een rantsoen met een beperkte hoeveelheid zetmeel en suikers, een passende goede kwaliteit ruwvoer in ruime dosering en eventueel toevoeging van plantaardige olie. De hoeveelheden en samenstelling is afhankelijk van de prestaties van het paard. Extra vezels door het voer mengen dwingt tot meer kauwen. De extra speekselproductie is een goede buffer voor het maagzuur. Vaak wordt hier luzerne voor gebruikt. Het hoge calciumgehalte in luzerne werkt waarschijnlijk ook nog als extra buffer. Maar probeer vooral zoveel mogelijk ruwvoer en weidegang te geven.

Kribbebijten
Kribbebijten

Dunne darmontsteking

Een diagnose die minder eenvoudig is vast te stellen, is een ontsteking van de dunne darm oftewel IBD (inflammatoire bowel disease). Oorzaken en mogelijkheid tot behandeling varieert. Paarden die aan IBD lijden zijn vaak vermagert en hebben onvoldoende bespiering. De darmwandontsteking heeft gevolgen voor de verteerbaarheid van het voer, wat ook kan leiden tot koliekklachten. Extra krachtvoer geven omdat het paard vermagert heeft een averechts effect. Dit komt omdat krachtvoer zetmeel en suikers bevat en juist de vermindering van de zetmeelvertering is aanleiding voor koliek. Ook hier geldt dat het rantsoen aangepast moet worden op de mogelijkheden die het paard heeft en de specifieke behoefte als gevolg van de aandoening. Extra energie in de vorm van zacht en dus rijk ruwvoer of gras en een aanvulling met plantaardige olie kan de conditie verbeteren. Bonpard Motility en Bonpard Muscle zijn geschikte dieetvoeders voor deze patiënten. Bij sterke vermagering dient het rantsoen een redelijk hoog eiwitgehalte te hebben van een eiwitbron met veel essentiële aminozuren. Alleen in de dunne darm kan het paard aminozuren opnemen. Bij een darmwandontsteking is de capaciteit daarvan gedaald. Vandaar dat een eiwitrijk voer als Bonpard Mare&Foal een rol kan spelen in het rantsoen voor deze patiënten. Anders dan andere merrievoeders heeft Bonpard Mare&Foal naast een hoog eiwitgehalte van een goede kwaliteit, een laag zetmeel gehalte en een hoog vetgehalte.

Mager
Paarden die aan IBD lijden zijn vaak vermagerd en hebben onvoldoende bespiering.

Darmwandbeschadigingen

Darmwandbeschadigingen komen voor als paarden een ernstige wormbesmetting hebben gehad. Littekens in de darmwand of op andere plaatsen kan nadelig zijn voor de darmbeweging. Het voer wordt minder goed getransporteerd, wat weer van invloed kan zijn op darmflora veranderingen. Soms heeft het paard een verstoppingskoliek en soms een koliek door een verkeerde fermentatie. De littekens zijn blijvend. Zaak is het paard zo goed mogelijk te ondersteunen en voer aan te bieden die voor dit paard bruikbaar is en geen problemen geeft. Maatwerk dus! Aan de hand van de symptomen maakt de dierenarts een keuze in de aanpassing van het rantsoen om de vertering te verbeteren. Soms duurt het even voordat de juiste samenstelling is gevonden die voor het paard het beste resultaat geeft. Bonpard Colon en Bonpard Motility zijn beide dieetvoeders die, voor deze soms complexe situaties, regelmatig met goed gevolg gebruikt worden.

Darmflora veranderingen

De darmflora ontwikkelt in de eerste maanden van het paardenleven. Tijdens deze fase is het belangrijk dat het veulen in aanraking komt met gezonde darmbacteriën. Van zijn moeder bijvoorbeeld. Zo zie je veulens regelmatig mest eten. Een goede manier om een gezonde darmflora te maken. Veulenziekten en gebruik van antibiotica kunnen deze ontwikkeling verhinderen. Ook bij volwassen paarden kan na veel antibioticagebruik de darmflora minder gezond zijn. Heeft het paard een matige gezonde darmflora dan kan het zijn dat bij kleine voerveranderingen al koliek ontstaat. De darmflora heeft onvoldoende buffer om veranderingen op te vangen. Zaak is om de darmflora te ondersteunen met een goed rantsoen en aanvullende ingrediënten. Een variatie aan verschillende vezels is gunstig voor een gevarieerde darmflora. Uiteraard is het ruwvoer van groot belang. Zowel in hoeveelheid als in kwaliteit. Omdat grof ruwvoer een rustige voerafbraak kent, heeft dit type ruwvoer de voorkeur boven zacht ruwvoer of gras, wat heel snel gefermenteerd wordt en juist snel tot een fermentatiestoornis kan leiden. Levende gistcellen zijn voor paarden een goede probioticum. Zij zijn in staat om het milieu in de dikke darm iets te veranderen, waardoor de “goede” bacteriën beter kunnen groeien. Omdat levende gistcellen niet in de darm blijven, maar met de mest het paard verlaten, moeten ze dagelijks worden gegeven. Bonpard Colon bevat Yeasacc© als bron van levende gistcellen. Bij een minder gezonde darmflora zal de productie van vitamine B-complex en vitamine K minder zijn. Toevoeging aan het rantsoen geeft zekerheid dat het paard niets tekortkomt. Bonpard Colon is dieetvoer speciaal gemaakt voor paarden met een minder gezonde darmflora.

 

5.Ligt het aan het zand?

Veel zandopname is een veelvuldig voorkomend probleem en oorzaak diarree en koliek. Met het voer eten komt altijd wat zand mee. Bij een goede darmwerking (en een vezelrijk rantsoen) verdwijnt zeker 70% van het zand met de mest. Veel zand eten of een minder goede darmwerking kan zandophoping tot gevolg hebben. Het zand beschadigt het slijmvlies in de darmen. Dit zal de vertering en absorptie verminderen en de darmfermentatie beïnvloeden. Naarmate het gewicht van het zand toeneemt vermindert de darmbeweging en kan ook een verstopping het gevolg zijn. De behandeling en de aanpassing van het rantsoen is gericht op het verwijderen van zand (dierenarts geeft paraffineolie met psyllium) en verbeteren van de darmwerking en de darmflora. Goed ruwvoer plus Bonpard Colon zorgen voor een goede darmgezondheid zodat zand met de mest mee komt en minder schade kan geven.

Zand eten
Zand eten

 

VOERTIPS OM JE PAARD GEZOND TE HOUDEN:

  1. Geef nooit ruwvoer dat beschimmeld is (kijk en ruik!!).
  2. Geef minimaal 4 keer per dag voer als je paard niet onbeperkt ruwvoer mag eten.
  3. Laat je paard niet langer dan 6 uur zonder eten staan.
  4. Geef niet meer dan 2 kg krachtvoer per keer (of minder!) (een pony max 1 kg per keer).
  5. Zorg voor minimaal 4 uur bewegingsmogelijkheid per dag.
  6. Voor geen ruwvoer van een zanderige bodem.
  7. Geef geen weidegang op te kort gras (< 5cm).
  8. Gebruik aangepast dieetvoeding als je paard dit nodig heeft.

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding
Foto’s: Anneke Hallebeek, Shutterstock

 


Lees ook de voorgaande aflevering uit de serie: ‘Alles over voeding’

Alles over voeding (1): Insulineresistentie bij paarden – wat nu?

Foto boven: Shutterstock

Meet wat je eet en laat je krachtvoer op maat samen stellen door Probarn

Het grootste gedeelte van het rantsoen van een paard bestaat uit ruwvoer. Van het krachtvoer weten we meestal precies wat de samenstelling is, maar van het ruwvoer vaak niet. Maar hoe weet je dan of het paard niet te veel of te weinig vitaminen of mineralen binnen krijgt?

De oplossing: ‘custom-made’ krachtvoer

Probarn heeft de oplossing. Zij analyseren het ruwvoer en maken aan de hand daarvan een brok of muesli die ‘custom-made’ is voor de betreffende stal. Voer dat te veel of te weinig van bepaalde vitamines en mineralen bevat kan onder meer blessures, verminderde vruchtbaarheid, eczeem en staartschuren, bot- en hoefproblemen in de hand werken. Daarbij zorgt een uitgebalanceerd voer voor betere prestaties, verhoogde weerstand en beter herstelvermogen.

Iedere paardenhouder weet het belang van kwalitatief hoogwaardig ruwvoer, omdat dat de basis van het rantsoen is. Maar weinig paardenhouders weten wat er in zit.

Meten is weten

Peter Poppelaars combineerde zijn praktische en theoretische ervaringen uit de paarden- en veehouderij samen met Probarn tot dit unieke concept. Poppelaars was zelf onder andere jarenlang bedrijfsleider bij stal Zegwaard. ‘De veehouderij loopt qua voermanagement al jaren voor op de paardenhouderij. Waar we in het paardenwereldje vaak handelen uit emotie of aannames is de intensieve veehouderij gebaseerd op feiten en cijfers. Iedere paardenhouder weet het belang van kwalitatief hoogwaardig ruwvoer, omdat dat de basis van het rantsoen is. Maar weinig paardenhouders weten wat er in zit. Of je nu ruwvoer wint van de schrale Veluwse zandgronden of de rijke Zeeuwse klei, maakt natuurlijk een groot verschil in samenstelling. Daarnaast is de kwaliteit van het ruwvoer de laatste jaren, door het veranderde mestbeleid, erg achteruit gegaan. Wil je dus echt weten wat er in ruwvoer zit, moet je het laten analyseren.’

Zo krijg je krachtvoer dat op maat gemaakt is voor jouw paard met als basis je eigen ruwvoer.

Maatwerk

‘Bij Probarn analyseren we het ruwvoer. Na de analyse kijken we per gebruik van het paard; sport of fokkerij, discipline en hoeveelheid arbeid, wat de behoeften zijn van het paard. Vervolgens bespreken we samen met de klant wat verder nog belangrijk is voor het paard, bijvoorbeeld als het paard te veel of te weinig energie heeft of er een vruchtbaarheidsprobleem is. Daarna stellen we het voer samen en persen we de benodigde vitaminen en mineralen in een brok of muesli, net wat je wilt. Zo krijg je krachtvoer dat op maat gemaakt is voor jouw paard met als basis je eigen ruwvoer. Deze brok of muesli compenseert of vult de hoeveelheid vitaminen en mineralen aan. Daarnaast geven wij een advies over de hoeveelheid kracht- en ruwvoer die per dag gevoerd kan worden. Aanvullend bieden wij persoonlijk contact en begeleiding voor optimale prestaties. Uiteraard moet je zelf ook blijven voeren met een goed oog. Dat wil zeggen blijf naar je paard kijken. Is het bijvoorbeeld te dik of te dun. Aan de hand daarvan voer je iets minder of meer kracht- en ruwvoer. Dit is dan ook geen probleem, omdat de verhoudingen van de voedingstoffen in het voer kloppen.’

Even praktisch

Maar wat nu, als ik maar twee paarden op stal heb? Of juist heel veel paarden heb waarbij de paarden verschillende behoeften hebben? Wat als ik mijn paarden hoofdzakelijk in de wei heb staan en alleen een beetje krachtvoer bijvoer? En moet ik iedere keer op nieuw de analyse laten uitvoeren als ik een nieuwe levering ruwvoer krijg? ‘Heb je maar twee paarden op stal, dan is dat geen probleem. Wij maken al op maat gemaakt voer vanaf een afname van 250 kilogram. Heb je juist veel paarden met allemaal verschillende behoeften, dan maken we een universele brok of -muesli voor deze paarden. Mochten de verschillen tussen de prestaties van de paarden dusdanig groot zijn dan kan Probarn makkelijk schakelen door de extra vitamines en mineralen los aan te leveren zodat deze eenvoudig gevoerd kunnen worden. Ook van het weidegras kunnen we een analyse maken om daar een passend krachtvoer bij te maken. Zelfs het water kunnen we analyseren. Wil je een brok of muesli maken die past bij het ruwvoer, zul je bij elke nieuwe levering ruwvoer uiteraard weer een analyse hiervan moeten maken.’

Duur?

‘Ons ‘custom-made’ paardenvoer klinkt misschien als een hele investering, maar niets is minder waar. We zien vaak dat bepaalde vitamines en mineralen weggelaten kunnen worden of veel minder gevoerd hoeven te worden. Bij het standaard krachtvoer betaal je hier wel voor terwijl het onnodig is. Bij ons is dat dus niet het geval. Daarbij kun je als je goed voert blessures, botproblemen enzovoorts juist voorkomen.’

Gevaar

Meestal voer je een ruwvoer met aanvullend een standaard krachtvoer en nog één of meerdere supplementen. Nu kan het bijvoorbeeld best zo zijn dat het ijzergehalte in het ruwvoer boven het gemiddelde is. Tel daarbij op de hoeveelheid ijzer uit het krachtvoer en het supplement, want daar zit ook vaak ijzer in, dan wordt het ijzergehalte wel erg hoog en kan dit zelfs vergiftigend werken.

Essentiële vitaminen en mineralen

Een ander gevaar is dat vitaminen en mineralen elkaar tegen kunnen werken. Te hoge gehaltes van sommige vitamines en mineralen voorkomen dat andere vitamines en mineralen, die wellicht al te weinig aanwezig zijn, opgenomen kunnen worden. Deze zorgen er dus voor dat essentiële vitaminen en mineralen niet hun werk kunnen doen.

Tekst: Carlijn de Boer

Ruwvoer

Ruwvoer is de basis voor een goed rantsoen. Zo stelt ook  Paardenarts en voedingsspecialist Veerle Vandendriessche. ‘Wat je aanvullend voert hangt het af van hoeveel energie je paard nodig heeft, dus wat je met hem doet. Soms zijn alleen wat extra vitaminen en mineralen genoeg. Want daarvan zit sowieso niet genoeg in ruwvoer, dat moet altijd worden aangevuld voor een optimale gezondheid.’

Maagzweren

Achter de schermen bij Pavo werken deskundige mensen, die dagelijks bezig zijn met hoe je met de juiste voeding de gezondheid van paarden optimaal kunt ondersteunen. Dierenarts Veerle is daar één van. Vooral de lastige vragen worden bij haar neergelegd. ‘Ik duik daar uitgebreid in en ga, als het nodig is, bij de mensen langs om de situatie ter plaatse te bekijken en te bespreken. Zo hadden we laatst een veulen dat door een aangeboren afwijking niet goed kon zuigen. Dat hebben we kunnen oplossen en dat is natuurlijk fantastisch als je zo’n beestje ziet opleven. En zo was er ook een renpaard dat moeilijk op gewicht bleef en gevoelig was voor maagzweren, maar wel zware prestaties moest leveren. Ook daar konden we een passende oplossing voor vinden.

 Een flinke schep krachtvoer vlak voor een wedstrijd is dus juist heel slecht voor een paard.

Te weinig ruwvoer

De vraag die ik het meeste krijg? Mijn paard blijft te mager. En meestal is dat het gevolg van teveel krachtvoer en te weinig ruwvoer.’ Ruwvoer wordt hoofdzakelijk afgebroken in de blinde darm en dikke darm van een paard. ‘Maar weinig mensen weten dat paarden hier de meeste energie uit halen en niet uit de vertering in de maag en dunne darm, zoals bij mensen het geval is. Een flinke schep krachtvoer vlak voor een wedstrijd is dus juist heel slecht voor een paard.’

Optimale gezondheid

Er is de laatste jaren meer aandacht voor de kwaliteit van ruwvoer. Steeds meer mensen raken er van doordrongen dat het verstandig is om een analyse, bijvoorbeeld de Pavo Ruwvoer Quickscan, te laten doen, zodat je iets weet over het gehalte aan energie, eiwit en suiker. Maar Veerle hoopt dat zich dit nog veel meer uitbreidt, bijvoorbeeld ook naar mensen die hun paard bij een pensionstal hebben staan, waar je vaak geen keuze aan voer hebt. ‘Daarbij hangt het af van hoeveel energie je paard nodig heeft, dus wat je met hem doet. Soms zijn alleen wat extra vitaminen en mineralen genoeg. Want daarvan zit sowieso niet genoeg in ruwvoer, dat moet altijd worden aangevuld voor een optimale gezondheid.’

Als je minder dan anderhalve kilo krachtvoer per dag geeft, krijgt een paard al te weinig vitaminen en mineralen.

Vergeten

Veerle zegt dat de rol van vitaminen en mineralen vaak wordt onderschat. ‘Als je minder dan anderhalve kilo krachtvoer per dag geeft, krijgt een paard al te weinig vitaminen en mineralen. Het is één van de facetten uit paardenvoeding waar te weinig aandacht aan wordt besteed. Het is onontbeerlijk dat paarden hier voldoende van binnen krijgen. Voor de gezondheid, maar ook om goede prestaties te kunnen leveren. Er is altijd veel aandacht voor training, maar dit wordt vaak vergeten. Hiermee is echt nog winst te behalen.’

Krachtvoer

Heeft een paard meer energie nodig dan hij via het ruwvoer binnenkrijgt, dan kun je dat aanvullen met krachtvoer. Er zijn tal van verschillende soorten. Veerle legt uit dat de keuze te maken heeft met het soort werk dat je met een paard doet. Heeft hij meer uithoudingsvermogen nodig of juist snelle, explosieve energie? Heeft je paard aanleg om dik te worden of blijft hij juist mager? Zelfs de leeftijd speelt een rol. ‘Het is wel belangrijk om het krachtvoer over zoveel mogelijk kleine porties per dag te verdelen. De maag van een paard is klein, die kan niet teveel tegelijk verwerken.’

Optimaler presteren

Hoe passender het rantsoen, hoe beter de gezondheid wordt ondersteund en hoe optimaler een paard kan presteren. ‘Als je het ingewikkeld vindt om uit te zoeken of jouw paard wel alles krijgt wat hij nodig heeft of als je je afvraagt of het rantsoen beter kan, dan kun je naar ons bellen en geven wij advies.’

Veerle Vandendriessche:

Veerle Vandendriessche deed haar opleiding diergeneeskunde aan de universiteit van Gent in België en werkte 9 jaar lang als dierenarts bij verschillende praktijken en klinieken in België en Nederland. Ze heeft zich gespecialiseerd in paardenvoeding en heeft aan aanvullende universitaire opleiding van drie jaar gevolgd om Europees specialist te worden. Als nutritionist geeft ze tegenwoordig onder andere advies over rantsoenen bij Pavo. Veerle komt niet uit een paardenfamilie, maar was zelf als klein kind al ‘besmet’ met het paardenvirus. ‘Ik kroop onder de omheining door om op pony’s te rijden. Zodra het mocht ging ik naar de manege en reed ik op paarden van vrienden.’ Vijftien jaar lang was ze als wedstrijdamazone actief. Ze heeft momenteel geen eigen paard, maar dat gaat er wel weer snel komen. ‘Binnen nu en vijf jaar zeker.’

Veerle Vandendriessche, foto: PAVO

 

Bron: PAVO

Foto: Remco Veurink

Onbeperkt gras eten is voor een paar dat gevoelig is voor insulineresistentie af te raden.

Insulineresistentie komt tegenwoordig veel meer voor dan vroeger. Ook het mogelijke nadelige gevolg ervan: hoefbevangenheid. Vast staat dat insulineresistentie met name bij sobere rassen in de zomermaanden een verhoogd risico geeft op hoefbevangenheid. Ook wel ‘weide-gerelateerde hoefbevangenheid’ genoemd. Brengt dat met zich mee dat sobere rassen geen weidegang meer mogen hebben? Of is dat iets te snel door de bocht? Wat kan je doen om gezondheidsrisico’s te verminderen?

Haver

Tijdens een college aan studenten van de Universiteit in Wageningen over de keuze aan ingrediënten voor paarden komt steevast de vraag waarom haver zo graag aan paarden wordt gevoerd. Waarschijnlijk is het ooit een keuze geweest die gebaseerd is op beschikbaarheid en prijs. Nu bevat haver in vergelijking met andere graansoorten wat specifieke kenmerken die ze iets beter voor het paard geschikt maken. Haver is een vezelrijk graan met een iets lager zetmeel en suikergehalte dan gerst of tarwe.

Lange werkdagen

De laatsten werden en worden meer voor humane consumptie gebruikt. Tijdens lange veldtochten nam het leger een soort gebakken graankoeken mee in de zadeltassen voor de paarden. Ze waren lang onderweg en de paarden hadden geen tijd om veel te grazen. Ook voor paarden op een boerenbedrijf gold dat zij lange werkdagen maakten. Daardoor hadden ze een hoge energiebehoefte, maar onvoldoende eettijd om dit met gras of hooi te voldoen. Vandaar de haverzak.

Veranderingen

Gezien de veranderingen in het houden en gebruiken van paarden wordt wel steeds duidelijker dat tegenwoordig maar weinig paarden zoveel werk verrichten dat het voer een hoog aandeel zetmeel en suikers moet bevatten. Toch bestaan de ingrediënten voor paardenvoer nog wel vaak uit granen en graanbijproducten. Zijn deze voeders wel geschikt voor paarden die niet veel werken óf voor paarden met verterings- of stofwisselingsklachten?

Alternatieven

In het uitgebreide assortiment paardenvoeders zijn tegenwoordig wel alternatieven te vinden, waar granen steeds vaker plaats maken voor vezelrijke ingrediënten, maar je moet dan wel goed zoeken en de labels lezen. Behalve dat overmatig zetmeel kan leiden tot verteringsklachten, kan de opname van veel glucose in het bloed (door afbraak van zetmeel en suikers in de dunne darm) effect hebben op de insulinehuishouding. Zeker als de spieren weinig hoeven te doen, kan de insulinegevoeligheid afnemen en is insulineresistentie een nadelig gevolg van een dieet met veel zetmeel en suikers.

Suikerrijk

Voor paarden en pony’s die sober van aard zijn, geldt dat zij aanleg hebben om insulineresistentie te ontwikkelen. Is dat eenmaal aan de hand, dan moet het rantsoen, afhankelijk van de oorzaak, aangepast worden. Niet alleen krachtvoer moet dan onder de loep genomen worden, ook ruwvoer kan suikerrijk zijn!

Hoefbevangen
Typische stand van een hoefbevangen pony

Hoefbevangenheid

Insulineresistentie komt tegenwoordig veel meer voor dan vroeger. Ook het mogelijke nadelige gevolg ervan: hoefbevangenheid. Veel wetenschappelijk onderzoek houdt zich hiermee bezig. Daaruit kunnen een aantal conclusies getrokken worden, maar nog veel blijft onbekend over de oorzaak en het mechanisme. Vast staat dat insulineresistentie met name bij sobere rassen in de zomermaanden een verhoogd risico geeft op hoefbevangenheid. Ook wel “weide-gerelateerde hoefbevangenheid” genoemd. Brengt dat met zich mee dat sobere rassen geen weidegang meer mogen hebben? Of is dat iets te snel door de bocht? Wat kan je doen om gezondheidsrisico’s te verminderen?

Insuline

Wat is insulineresistentie?Insulineresistentie is een situatie waarin het effect van insuline is verminderd. Insuline is nodig om glucose te transporteren van het bloed naar de weefsels. Na het eten van een zetmeel- en suikerrijke maaltijd stijgt het glucosegehalte in het bloed, wat een signaal is voor betacellen in de eilandjes van Langerhans van de alvleesklier om het hormoon insuline te maken. Insuline is de sleutel van het slot, waardoor het deurtje opengaat om glucose de bloedbaan te laten verlaten naar spier- of vetweefsel. Bij insulineresistentie past de sleutel niet goed op het slot. Het duurt langer voordat het deurtje opengaat.

Vetophopingen

Meer insuline is nodig om uiteindelijk toch de glucose naar de weefsels te krijgen, waar het als energiebron gebruikt wordt (of in vet wordt omgezet). Sommige weefsels nemen glucose op zonder tussenkomst van insuline. Door de insulineresistentie verandert de verdeling van glucose in het lichaam. Op korte termijn kan dit een gewenst effect zijn als bepaalde lichaamsdelen meer glucose nodig hebben (normale of fysiologische insulineresistentie). Maar langdurige insulineresistentie kan leiden tot vermagering ondanks dat er ook vetophopingen ontstaan. Langdurige insulineresistentie is nadelig voor de energievoorziening van het paard, het kan de betacellen uitputten (minder insulineproductie) en de hoge stijging van insuline in het bloed kan leiden tot hoefbevangenheid.Vooral dit laatste is een groot probleem dat veel gezien wordt bij paarden en pony’s in de zomermaanden. Dit heeft te maken met de combinatie van paarden en pony’s met insulineresistentie en gras met, soms plotseling, hoge suikergehalten.

Welke paarden krijgen insulineresistentie?

1. Sobere rassen hebben een erfelijke aanleg om zuinig met energie om te gaan.

Ze hebben minder energie nodig voor dezelfde prestaties als niet-sobere rassen. Oftewel bij dezelfde energieopname is er eerder sprake van een overschot en omzetting in vetreserves. Overgewicht kan insulineresistentie veroorzaken als gevolg van de productie van te veel ontsteking stimulerende stoffen door het vetweefsel. Niet elk paard met overgewicht krijgt insulineresistentie. Als je wilt weten of je te dikke paard een vergroot risico heeft om hoefbevangenheid te krijgen kan je overwegen insulineresistentie door je dierenarts te laten testen. Aan de andere kant is overgewicht een niet gezonde situatie voor het paard en is het beter het paard te laten vermageren. Hierdoor zal de insulineresistentie vaak verdwijnen.

2. Ook oudere paarden kunnen een overschot aan ontsteking stimulerende stoffen genereren.

Dit als gevolg van verouderingsprocessen en hebben daarmee een verhoogd risico op insulineresistentie.

3. Paarden en pony’s met PPID (Pituitary Pars Intermedia Dysfunction)

Zij produceren een overmatige hoeveelheid corticosteroïden. In overschot leiden deze hormonen tot insulineresistentie. Een behandeling kan de productie van corticosteroïden en de mate van insulineresistentie verminderen. Omdat PPID en veroudering vaak samengaan is het mogelijk dat de insulineresistentie blijvend is.

4. Heel veel krachtvoer geven is een oorzaak van insulineresistentie

Of dat in de praktijk een veelvoorkomende oorzaak is, is de vraag. De paarden die veel krachtvoer krijgen zijn meestal niet van een sobere ras en moeten vaak ook hard werken. Inspanning vermindert het risico op insulineresistentie.

5. Veel suikerrijk ruwvoer (en krachtvoer) kan een mogelijke risico factor zijn om insulineresistentie te ontwikkelen bij sobere rassen

Gras kan suikerrijk worden onder bepaalde weer- en groeiomstandigheden. Ook hooi en kuilvoer kunnen een hoog aandeel suikers bevatten.

6. Equine Metabolic disease

Equine Metabolic disease wordt beschreven als een aandoening van vooral sobere rassen, soms met overgewicht, die insulineresistentie hebben en gevoelig zijn voor hoefbevangenheid.

Hoe merk je het aan je paard?

De verschijnselen van insulineresistentie zijn niet direct overduidelijk zichtbaar. Vaak zijn het geleidelijke veranderingen. De conditie vermindert, de vetophopingen zijn opvallend, vaak is het vet in de nek hard en stevig. Bij PPID kan de vacht veranderen, krijgt het paard langere haren en verhaart het minder makkelijk in het voorjaar. En natuurlijk het krijgen van hoefbevangenheid. Ook dat kan in gradaties optreden. De hoefsmid ziet soms al veranderingen in de witte lijn van de hoef (foto) voordat het paard zichtbaar kreupel loopt. Paarden die eerder hoefbevangenheid hebben gehad kunnen reageren op suikerrijk voer, door meteen weer kreupel of stijf te lopen of door warme hoeven. Soms kan je een kloppend bloedvat in de kootholte voelen. Je dierenarts kan insulineresistentie bepalen door middel van bloedonderzoek. Soms is deze bepaling vaker nodig om zekerheid te krijgen.

Hoefbevangenheid
Veranderingen in de witte lijn op de hoef duidt op hoefbevangenheid

Is insulineresistentie te behandelen?

Insulineresistentie is eigenlijk geen aparte ziekte. Maar meer een gevolg van andere oorzaken. Onder normale omstandigheden krijgt een paard tijdelijk te maken met insulineresistentie in geval van een ernstige ontsteking of ziekte én tijdens de laatste maanden van de dracht. De functie van deze tijdelijke insulineresistentie is om de glucosewaarden in het bloed te verhogen om zo bepaalde gebieden van extra energie te voorzien (bijvoorbeeld het veulen). In deze perioden is het niet zinvol insulineresistentie te testen (ook niet bij acute hoefbevangenheid dus!). Deze insulineresistentie is tijdelijk van aard en geeft geen nadelige gevolgen.

Chronische insulineresistentie

Chronische insulineresistentie geeft wel nadelige gevolgen en moet als het kan bestreden worden. Dit kan bijvoorbeeld door het rantsoen aan te passen én het glucose verbruik te stimuleren, zoals meer beweging geven. Dat laatste kan uiteraard alleen als er nog geen sprake is van ernstige hoefbevangenheid. Daarnaast geeft verminderen van de vetmassa, oftewel vermagering, ook vermindering van insulineresistentie. Voor PPID is een medicijn beschikbaar die ervoor zorgt dat er minder corticosteroïden worden geproduceerd. Vermindering van insulineresistentie is dan het gevolg. Zowel bij vermagering na obesitas als bij behandeling van PPID kán het echter zijn dat de insulineresistentie niet verdwijnt. De rol van regelmatig beweging geven in de behandeling van insulineresistentie wordt nog weleens vergeten. Spieren nemen glucose op met behulp van een receptor die insulineafhankelijk is. Maar tijdens inspanning nemen de spieren ook glucose op zonder tussenkomst van insuline. Dit kan een manier zijn om de hoge glucosewaarden in het bloed te laten dalen.

Beweging

Niet alle paarden met insulineresistentie hebben langdurig hoge glucose bloedwaarden. Door de insulineproductie te laten stijgen, lukt het vaak om de glucosewaarden op een gezond peil te houden. Maar een tweede positief effect van inspanning is dat de gevoeligheid van de insulinereceptor toeneemt en de insulineresistentie dus vermindert. Voor de mens geldt als advies bij insulineresistentie (voorloper van diabetes type 2) om dagelijks 30 minuten aan sport te doen. Veel paarden in Nederland bewegen erg weinig en worden niet dagelijks getraind. Waarschijnlijk is onvoldoende beweging een zeer belangrijke factor, samen met het soms suikerrijke rantsoen én het toenemend aantal paarden met overgewicht, voor het stijgende aantal paarden met insulineresistentie!

Welke voedermiddelen zijn geschikt?

Haver, gerst, tarwe en mais zijn voedermiddelen of ingrediënten van krachtvoer met een hoog zetmeel en suikergehalte. Of het teveel is voor het paard hangt onder meer af hoeveel je voert. En dan zelfs nog hoeveel je per maaltijd voert. Voor paarden met insulineresistentie geldt een eis aan de hoeveelheid zetmeel en suikers per maaltijd van maximaal ca. 0,3 g per kilogram lichaamsgewicht. De eis is niet op nul gesteld. Ten eerste omdat er bijna geen voedermiddelen zijn die geen zetmeel of suikers bevatten, ten tweede omdat een paard wel glucose kan gebruiken, als het maar gelimiteerd is.

voeding paard
Krachtvoer: zorg dat je weet wat de samenstelling is

Krachtvoer nodig?

Basisbrok bevat meestal rond de 250 (tot 350) gram zetmeel en suikers per kilogram. De adviesdosering ligt rond de 2-3 kilogram per dag voor een paard van 600 kg. Daar zijn de gehalten aan mineralen en vitaminen op aangepast. Om de limiet van 0,3 g Z&S/kg LG/maaltijd aan te houden, zou je dit paard 3 tot 5 keer per dag moeten voeren. Bevat het krachtvoer meer Z&S dan nog vaker! De vraag is of je paard krachtvoer nodig heeft. Met alleen ruwvoer zijn veel paarden prima op een gezond gewicht te houden. Maar ook ruwvoer bevat suikers. Ruwvoer neemt een paard geleidelijk op. Daarom is de eis van 0,3 g Z&S/kg lg/maaltijd is hier niet van toepassing. Wel is er een maximale hoeveelheid suikers toegestaan in ruwvoer voor paarden met insulineresistentie. Aan het voer kan je dit niet beoordelen zonder analyse. De totale suikerfractie in de analyse mag niet meer zijn dan 10-12% van de droge stof (100-120 g/kg ds).

Body Condition Score
Bron: Bonpard

Gras

Onder bepaalde omstandigheden komen hogere gehalten voor in gras, kuilvoer en hooi. Deels ook afhankelijk van het soort gras. Gebruik voor paardenweiden speciaal samenstelde graszaadmengsels, die produceren minder suiker dan graszaden voor koeienweiden. Maar ook deze paardenweiden kunnen hogere suikergehalten krijgen, vooral als het gras stress heeft en niet kan groeien. Zoals tijdens droogte of door gebrek aan stikstof (bemesting). Omdat het niet is te meten en suikergehalten dagelijks of zelfs per uur kunnen veranderen, geldt voor paarden met insulineresistentie een streng weidebeleid. Beperkte weidegang, eventueel met graasmasker, op bepaalde uren van de dag en in geval van extra risico (droogte) geen weidegang.

Zelf rantsoen samenstellen

Dan zijn er nog de enkelvoudige voedermiddelen waar je zelf een rantsoen mee kan samenstellen of die je als extra kan geven. Ook daarvoor kijk je naar de zetmeel en suikergehalten die het bevat en de dosering die je wilt geven of het mogelijk is. Omdat je meestal combinaties maakt, zal een rantsoenberekening nodig zijn of het geheel voldoet aan de zetmeel&suiker eis, maar ook aan de mineralen- en vitaminenbehoefte van het paard.

 

Tabel Zetmeel en suikergehalte (per kg droge stof en per kg vers product) in enkelvoudige voedermiddelen
Droge stofgehalte Z&S per kg droge stof Z&S per kg vers product
bietenpulp 898 87 78 (ca 15 g in 1 kg geweekte pulp)
zemelen 883 235 208
wortelen 113 345 39
Lijnzaad 913 50 46
Plantaardige olie 995 0 0
haver 889 465 413

 

Tabel Suikergehalten in ruwvoersoorten
Droge stofgehalte per kg Suikergehalte per kg droge stof variatie
Hooi, grof 867 56 11-95
Hooi, gemiddeld 850 103 48-160
Hooi, fijn 834 124 57-197
Kuilvoer, grof 717 77 17-140
Kuilvoer, gemiddeld 667 101 27-178
Kuilvoer, fijn 565 109 11-202
Gras, standweide 177 96 32-240
Luzerne (Hartog) 830 67

 

Insulineresistentie, wat kan je wel voeren?

Omdat insulineresistentie meestal niet alleen komt en omdat het rantsoen afhankelijk is van de situatie waarin het paard zich momenteel bevindt zijn er meerdere situaties denkbaar.

Situatie 1: IR door overgewicht Om de insulineresistentie én het risico op hoefbevangenheid te verbeteren moet het paard gewicht gaan verliezen.

Minder eten en meer bewegen klinkt eenvoudig, maar blijkt in de praktijk toch een zware dobber. Het proces gaat enkele maanden duren. Dat vergt een goed aanvalsplan wat voor (met name) de eigenaar vol te houden moet zijn en succes garandeert. Niets zo frustrerend als langdurig je best doen zonder resultaat. Of met een verkeerd resultaat. Je kan namelijk een paard laten vermageren door gewoon heel weinig te voeren, maar daarmee riskeer je spierverlies, gevoeligheid voor infecties (minder weerstand), stalondeugden (verveling) en zelfs maagzweren! Het plan bevat een uitgebalanceerd dieet met beperkt energie, voldoende vezels, eiwit en mineralen en vitaminen. Omdat het rantsoen weinig energie bevat, is het automatisch ook laag in zetmeel en suikers. Een opbouwend trainingsschema vergroot de energiebehoefte, stimuleert vetzuurverbranding en verbetert de insulinegevoeligheid. Schakel geleidelijk over naar een energiearm dieet, neem daar 2 weken de tijd voor. Plotseling minder energie geven kan namelijk een vetstofwisselingsstoornis geven, en dat loopt vaak slecht af. Laat het dieet door een deskundige samenstellen. De dierenarts heeft een speciaal voer wat gemaakt is om paarden gezond te laten vermageren (Bonpard Non-obesitas). De body condition score verandert in het begin nog niet veel. Dit komt omdat het paard ook in de buik een vetreserve heeft, die je niet ziet en dus ook niet ziet verminderen. Volhouden en uiteindelijk zal ook de vetlaag onder de huid afnemen en kan je de ribben beter voelen. Laat voor de zekerheid de insulineresistentie testen om zeker te weten dat dit is verbeterd. En natuurlijk blijf je nu goed op de body condition score letten en hou je je paard lekker in beweging.

Situatie 2: IR door PPID Is PPID de boosdoener van de insulineresistentie, dan kan dit nog overgaan als je paard medicijnen krijgt.

De medicijnen genezen het paard niet van PPID, maar zorgen wel voor een betere hormonale balans en daarmee vermindering van insulineresistentie. Het medicijn is dus geen kuur maar een blijvende dagelijkse toediening. Deze paarden hebben vaak last van vermagering. Is de insulineresistentie weg dan is heel suikerarm gras of hooi niet nodig. Toch blijft het opletten met weidegang en krachtvoer. Geef een gemiddelde kwaliteit ruwvoer, hooi of droog kuilvoer (‘haylage’, droge stofgehalte rond 60-65%). En een vetrijk krachtvoer met relatief laag zetmeel en suikergehalte (minimaal 6% ruw vet en maximaal 250 g Z&S) (Bonpard Muscle).

Situatie 3: IR door veroudering.

Dit gaat meestal ook gepaard met vermagering. Door gebitsproblemen kan ruwvoer nu een probleem worden om goed te kauwen. Gras is vaak wel mogelijk. Een duivels dilemma dus. In de ochtenduren is het gras minder suikerrijk (behalve na nachtvorst). De snelheid van grasopname zal redelijk laag zijn, daarmee zijn ook minder hoge suikerpieken (en insulinepieken) in het bloed te verwachten. Maar geef naast beperkte weidegang ook extra energie in de vorm van een speciaal seniorvoer, bijvoorkeur in meerdere porties per dag. Met extra vezels, vetten plus een aangepaste dosering mineralen en vitaminen om de gezondheid en weerstand te ondersteunen. (Bonpard Senior)

Situatie 4: IR en geen andere afwijkingen (eventueel vetophoping zonder echte obesitas) kan een gevolg zijn van eerder overgewicht.

Soms verdwijnt de insulineresistentie namelijk niet. Beperking in energie en voeropname is nu niet meer nodig. Maar wel beperking in de opname van zetmeel en suikers. Wederom is weidegang een risico. Met een graasmasker verminder je de opnamesnelheid en zou je het paard toch enkele uren weidegang kunnen geven. Het hooi kan je laten analyseren. Is het hooi iets te suikerrijk (tot ca 125-135 g suiker/kg ds) dan kan dit voldoende verlagen door het ongeveer 30-60 minuten in (warm) water te laten weken. Let op dat je dan ook een vermindering krijgt van eiwit, mineralen en vitaminen. Met een berekening van de combinatie aan voedermiddelen in het totale dagrantsoen weet je wat en hoeveel je moet aanvullen. Voor situatie 2-4 is extra beweging altijd een manier om de insulinegevoeligheid te verbeteren. Een topprestatie is niet nodig, maar minimaal 30 minuten flink aan de wandel kan al bevorderlijk zijn. Alles wat meer kan is meegenomen.

Situatie 5: IR en hoefbevangenheid

Heeft het paard of de pony hoefbevangenheid dan is de mogelijkheid tot extra beweging in eerste instantie zeer beperkt. Met speciaal beslag en afhankelijk van de ernst is later werk wel weer mogelijk. In de acute fase zal de dierenarts pijnstillers geven en advies hoe en waar het paard te stallen. Omdat het paard nu een (soms zware) acute ontsteking heeft is extra zorg nodig om voldoende ondersteunende voedingsstoffen te geven. Zet nu het paard niet op een streng vermageringsdieet, maar voer het voldoende met in water geweekt ruwvoer (1,25-1,5 kg ds per 100 kg lichaamsgewicht per dag) eventueel wat extra luzerne om voldoende eiwit te geven plus een supplement met mineralen en vitaminen. Is de acute fase voorbij dan kan een te dik paard op een vermageringsdieet gezet worden. Is het paard in normale conditie, dan is “suikercontrole” erg belangrijk. Alleen producten met weinig suikers geven en de hoeveelheden in meerdere porties over de dag verdelen. Het belangrijkste blijft het ruwvoer. Probeer een geschikte kwaliteit te vinden en daar een grote voorraad van in te slaan. Geef je daarnaast een mineralen en vitaminen supplement dan kan dit een compleet rantsoen opleveren. (Bonpard Forage).

Extra supplementen

Als je zeker weet dat het paard voldoende krijgt wat nodig is, is het de vraag of extra toevoegen van specifieke voedingsstoffen (magnesium en/of chroom bijvoorbeeld) verbetering gaat opleveren van de insulineresistentie. Veel rantsoenen van paarden die weinig krachtvoer krijgen kunnen te laag zijn in sommige mineralen, vitaminen en spoorelementen. Uiteraard verdient dat verbetering. Niet van één element, maar van alle noodzakelijk voedingsstoffen. Maar bevat het rantsoen wel alle voedingsstoffen, dan is extra niet altijd beter. Als je supplementen wilt gebruiken, zorg dan dat het veilig is en niet leidt tot tekorten of overschotten van andere elementen.

 

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding
Foto’s: Anneke Hallebeek, Shutterstock

HOEFSLAG ACADEMY

Volg ons!

101,065FansLike
0VolgersVolg
6,970VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer