Tags Posts tagged with "Dierenkliniek Wolvega"

Dierenkliniek Wolvega

hooi voeding

De hooitijd is altijd een bijzonder moment voor de paardeneigenaar die zijn eigen hooi produceert en oogst. Hij moet onder meer het ideale tijdstip van hooien bepalen en oog hebben voor het drogen van het hooi. Welk hooi is geschikt voor mijn paard?

We willen allemaal het beste voor ons paard en ook het lekkerste als het even kan, vandaar dat we zo zorgzaam en kieskeurig zijn bij het bepalen van het type krachtvoer dat onze paarden eten. Hooi wordt dan soms een beetje een ondergeschoven kindje, ofschoon dit zeer onterecht is en eigenlijk een beetje een eigenaardige houding. Hooi (of andere bronnen van ruwvoeder zoals voordroog) vertegenwoordigt het belangrijkste en grootste aandeel van het dieet van het paard.

Herbivoor

Het paard is primair een herbivoor en gemaakt om gras en aanverwanten te eten. Wij geven het paard granen in de vorm van krachtvoer, maar in de natuur eten paarden geen granen. Wij mensen hebben het concept ontwikkeld om paarden granen te voeren om zo extra energie te verschaffen om arbeid te kunnen ver-richten. Ofschoon steeds meer recente studies aantonen dat paarden in behoorlijke sportcompetitie niveaus kunnen presteren, puur op hooi.

Deze studies bewijzen nog maar eens hoe belangrijk hooi in het dieet van het paard is. Een paard haalt er veel energie uit en het is een zeer veilige voedselbron, op voorwaarde dat het hooi kwaliteitsvol is en past bij jouw paard. Het ene hooi is immers het andere niet.

Op twee plaatsen

Vertering en opname van voedingsstoffen gebeurt binnen het spijsverteringsstelsel van het paard hoofdzakelijk op twee plaatsen. De dunne darm, waar vooral opname van suikers, eiwitten en vetten plaatsvindt met de hulp van spijsverteringsenzymen die geproduceerd worden door onder andere de alvleesklier en de lever en lokaal ter hoogte van de darmwand. Krachtvoer bevat veel suikers, eiwitten en vetten en wordt hoofdzakelijk in dat deel van het spijsverteringsstelsel verteerd.

De dunne darm is verantwoordelijk voor 30% van de totale vertering. De dikke darm daarentegen verteert cellulose en kan dit dankzij de darmflora die daar rijkelijk aanwezig is. Eigenlijk is het hooi de voeding voor de flora van de dikke darm. Deze flora verteert het hooi en produceert daarbij onder andere vluchtige vetzuren die door de darmwand worden opgenomen naar de bloedbaan en door het paard als energiebron worden gebruikt.

Hoofdaandeel

Vernietig de flora in de dikke darm van het paard, en het kan geen hooi meer verteren. De dikke darm van het paard is verantwoordelijk voor zo’n 45% van de vertering en vertegenwoordigt dus het hoofdaandeel.

Onze inzichten en kennis over hooi evolueren snel de laatste jaren. Het feit dat paarden competitiesport kunnen doen op een puur hooi dieet was binnen de wetenschappelijke wereld toch wel een eyeopener. Paarden halen dus meer energie uit hooi dan we vroeger veronderstelden. In retrospect bekeken is het ook logisch dat een paard super efficiënt kan omgaan met de meest natuurlijke voedingsbron in zijn dieet. Maar het ene hooi is het andere niet en het ene paard is het andere niet.

Sterk verschillende snedes

Wat hooi betreft, is het belangrijk te beseffen dat snedes sterk kunnen verschillen wat betreft eiwit- en suikergehalte, ruw vezelgehalte en verteerbaarheid. Als je met professionele hooianalyses aan de slag gaat, wat steeds meer hooiproducenten doen, dan besef je dat visuele inspectie van een hooilading en het hooi ‘voelen en ruiken’, behoorlijk onbetrouwbare manieren zijn om hooi energetisch in te schatten. Met andere woorden: lang niet alle groen en fijn hooi is hoog energetisch en lang niet al het grofstengelig hooi is ‘arm hooi’.

hooi voeding
Hooi maken
© DigiShots

Zoals altijd: meten is weten en enkel een officiële hooianalyse, die overigens tegenwoordig zeer betaalbaar is, kan zekerheid geven over de samenstelling van het hooi dat je voert. Daarbij is het uiteraard belangrijk dat de nodige referentiewaarden voor de verschillende voedingsstoffen in het hooi specifiek voor het paard geformuleerd moeten worden. Het heeft geen zin om de analyse resultaten te vergelijken met normaal-waarden voor hooi geschikt voor runderen.

Vooral het verteerbaar suiker- en eiwitgehalte in het hooi verdienen aandacht. Hoe hoger deze zijn, wat je vooral zal aantreffen in hooi dat vroeg geoogst is (begin juni), zonder dat het gras in de aren is geschoten, hoe voorzichtiger je ermee moet omspringen. En daarmee willen we zeker geen pleidooi lanceren om enkel arm, in de aren geschoten hooi aan paarden te voederen. Integendeel! Dat zou een gemiste kans zijn. De kunst bestaat er juist in om het juiste hooi op het juiste moment te voeren aan het juiste paard.

Rasverschillen

Er zijn belangrijke rasverschillen wat betreft energiebehoeften. Sommige rassen, zoals Shetlanders, IJslanders en Fjorden hebben hun natuurlijke habitat in zeer onherbergzaam, koud en voedselarm gebied. Het mag dan ook niet verbazen dat de natuur hen heeft uitgerust met een super efficiënt en spaarzaam energie opname- en verbruiksysteem. Zij zijn ertoe in staat om als een spons alle energie weg te zuigen uit een zeer arme energiebron. Ze kunnen in feite dik worden van arm hooi en worden ook wel ‘easy keepers’ genoemd.

Dat is prachtig en komt enorm van pas als je verblijft in de Schotse Hooglanden, maar dat is toch wel een puntje dat aandacht verdient als je in Nederland woont en elke dag graast op een sappige groene weide.
Aan het andere uiterste staat de volbloed. Die jaagt de energie er doorheen, net als een straalmotor. Het Friese paard zit daar ergens middenin, met toch wel de neiging tot ‘easy keeper’. Dat wil zeggen dat het dieet van het Friese paard zeker niet gericht moet zijn op het laten draaien van een straalmotor, maar eer-der gematigd energetisch dient te zijn, met een rijkelijk aandeel ruwvoer zoals hooi.

Equine metabool syndroom

De hooikeuze wordt nog belangrijker als het paard te kampen heeft met bepaalde problemen, zoals EMS (equine metabool syndroom) of spierproblemen. Paarden met EMS zijn gevoelig voor het verzamelen van vet in specifieke gebieden van het lichaam (meestal de nek, staartaanzet, schouder en liesstreek) of zijn gewoon algemeen zwaarlijvig. Vooral rassen die behoren tot of die genetisch materiaal in zich dragen van ‘easy keepers’ komen hiervoor in aanmerking. Helaas is het zo, dat net zoals zwaarlijvigheid bij de mensen een echte epidemie lijkt te worden, we dat ook met toenemende mate zien optreden bij paarden, honden en katten.

Tot een tiental jaren geleden dacht men dat al dat vet gewoon een inerte energiereserve was, die daar als een dikke speklaag werkloos lag te wezen. Nu weet men wel beter. Onderzoek heeft aangetoond dat over-matig vetweefsel een massa hormonen produceert en stoffen die ontstekingen uitlokken overal in het lichaam.

Minder onschuldig

Overgewicht is dus veel minder onschuldig dan het vroeger leek en de wetenschap dat het overmatige vet-weefsel massa’s stoffen produceert die het hele lichaam beïnvloeden, is meteen de verklaring waarom zwaarlijvige mensen grotere kans hebben op diabetes type 2, aderverkalking, kanker, vroegtijdige sterfte, etc. Ook bij paarden neemt de kennis over de gevolgen van zwaarlijvigheid toe, ofschoon dit nog in de kinderschoenen staat.

Paarden met EMS zijn zeer gevoelig voor het ontwikkelen van onder andere hoefbevangenheid. In ieder geval is het zo dat paarden met EMS enkel baat hebben bij vezelrijk hooi, arm aan suikers en eiwitten. Eigenlijk is het essentieel om bij deze paarden met een hooianalyse te werken en zelfs het hooi te wegen. Je kan tegenwoordig overal een weeglus kopen waaraan je je vliegtuigbagage kan hangen om te wegen. Deze kan je vlot gebruiken om hooi te wegen.

Paarden met EMS volstaan met 1.5% van hun lichaamsgewicht aan hooi iedere dag. Het hooi kan het beste in een slow feeder aangeboden worden, zodat de opname verspreid over de dag gebeurt. Er kan voor gekozen worden om vitamine en mineralen korrels (balancer) bij te voederen. Krachtvoer is voor deze paarden af te raden. Eerdere studies hebben aangetoond dat het weken van hooi in water een hulpmiddel is om de suikers uit het hooi te wassen. Echter, recente studies hebben aangetoond dat hiermee voorzichtig moet worden omgesprongen en dat het weken geen garantie biedt voor het uitspoelen van de suikers. De effectiviteit van het water weken verschilt sterk tussen hooi ladingen.

Spierproblemen

Net als paarden met EMS, zijn paarden met spierproblemen gevoelig voor hoog energetisch hooi, rijk aan suikers en eiwitten. Niet zelden is er een genetische achtergrond. Deze paarden hebben een defect in de verdeling en de verwerking van koolhydraten en accumuleren polysachariden in de spier, waardoor ze gevoelig zijn voor ontwikkeling van spierproblemen. Bij de aanzet van arbeid wordt onder andere veel melk-zuur geproduceerd met alle gevolgen van dien. Een dergelijk type paard heeft baat bij een vetrijk (13% vet) en zetmeel arm dieet (minder dan 10%) in combinatie met vezelrijk arm hooi.

Ook bij deze paarden kan het weken van hooi in water nuttig zijn. Verder is beweging en geleidelijke op-bouw van training van groot belang voor deze paarden. Vooral in deze periode van het jaar kunnen problemen ontstaan bij dergelijk type paarden, als zij bijvoorbeeld heel het jaar door dezelfde krachtvoer mengeling krijgen, maar nu plots een rijke snede hooi krijgen voorgeschoteld, met erbovenop weidegang. Omgekeerd kan alleen een hooidieet met het rijkere hooi in combinatie met maïsolie ook een veilige op-lossing zijn voor deze paarden. Hooianalyse is wederom aan te raden.

hooi voeding
© DigiShots

Tot slot

Als je hooi kiest voor je paard, besteed dan duidelijk aandacht aan de kwaliteit van het hooi, mits het hooi het hoofdbestanddeel van het dieet van het paard is. Beschimmeld hooi is uit den boze. Bovendien is zicht hebben op de energetische waarde van het hooi zeer belangrijk. Bij aankoop van grote ladingen of hooi voor probleempaarden is een hooianalyse echt aan te raden.

Tot slot is het belangrijk te beseffen dat kruidig hooi niet altijd kwaliteitsvol hooi is. Het is zeer belangrijk daarin een betrouwbare leverancier te hebben en zeker te zijn dat er geen toxische planten in het hooi zit-ten zoals Sint-Jacobs Kruiskruid, kattestaart, digitalis of wolfsmelk. Bij twijfel is het verstandig de blad-vorm van het gedroogde materiaal te vergelijken met beelden die te vinden zijn op internet, dat kan een handig hulpmiddel zijn.

Tekst: Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten paard. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega. Prof. Delesalle is verbonden aan de Universiteit Gent en de Universiteit Utrecht. Haar onderzoeksgroep focust zich op inspanningsfysiologie.

Beeld: DigiShots

 

 

Koliek
Koliek

Koliek kan soms alles meevallen, maar blijkt vaak een ware nachtmerrie, met meer dan eens een dodelijke afloop voor het paard. Voorkomen is beter dan genezen. En goed management speelt een belangrijke rol. In deze aflevering van de serie gemaakt door Dierenkliniek Wolvega wordt hier nader op in gegaan.

Management

Als dierenarts zien we pieken in het voorkomen van koliek in het voor- en najaar. Grootschalige epidemiologische studies hebben al aangetoond dat dat overal zo is in de wereld. Het bewijst dat veranderingen in het management een grote impact hebben. In het voorjaar gaan de paarden plots op de weide, wat een enorme verandering betekent in hun dieet.

Risicofactoren in najaar en winter

Paarden eten immers gras de klok rond. In het najaar keren ze terug naar de stal of verblijven ze op een schralere winterweide. Dit wordt opgelost door bij te voeren, maar klaarblijkelijk loopt dat niet altijd van een leien dakje. In dit artikel gaan we dieper in op enkele van de risicofactoren die we in het najaar en winter zien en wat men als eigenaar kan doen om het risico op koliek te verlagen.

Bloedworm

De rode of kleine bloedworm veroorzaakt tegenwoordig de meeste worminfecties en bijbehorende ziekte bij het paard.

Cyathostominae – beter bekend als de rode of kleine bloedworm – veroorzaken tegenwoordig de meeste worminfecties en bijbehorende ziekte bij het paard. De besmetting met deze parasiet vindt plaats op de weide en dus doorgaans in de zomer. Hoewel deze infectie gedurende het volledige jaar tot ziekte tekenen kan leiden, situeert het grootste gevaar zich in het najaar en de winter.

Diarree

Een deel van de larven die opgenomen worden, blijven slapend aanwezig in de wand van de dikke darm. Deze inkapseling vindt vooral plaats tijdens het grazen in het najaar. Gedurende de winter kunnen deze ingekapselde larven massaal vrijkomen met vermageren, terugkerende koliekepisodes en/of hevige tot fatale diarree.

Wormpreventie

Om deze problemen te voorkomen is een degelijke wormpreventie gedurende het volledige weideseizoen tot het opstallen essentieel. De noodzaak, frequentie en keuze van ontwormingsmiddelen is afhankelijk van de besmettingsgraad van uw weide, de leeftijd en de individuele gevoeligheid voor worminfecties van uw paard. Dit kan het beste in overleg met de eigen dierenarts gedaan worden.

Extra aandacht voor risicovolle groepen

Jonge paarden, oude paarden en drachtige paarden vormen hierbij de risicopopulatie. Zij verdienen extra aandacht. In het kader van de bestrijding van resistentie ontwikkeling tegen ontwormingsmiddelen speelt ook correct weidemanagement een belangrijke rol. Regelmatig omweiden of het weideperceel in stukken verdelen zijn strategische maatregelen die de parasitaire druk kunnen verminderen, zonder overmatig gebruik van ontwormingsmiddelen.

Spoelworm en lintworm

Andere worminfecties die kunnen leiden tot koliek zijn Parascaris equorum (spoelworm) wat kan leiden tot obstructie van de dunne darm bij voornamelijk paarden jonger dan één jaar en Anaplochephala perfoliata (lintworm) wat geassocieerd is met ileocecale invaginatie (een segment van de darm schuift in het daaropvolgende segment). Deze laatste twee worminfecties zijn niet specifiek verbonden aan het najaar en de winter, maar de daaruit volgende koliek vereist doorgaans wel een (spoed)operatie die geen garantie op overleving biedt.

Verstopping of obstipatie

Het spijsverteringskanaal van het paard (Foto Voervergelijk.nl)

Een andere vaak geziene – doch veelal minder ernstige – oorzaak van koliek zijn verstoppingen (obstipaties) van de dikke darm. Hierbij is de inhoud in (een deel van) de dikke darm uitgedroogd, waardoor de darminhoud niet verder kan opschuiven. De combinatie van verminderde wateropname, verandering in dieet en verminderde lichaamsbeweging zorgt er voor dat obstipatiekoliek vaker gezien wordt in de herfst en winter dan in de rest van het jaar.

Verlaagde wateropname

Een verlaagde wateropname is een belangrijke risicofactor voor obstipatiekoliek. Een constante toegang tot vers water is essentieel om uitdroging te vermijden. Bij vriesweer is het dus noodzakelijk om watertonnen regelmatig te controleren op bevriezen. Het aanbrengen van een drijvende bal, automatische circulatiesystemen of warmtebronnen kan gebruikt worden om bevriezen van het drinkwater te vermijden.

Eén van de manieren om het bevriezen van drinkwater in de winter te voorkomen is een drinkbak met verwarmsysteem.

Ook bij automatische waterbakjes dient men regelmatig het debiet te controleren: een te klein debiet leidt tot een verminderde wateropname. Houdt er rekening mee dat een gemiddeld paard 25 liter water per dag drinkt en dat dit snel oploopt wanneer het paard vocht verliest bij het sporten. De wateropname van een paard kan verhoogd worden door het aanbrengen van wat zout op het krachtvoer.

Verandering van dieet

Een tweede risicofactor voor obstipatie – en koliek in het algemeen – is de verandering van dieet. In de herfst is er doorgaans een switch van vers weidegras naar hooi/ voordroog als ruwvoer. Bijgevolg krijgt het paard minder water binnen via het dieet. Wanneer het paard bovendien grote hoeveelheden stro – of erger: vlas – binnenkrijgt vergroot de kans op verstoppingen. Om de overmatige opname van stalbedekking te vermijden, is een voldoende grote hoeveelheid ruwvoer noodzakelijk.

Het belang van ruwvoer

Paarden krijgen bij voorkeur onbeperkt hooi of voordroog, ze kunnen de hele dag ruwvoer eten. De minimale hoeveelheid ruwvoer is afhankelijk van het vochtigheidspercentage, maar ligt tussen de 10 kg voor hooi en 6 kg voor (erg natte) voordroog voor een paard van 500 kg. Om overmatige opname van ruwvoer te voorkomen en het paard heel de dag te laten eten, kan het gebruik van een hooinet of slowfeeder overwogen worden.

Bietenpulp en lijnzaad

Paarden die gevoelig zijn voor obstipatiekoliek hebben baat bij het voeren van geweekte bietenpulp. Bietenpulp is relatief laag in energie en naast het opgenomen water in de geweekte vorm, trekt bietenpulp indien nodig ook water uit de rest van het lichaam naar de darm. Lijnzaad is eveneens een geschikt laxatief: twee koffiekopjes ontsloten lijnzaad per dag op het voer.

Beweging

Verder bevinden onze gedomesticeerde paarden zich tijdens de winter veelal het grootste deel van de dag op stal. De verminderde lichaamsbeweging die deze paarden krijgen in de winter heeft een negatieve invloed op de beweeglijkheid van de darm en verhoogt op die manier ook de kans op verstoppingen. Worminfecties kunnen de darmwand beschadigen, wat eveneens een negatieve invloed heeft op de beweeglijkheid van de darm. Droge mest in de stal is een belangrijk signaal dat obstipatiekoliek op de loer ligt.

Zandkoliek

Een laatste vorm van koliek die geassocieerd is met het najaar en de winter is zandkoliek. Wanneer paarden regelmatig zand of aarde opeten, kan dit leiden tot irritatie van de darm en bijbehorende diarree of ophoping van zand met zelfs verstopping tot gevolg. Paarden kunnen verbazend grote hoeveelheden zand tot zich nemen wanneer ze bijvoorbeeld grazen op een schrale weide. Kortgegraasde weides en paddocks verhogen het risico op overdreven zandopname. Wanneer het gras op de weide bijna op is of wanneer de paarden op zand gehouden worden in de winter, dient men de dieren de klok rond toegang te geven tot ruwvoer.

Bijvoeren

Indien mogelijk wordt voeren van de grond vermeden door middel van hooinetten of outdoor hooiruiven of eventueel door te voeren op een harde, zandvrije ondergrond. Hierbij dient men rekening te houden met hiërarchie binnen de groep gehouden paarden. Bij voorkeur worden minimaal twee voerplekken gemaakt, zodat ook dieren die lager in rang staan ruwvoer kunnen opnemen.

Hooi of voordroog kan eveneens een belangrijke hoeveelheid zand/aarde bevatten wanneer maaimessen te lang werden afgesteld bij oogsten. Bij een analyse van het hooi wijst een hoog percentage ruwe as op de aanwezigheid van overdreven gehaltes zand/aarde.

Psylliumvezels

Indien het risico op zandopname hoog is, kan men overwegen psylliumvezels te supplementeren. Deze kunnen in grotere hoeveelheden worden toegediend door de dierenarts via een neusslokdarmsonde of door de eigenaar worden vermengd met het krachtvoer van het paard op dagelijkse basis, vaak in kuren van een veertiental dagen. De opname van het pure zaadproduct door het paard kan soms problemen geven, daarom zijn er ook commerciële psylliumpoeders beschikbaar om de opname makkelijker te maken. Psyllium zal in de darm, door de vochtige omgeving, een soort gel vormen die de darmwand beschermt tegen het schurende effect van zand en zand capteert en zo helpt het opgenomen zand via de mest af te drijven.

Tips om koliek te vermijden

• Besteed aandacht aan correct anti-parasitair management. De resultaten zullen lonend zijn. Een koliekoperatie is een dure aangelegenheid en een spijtige zaak in het kader van dierwelzijn als het gaat om parasitaire oorzaken.
• Voorzie de paarden van voldoende beweging, ook in het najaar.
• Kijk uit met weidegang op een schrale weide. Verschaf de paarden een goede kwaliteit ruwvoer op een doordachte plaats tijdens weidegang om overdreven opname van zand te vermijden.
• Houd de mest van het paard goed in de gaten. Te droge mest en aanwezigheid van zand in de mest, wat je soms pas kan zien bij het stuk maken van de mestballen, zijn tekenen om meteen adequaat te reageren.
• Zorg voor voldoende fris en niet bevroren drinkwater. Een paard is kieskeurig. Tandproblemen kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat net zoals wij, een paard niet houdt van ijskoud water.

Mestonderzoek

Met een plastic handschoen is het makkelijk testen of er zand in de mest zit. Doe er wat mest in, vul de handschoen deels met water en laat dit een tijdje met de vingers naar beneden hangen. Het zand zakt vanzelf naar de vingertoppen.

Over de auteurs

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten. Delesalle is verbonden aan de Universiteiten van Utrecht en Gent. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega.

Tekst: Marco De Bruijn en Cathérine Delesalle
Foto’s: voervergelijk.nl, Jacob Melissen, internet

Overname zonder bronvermelding én schriftelijke toestemming van de auteurs niet toegestaan

0 3952
Aquatrainer
Aquatrainer

Pees revalidatie? Of wil je je paard sterker maken? Een aquatrainer kan uitkomst bieden. Dierenkliniek Wolvega zet in dit artikel haar visie omtrent dit onderwerp uiteen

Optimalisatie

Aquatraining wordt ingezet voor talrijke toepassingen, bijvoorbeeld revalidatie na een orthopedisch chirurgische ingreep, spier en conditie opbouw en optimalisatie van gang en houding en gerichte aanpak van rugproblemen. Het is belangrijk de locOomotiecyclus van een paard te begrijpen om de meerwaarde van de aquatrainer in te zien.

Opwaartse beweging

Als het paard zijn achterbenen optilt en naar voren plaatst, moet het tegelijkertijd zijn bekken kantelen (roteren) en naar boven bewegen om dit mogelijk te maken. Dit leidt tot een opwaartse beweging van de laatste lendewervels. Van daaruit ontstaat dan als het ware een op- en neerwaartse golf over de hele wervelkolom, die loopt in de richting van het hoofd van het paard. Als deze golf zich feilloos voortplant over het verloop van de hele rug, zal het paard de voorbenen in de meest optimale omstandigheden kunnen bewegen. Hoe groter de rotatie die optreedt ter hoogte van het bekken, hoe groter de flexiegolf die optreedt in de rug.

Pijn in de rug

Wanneer er een hoge tonus heerst in een bepaalde groep spieren ter hoogte van de rug, zal het paard pijn ondervinden bij het strekken van de rug. Het paard ondervangt dat door het hoofd en de hals hoog te dragen en het bekken achterwaarts te kantelen. Als het ware een holle rug maken. Paarden met rugpijn hebben vaak problemen met het ontwikkelen van een voor- en neerwaartse beweging van hoofd en hals en hebben moeite met het plaatsen van de achterhand onder het lichaam. Men zegt soms: het paard toont zich niet rond en heeft moeite met verzamelen. Bij rugpijn bereikt de golf die zich voortplant over de rug vertrekkende vanuit het bekken, finaal de schoft niet. Daardoor kan het paard de voorbenen minder mooi naar voren brengen. Rugpijn geeft dus vaak aanleiding tot een stugge gang. Langdurige extensie van de rug (holle rug) geeft aanleiding tot nog meer rugproblemen en eventueel ook orthopedische problemen.

Wetenschappelijk onderzoek

Er zijn al flink wat studies voorhanden in de wetenschappelijke literatuur die het effect hebben geëvalueerd van de aquatrainer op beweging van het paard. Eigenlijk zijn er essentieel vier belangrijke factoren die aangepast kunnen worden in een aquatrainer: de temperatuur van het water, de snelheid van de loopband, de hoogte van het water en de duur van de training. De persoon die de aquatrainer bedient, kan daarmee variëren naargelang het paard en het doel dat men beoogt. Er is zeker nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek verricht om voor alle vier de factoren de meest optimale parameters voor een individueel paard te kennen en toe te passen. De ervaring groeit door toenemende inzet van aquatrainers in de praktijk. Concreet, bij toenemende waterhoogte tonen paarden een meer uitgesproken rotatie van hun bekken en flexie van de rug. De paarden proberen als het ware over het water heen te stappen en dit leidt tot het gebruik van juist die spieren en aannemen van juist die houding die zorgt voor een optimale locomotie. Verder zorgt de weerstand van het water ervoor dat paarden grotere passen gaan nemen bij eenzelfde snelheid van de loopband als wanneer er zich geen water in de aquatrainer bevindt. De pas frequentie neemt daarbij af, naarmate de hoogte van het water toeneemt. Zo ook de paslengte. Het paard kan dit weerom enkel bereiken door het bekken te kantelen en de rugspieren te verlengen. Er zijn nog andere factoren die een invloed hebben op de paslengte, maar de waterhoogte heeft toch wel een zeer belangrijke invloed.

Aquatrainer

De hoogte van het water heeft ook een invloed op de impact die de hoef ondervindt tijdens het lopen. Hoe hoger de waterstand, hoe ‘lichter’ het paard en hoe geringer de impact is die de hoef ondervindt bij contact met de loopband. Dit is een belangrijk voordeel wanneer je een paard met orthopedische problemen wil laten bewegen zonder al te veel belasting van de voet. Bij een waterhoogte op elleboogniveau dragen de voeten slechts 90% van het lichaamsgewicht. Bij een waterhoogte op niveau van de zitbeenderen is dat zelfs slechts 25%. De kunstmatige ‘gewichtsreductie’ is een interessant gegeven en een belangrijke eigenschap die enkel gecreëerd kan worden met een aquatrainer. Het koele water zou ontstekingsreacties onderdrukken en ontzwellend werken, op dezelfde manier als dat we een gezwollen been meerdere malen per dag afspuiten met de tuinslang. Het is ook al aangetoond dat de mate van flexie en extensie die de rug toont tijdens bewegen, afneemt met toenemende leeftijd bij paarden. Zeker ook oudere paarden hebben bijgevolg wellicht baat bij aquatraining.

Na een trainingssessie met de aquatrainer wordt het paard onder het solarium gezet, voor het teruggaat op stal.

Extra spieropbouw

Aquatraining kan ook gezien worden als een soort powertraining. Het gaat om het verrichten van arbeid tegen een weerstand. Welke spieren daarbij vooral tot ontwikkeling komen, bij gebruik van verschillende loopsnelheden en hoogtes van het water, is nog niet duidelijk. Daarover voeren we op dit moment onderzoek uit met onze onderzoeksgroep. Uiteraard is het veel makkelijker om visueel spieropbouw te zien bij een paard dat maanden lang heeft stilgestaan omwille van een orthopedisch probleem en waarbij alle spieren zijn weggesmolten. Het is veel moeilijker om extra spierontwikkeling te zien bij goed getrainde en gespierde paarden die aquatraining volgen om nog meer power en een nog soepelere houding te ontwikkelen. Doel daarbij is ook de spieren van de rug dusdanig te versterken dat het paard in kwestie minder gevoelig wordt voor ontwikkeling van sport gerelateerde letsels. De snelheid van de loopband en de hoogte van het water worden voor ieder individueel paard bekeken en bijgesteld. Wat voor het ene paard een tripje is met twee vingers in de neus, is voor een ander paard noeste arbeid. Ook het probleem waarmee het paard kampt, zal mede de optimale snelheid en hoogte van het water bepalen. Als een paard bijvoorbeeld niet gebalanceerd kan lopen bij een snelheid van 4.0 km/h, dan moet de snelheid teruggeschroefd worden. Vervolgens kan dit weer opgebouwd worden als het paard in balans en correct loopt met goed gebruik van de rug. Zo bouwt men de training op voor ieder individueel paard. Hetzelfde geldt voor de hoogte van het water. Ook deze kan bijgesteld worden over het verloop van
de training. Kortom, we beginnen de meerwaarde van aquatraining steeds meer te ontdekken. Een elegante en veelbelovende techniek.

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten. Delesalle is verbonden aan de Universiteiten van Utrecht en Gent. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega.

Tekst: Cathérine Delesalle, Marco de Bruijn en Don van de Winkel
Foto’s Stal Oud Beets

0 7210
Management beweging
Beweging is belangrijk voor het jonge veulen

De managementaanpak rond voeding en training vormt de sleutel om een beloftevolle atleet tot zijn maximale potentieel te laten uitgroeien. Genetica en lichaamsbouw zijn daarbij zeer belangrijke factoren voor een veulen om uit te groeien tot een topatleet. Dat weet iedere fokker.

Drachtige merrie
Drachtige merrie

Invloed tijdens dracht

Recent onderzoek heeft aangetoond dat het dieet van de merrie tijdens de dracht wel degelijke een belangrijke invloed heeft op het veulen, ook na de geboorte. Blijkbaar bestaan er een aantal cruciale episodes tijdens de dracht, welke voedingsvoorwaarden voor de merrie een rechtstreekse rol spelen in het wel of niet ontstaan van gezondheidsproblemen in het latere leven van het veulen. Zo zou een tekort aan koper een rol spelen in het latere ontstaan van OCD bij het veulen. Ook de hoeveelheid energie en de vorm waaronder die wordt aangeboden in het dieet van de drachtige merrie en later van het opgroeiende veulen, speelt een rol in het latere ontstaan van eventuele insulineresistentie.

Voedingsstatus merrie

Om het helemaal ingewikkeld te maken, heeft ook de voedingsstatus van de merrie (te dik of te dun) en haar genetische blauwdruk invloed op de insulinegevoeligheid van het veulen. Dit is op een heel elegante manier aangetoond in embryotransferstudies, waarbij dravers geboren uit ponymerries, insulinegevoeliger waren, terwijl pony’s geboren uit trekpaarden minder insulinegevoelig waren. Weliswaar was het effect één jaar na de geboorte niet meer meetbaar, toch denkt men dat de voeding en voedingsstatus van de merrie wel degelijk lange termijn invloed heeft op het latere suikermetabolisme van het veulen. Dit is toch wel een belangrijk gegeven om rekening mee te houden bij het management van de drachtige merrie. Blijkbaar spelen genetische factoren dus een belangrijke rol, maar evenzeer omgevingsfactoren. Met een moeilijk woord noemt met dat ‘epigenetica’.

Management voeding

Ook het voorkomen van OCD zou kunnen worden beïnvloed door diëtaire aanpassingen in het rantsoen van de merrie en het opgroeiende veulen. OCD is deels erfelijk bepaald, echter in welke mate dit plaats zal vinden in een bepaald veulen, hangt sterk af van de voeding en beweging van het veulen. Een goed uitgebalanceerd rantsoen en de juiste types energievoorziening tijdens de dracht en in het jonge leven, kan een preventief effect hebben op het ontstaan van OCD. Zo zou OCD in de hand gewerkt worden door diëten die gepaard gaan met hoge bloedsuikerspiegels. En het is algemeen bekend dat het ene paardenras op eenzelfde dieet met veel hogere bloedsuikerspiegels kan reageren dan een ander paardenras. Rantsoenen die hoge bloedsuikerspiegels uitlokken na opname, zijn zeer onnatuurlijk voor een diersoort die door de natuur ontworpen is om permanent te grazen. De hoge bloedsuikerspiegels lokken hormonale reacties uit die een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van beenderen. Ook een relatief te snelle groei, vooral ten tijde van een niet goed uitgebalanceerd dieet (koper en andere mineralen), zou de ontwikkeling van OCD in de hand kunnen werken.

Okfok jonge paarden
Okfok jonge paarden

Spiervezeltypes

Ieder paardenras heeft zijn eigen unieke samenstelling wat betreft spiervezeltypes. Arabisch volbloeden bijvoorbeeld zijn dé endurancepaarden bij uitstek en hun spieren zijn hoofdzakelijk opgebouwd uit ‘marathon spiervezels’. Quarter horses zijn net het tegenovergestelde en zijn te vergelijken met humane sprint atleten (korte explosieve arbeid). De verschillende spiervezeltypes worden tijdens verschillende periodes in de dracht aangemaakt en ondervoeding in een specifieke periode kan leiden tot onderontwikkeling van dat type spiervezel.

Anti-oxidanten

Bij kinderen is uit onderzoek gebleken dat voldoende anti-oxidanten in de voeding tijdens de zwangerschap het ontstaan van luchtwegproblemen in het latere leven, zoals astma, verminderen. De aanmaak van een gave belijning van de longblaasjes en de aanmaak van voldoende elastische vezels in de longen, hangt af van voldoende beschikbaarheid van vitamine A en vetzuren in het dieet tijdens het opgroeien. Ook hebben bepaalde vetzuren een belangrijke rol in het ontwikkelen van het zenuwstelsel en de hersenen. Na de geboorte is het van belang dat de voeding past bij de groei en ontwikkelsnelheid van de verschillende organen. Snel groeiende veulens maken bijvoorbeeld meer bot aan en hebben derhalve meer calcium, fosfor en lysine (essentieel aminozuur) nodig.

Gedegen studies?

Te weinig of slechte kwaliteit voeding is een beperkende factor in de ontwikkeling van een individueel paard. En steeds meer en meer komt de wetenschap tot het besef dat deze voedingsbehoeften voor verschillende paardenrassen en te beoefenen sporttakken geen eenheidsworst zijn. Onze inzichten wat dat betreft staan nog maar in de kinderschoenen wat paarden betreft, iets wat je soms zou betwijfelen als je kijkt naar het steeds toenemend aanbod ‘speciale’ krachtvoeders die door firma’s worden aangeboden, zelden door gedegen studies onderbouwd, maar handig gekopieerd uit het gezelschapsdieren ideeën pakket. De wetenschap kijkt naar hoe we de voeding van verschillende leeftijden, rassen en disciplines kunnen optimaliseren. Bij gezelschapsdieren is men wat dat betreft al een heel stukje verder gevorderd met individueel aangepaste rantsoenen voor verschillende leeftijdscategorieën (junior versus senior) en frequent aangetroffen kwaaltjes (overgewicht, gevoelig maagdarmstelsel, gevoelige gewrichten, etc.).

Verlagen zetmeel en suiker

Recent onderzoek heeft aangetoond dat sterk emotionele paarden en paarden die overwegend angstig reageren op nieuwe prikkels, minder goed lijken te scoren in leerprocessen. Uiteraard speelt de genetische achtergrond een belangrijke rol in het karakter dat getoond wordt door een paard. We weten allemaal dat bepaalde familiale lijnen bericht zijn om hun ‘heet’ gebakerde paarden. Daarnaast wordt het karakter van het paard gevormd door zijn omgeving en de ervaringen die het opdoet tijdens het leven. Maar wat nieuw is, is dat voeding blijkbaar ook zijn invloed heeft. Er zijn wetenschappelijke aanwijzingen dat het verlagen van de zetmeel en suiker inname en het geven van een rantsoen rijk aan olie en vezels, leidt tot minder gestreste en kalmere veulens na het spenen. Deze veulens zijn ook meer onderzoekend in een reeks van temperamenttesten. Docosahexaenoic acid (een omega 3 vetzuur) is belangrijk voor de hersenfunctie en wordt snel opgestapeld in de hersenen van het ongeboren veulen tijdens het laatste deel van de dracht. Het lijkt noodzakelijk te zijn voor een optimale hersenontwikkeling. Men weet echter nog niet of supplementatie ervan veulens oplevert met positief gedrag.

Ideale eiwitsamenstelling

Ook de ideale eiwitsamenstelling voor groeiende veulens is voer voor onderzoek. Welke aminozuren zijn essentieel en welke zijn als eerste de limiterende factor? Een ander terrein van onderzoek is het microbioom. Dit is de samenstelling van de darmflora en de verschillende soorten voeding en supplementen die de darmflora kunnen beïnvloeden. Het bestuderen van de samenstelling van de darmflora laat zien dat veulens reeds vanaf de leeftijd van twee weken vezels kunnen verteren, naast merriemelk. De volledige capaciteit hiervoor wordt op een leeftijd van twee maanden bereikt. Bij andere diersoorten, maar ook bij de mens, blijkt dat het belangrijk is dat de juiste darmflora zich op vroege leeftijd in kan stellen. Het uitstellen of ontbreken hiervan kan leiden tot allergieën en immuun gemedieerde darmaandoeningen op latere leeftijd.

Paarden in de wei
Paarden in de wei

Sportieve carrière

De belangrijkste oorzaak voor het vroegtijdig beëindigen van een sportieve carrière van een paard zijn sportblessures, zoals pees-, spier- en gewrichtsletsels. Het is zeer belangrijk dat een paard in voldoende mate en op professionele manier wordt getraind en voorbereid op de competitie waaraan het moet deelnemen. Hoe minder oordeelkundig de voorbereiding, hoe groter de kans op blessures. Onderzoek heeft nu ook aangetoond dat de beweging die een paard heeft gehad tijdens de opgroeiende jaren, evenzeer een belangrijke invloed heeft.

Gewrichten veulens

Onderzoek naar de microstructuur van de gewrichten van veulens, heeft aangetoond dat veulens die permanente weidegang hebben gehad in hun jeugd, de sterkste gewrichten en beenderen ontwikkelen. De veulens die permanente boxrust kregen in dat onderzoek, hadden een duidelijk inferieur rijpingsproces van hun beenderen en gewrichten. Een vervolgonderzoek heeft de effecten van vroegtijdige training op de beenderen en gewrichten van jaarlingen onderzocht. Hieruit bleek dat vroegtijdige vakkundig gedoseerde training resulteerde in gezondere kraakbeencellen, een gevorderde rijping en sterkere botten. Dezelfde effecten werden gezien in de buigpezen. De pezen van veulens met veel weidegang en vroege training waren dikker en van betere kwaliteit.

Belasting

Dit is toch wel een eye opener voor veel paardeneigenaren. De verleiding is vaak groot om pasgeboren veulens langere tijd op stal te houden, of als ze juist zeer vroeg in het seizoen geboren worden, juist permanent op stal te houden, omwille van slechte weersomstandigheden. Botten, spieren, pezen en banden zijn geen statische onveranderlijke structuren, maar remodelleren continu onder invloed van belasting. In tegenstelling tot wat je zou denken, is bot geen structuur met een homogene en constante samenstelling, maar reageert het op verschillen in belasting. Daar waar de belasting in een gewricht het hoogst is, heeft het bot en het kraakbeen de sterkste en meest compacte inwendige structuur. Dit wordt reeds in de eerste vijf levensmaanden bewerkstelligd. Vroeg bewegen en veel bewegen is dus het advies.

Maagdarmkanaal

Elk trainend paard heeft een rantsoen nodig dat voldoende vezels (ruwvoer) bevat voor een normaal functionerende dikke darm, voor normaal kauwgedrag en het voorkomen van stereotypieën. Daarnaast dient het rantsoen voldoende energie te leveren om aan de dagelijkse energiebehoeftes te voldoen en voldoende essentiële nutriënten te bevatten zoals aminozuren, vitamines en mineralen. Het paard is van nature een continu grazer, niet herkauwend en een typische dikke darm verteerder van ruwvoer. Hiervoor vertrouwt hij op een goed functionerend gebit wat in korte tijd ruwvoer zeer fijn kan malen. Om het maagdarmkanaal gezond en normaal functionerend te houden en om ongewenst gedrag in de vorm van stereotypieën en stress te voorkomen is een minimum van 15 gram droge stof/kg gewicht/dag nodig. Veel van onze topsportpaarden (renpaarden, springpaarden, polopony’s) komen hier zeker niet aan, maar ook veel van de recreatief gehouden paarden niet.

Snel vrijkomende koolhydraten

Studies in Zweden hebben aangetoond dat dravers op een acceptabel niveau kunnen trainen en racen op een puur ruwvoerrantsoen van hoge kwaliteit, zonder één gram krachtvoer dus. Kunnen onze topsportpaarden in andere disciplines (eventing, volbloed renpaarden, springpaarden) hun niveau volbrengen op een dergelijk rantsoen? Een mooie onderzoeksvraag voor de toekomst. Een paard is gemaakt om de hele dag door kleine beetjes ruwvoer tot zich te nemen. Het in maaltijden voeren van relatief grote hoeveelheden snel vrijkomende koolhydraten in krachtvoeders, afgewisseld met lange periodes zonder eten, is dus volstrekt onnatuurlijk. Het is dus niet verwonderlijk dat de prevalentie van maagzweren in onze sportpaardenpopulatie hoog is.

 

Sportfysiologie

De maag van een paard produceert continu maagzuur, ook wanneer deze leeg is. Ook de bufferende werking van speeksel dat vrijkomt bij kauwen, ontbreekt tussen de maaltijden door. Na de maag komt twaalf tot veertien meter dunne darm die maar zeer beperkt zetmeel kan verteren (mais is dus minder geschikt voor een paard). Een relatief grote hoeveelheid koolhydraten komt dan in de blinde darm terecht. De blinde darm is eigenlijk gemaakt om ruwvoer door vergisting te degraderen om de koolhydraten in de celwanden te kunnen gebruiken. Dit kan de vertering en de gezonde darmflora behoorlijk in de war schoppen.

Concluderend kan worden gesteld dat de sportfysiologie van het paard volop in ontwikkeling is geraakt. Tot voor kort trainden en voedden we onze sportpaarden puur empirisch. Onderzoek zal uitwijzen of dit terecht was en waar we verbetering aan kunnen brengen. Eén ding is zeker: de beste preventie van blessures en maagdarmklachten ligt in het zoveel mogelijk rekening houden met de natuurlijke leefwijze van het paard zelf en daarop het management te baseren.

Over de auteurs:
Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten. Delesalle is verbonden aan de Universiteiten van Utrecht en Gent. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega.

Tekst:  Marco de Bruijn en Cathérine Delesalle

Foto’s: Digishots / Leanjo de Koster

0 9413
rhesusveulen
Veulen drinkt
Het is een nachtmerrie voor iedere fokker. Een rhesusveulen. Het komt gelukkig maar zelden voor. Omdat veulens zonder antistoffen geboren worden, is het van belang dat ze de eerste levensdag  twee à drie liter goede kwaliteit biest moet drinken. Dat gaat vrijwel altijd goed. Behalve in het geval van een rhesusveulen.

Immuunglobulinen

In goede biest zit wel zestig gram/liter aan immuunglobulinen (afweerstoffen). De darm van een pasgebo-ren veulen is de eerste 24 uur doorlaatbaar voor deze immuunglobulinen door middel van speciale cellen. Hierna is het darmslijmvlies vervangen door ‘normaal’ slijmvlies en beschermt de biest nog wel de in-wendige darm, maar niet meer het gehele veulen. Deze immuunglobulinen zijn de munitie van het leger van de weerstand. Soldaten zijn er al wel in de vorm van witte bloedcellen, maar deze zijn maar met wei-nig en nog ongetraind. En, het duurt nog wel twee à drie maanden voor ze in staat zijn om voldoende hoeveelheden munitie zelf te maken.

Rhesuskinderen
Normaal gesproken is goede biest van levensbelang voor een veulen

Fles of sonde

Fokkers doen er alles aan om zich ervan te vergewissen dat het veulen binnen vier uur de eerste biest bin-nenkrijgt. Het liefst zelf drinkend bij de merrie en anders met de fles of eventueel zelfs met een sonde door de dierenarts. Bij sommige van deze blakend van gezondheid rondrennende veulens die met twee uur ston-den en met vier uur aan een goed uier van een zorgzame moeder zaten, sluipt er dan toch nog een euvel in…

Rode bloedcellen

Een heel enkele keer heeft de merrie niet alleen antistoffen tegen bacteriën en virussen uit haar omgeving aangemaakt en in haar biest gestopt, maar ook antistoffen tegen de rode bloedcellen van de hengst. Hoe kan dat nu? Ze heeft immers nog nooit een bloedtransfusie gehad. Bij de geboorte van een veulen komen de rode bloedcellen van het veulen via de navelstreng in contact met de bloedvaatjes van de baarmoeder-wand, omdat de vruchtvliezen als het ware van de wand af ‘scheuren’. In deze baarmoederwand zitten wit-te bloedcellen die op patrouille zijn en die zien een rode bloedcel met daarop lichaamsvreemde eiwitten, namelijk deze die de vader aan het veulen genetisch heeft overgedragen. De witte bloedcellen (lymfocy-ten) rapporteren dit in de lymfeknoop aan hun sergeant, die vervolgens opdracht geeft munitie te maken tegen dit type rode bloedcel.
Rhesuskinderen
Het bloed en de rode bloedcellen

Eenzelfde bloedgroep

De eerste keer dat een merrie een veulen krijgt, gebeurt er dus nog niet zoveel. Deze productie van munitie komt pas na twee à drie weken goed op gang en dan heeft dit veulen de biest al lang binnen. Echter het volgende veulen met eenzelfde bloedgroep kan dus biest op gaan nemen met antistoffen erin tegen zijn eigen rode bloedcellen. Deze antistoffen komen in de bloedbaan van het veulen en plakken aan zijn rode bloedcellen, waardoor deze vervormen, samen klonteren of zelfs lek worden en kapot gaan. In ieder geval functioneren ze niet meer en moeten ze worden opgeruimd door de witte bloedcellen van het veulen. Dit heeft nogal wat gevolgen. Als dit in forse mate gebeurt, krijgt het veulen een rode bloedcelgebrek en mogelijk vrij acuut. Het zuurstoftransporterend vermogen holt achteruit, het veulen wordt slap en al zijn organen hebben te lijden aan zuurstofgebrek (hypoxie tgv anaemie).

Nieren

De hersenen zijn het meest gevoelig voor zuurstofgebrek, maar ook de nieren kunnen beschadigd raken. Tenzij er een bloedtransfusie wordt toegediend, kan het veulen snel komen te overlijden. Ook de hemoglo-bine die massaal vrijkomt uit de rode bloedcellen kan voor problemen zorgen. Deze moet namelijk worden afgebroken en het ijzer erin moet verwerkt, anders geeft het inwendig oxidatie. Het product is bilirubine en dat kun je dan ook wel zien, want dit is geel en de slijmvliezen van een rhesusveulen worden knalgeel. Dit is niet zo erg, maar als er veel bilirubine in de hersenen komt kan dit daar het functioneren verstoren en raakt het veulen in een soort coma (kernicterus).
Rhesuskinderen
De verkleuring is geel

Rhesusfactor

Het bloedgroepensysteem van een paard is anders dan dat van een mens. Bij mensen onderscheiden we type A, type B, en type O en omdat je één gen van je moeder en één van je vader hebt gekregen zijn de volgende combinaties mogelijk: AA, AB, BB, AO, BO en OO. Mensen met type A hebben veelal antistof-fen tegen B en vice versa. Dus A kan alleen maar bloed krijgen van A en van O oftewel AA, AO en OO. B kan alleen maar bloed krijgen van BB, BO en OO. OO heeft antistoffen tegen A en tegen B en kan dus al-leen van O krijgen terwijl AB geen antistoffen heeft tegen A noch tegen B en kan dus van iedereen krijgen. Meestal wordt er bij transfusies ook nog rekening gehouden met de rhesusfactor: + (positief) of – (negatief). Dus bijvoorbeeld B negatief heeft behalve antistoffen tegen A, ook nog antistoffen tegen + en kan alleen van B- of O- bloed krijgen.

Zeven hoofdbloedgroepen

Het bloedgroepensysteem van het paard is met zeven hoofdbloedgroepen en verschillende allelen per bloedgroep aanzienlijk ingewikkelder. De belangrijkste antigenen waartegen antistoffen gemaakt worden zijn Q, A, R en S. Echter bij het Friese paard zijn er nog enkele andere niet nader geïdentificeerde antige-nen die een rol kunnen spelen (onderzoek van Dr. Roelfsema, Universiteit Utrecht). Het punt is dat de meeste paarden Q en A positief zijn, echter de merries die negatief zijn hebben derhalve een heel grote kans met een positieve hengst gedekt te worden en daarmee antistoffen kunnen gaan maken in hun biest. Om een risicodekking voor deze merries te voorkomen, zou je dus een negatieve hengst moeten uitzoeken.
Rhesuskinderen
De biest van de merrie wordt gemolken, zodat het veulen het niet kan drinken.

Typering

Hiertoe is bloedgroep typering nodig. Voorheen werden deze testen uitgevoerd in Wageningen en kon men een dekadvies aanvragen op basis van een ingestuurde lijst met gewenste hengsten. Vandaag de dag is dit helaas niet mogelijk. Een andere optie is om van deze merries het veulen de biest te onthouden en biest van een andere merrie te geven. Dit is een hele toer. Je moet dan zeker bij de geboorte aanwezig zijn, de merrie uitmelken, het veulen de alternatieve biest in voldoende hoeveelheid (minimum drie liter) met de fles geven en zorgen dat hij de eerste vierentwintig uur niet aan het uier kan drinken. Ondertussen moet je ervoor zorgdragen dat het veulen niet ‘van het uier af gaat’. Dus dat betekent de fles geven onder de merrie door in de buurt van het uier en tussendoor het uier met een soort ‘suspensoir’ afschermen.
Rhesuskinderen
Biest met de fles.

Relatief eenvoudig

Wanneer we de ‘rhesus reactie’ (ook wel iso-erythrolysis genaamd) tijdig opmerken, kunnen we relatief eenvoudig met één of herhaaldelijke bloedtransfusies het veulen redden. Dagelijks moet het rode bloedcel-gehalte bepaald worden alsook de cardiovasculaire stabiliteit: de hartslag, slijmvliezen, hoe goed het veu-len drinkt, de levendigheid. Dit om uit te maken of een nieuwe transfusie nodig is. Dit kan het beste onder kliniekomstandigheden plaatsvinden. Er moet immers goed op gelet worden of het veulen voldoende blijft drinken en of er geen complicaties optreden als infectie, onderkoeling etc. Een eerste bloedtransfusie gaat meestal wel goed. Zeker bij een veulen, omdat deze zelf nog geen antistoffen heeft gemaakt tegen andere bloedgroepen en deze uit de biest zijn grotendeels verbruikt bij het aanvallen van de rode bloedcellen van het veulen. Bij herhaaldelijke transfusies bij het volwassen paard moet je echter goed oppassen, want dan wordt het risico op transfusiereacties groot.
Rhesuskinderen
Levensreddende bloedtransfusie.

Tekst: Marco de Bruijn en Cathérine Delesalle

Foto’s: Marco de Bruijn en Cathérine Delesalle / Digishots / Shutterstock

Over de auteurs:

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten. Delesalle is verbonden aan de Universiteiten van Utrecht en Gent. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega.

HOEFSLAG ACADEMY

Volg ons!

101,424FansLike
0VolgersVolg
6,987VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer