Tags Posts tagged with "Biest"

Biest

Dierenarts Gerrit Kampman kreeg een telefoontje binnen van een ongeruste fokker. Zijn pasgeboren veulen dat gezond ter wereld was gekomen en goed dronk, werd gedurende de dag steeds slomer. Kampman vertelt “Ik had het geluk dat de fokker zei dat het jaar ervoor het veulen van dezelfde merrie was overleden en dat er toen aan Isoerythrolysis Neonatalis, ook wel ‘rhesus’ of ‘bloedziekte’ genoemd, werd gedacht”.

Biest

Kampman vertelt “Het veulen hebben we direct van de merrie gescheiden, maar was toen al erg slecht”. Als de bloedgroep van het veulen verschilt van die van de merrie, omdat het veulen de bloedgroep van de hengst heeft meegekregen, kan de merrie antistoffen tegen de bloedgroep van haar veulen hebben aangemaakt. In tegenstelling tot mensenbaby’s, die via de placenta in aanraking komen met het bloed van de moeder, laat de placenta van een merrie helemaal niets door. Het veulen krijgt de antistoffen pas voor het eerst binnen als het biest drinkt bij de merrie. De eigenaar let er uiteraard op dat een pasgeboren veulen goed bij de moeder zoogt. En dan gaat het mis. De antistoffen in de biest veroorzaken bloedarmoede waardoor het veulen steeds zwakker wordt en de slijmvliezen geel kleuren. De aandoening is zeldzaam, vandaar dat een dierenarts niet altijd direct aan Isoerythrolysis Neonatalis denkt.

Hersteld

Kampman vertelt “Om het veulen te redden, moest het een bloedtransfusie ondergaan”. De fokker had een oudere ruin op stal die als ‘schouwhengst’ voor de merries fungeerde. Van deze ruin hebben we bloed afgenomen en aan het veulen toegediend via een infuus. Het veulen knapte in dit geval gelukkig op. Voor de fokker volgde een heel intensieve periode. Het veulen moest minstens elke twee uur kunstbiest te drinken krijgen uit de fles. Om ervoor te zorgen dat het veulen niet bij de moeder zou drinken, kreeg het veulen een muilkorf om. De merrie moest gemolken worden om de melkproductie op gang te houden. Na vijf dagen, toen de veulendarmen ‘gesloten’ waren en geen antistoffen meer doorlieten, kon het veulen weer bij de eigen moeder drinken. Dan is het afwachten of het veulen, dat gewend is om uit een fles te drinken, wel weer wil aanhappen bij de uier van de merrie en of de merrie dat toestaat. De voldoening was groot toen het allemaal lukte en het veulen volledig herstelde’.

Bron: Phryso

Foto: Shutterstock

0 164
Merrie en veulen van Lincom Stables (alt. biest)
Veulen drinkt bij merrie op Lincom Stables

Het is erg belangrijk dat een veulen biest van de moeder binnen krijgt. In de gelinkte video legt Astrid Bos van Dierenkliniek Emmeloord uit waarom het zo belangrijk is dat een veulen dit zo snel mogelijk na de geboorte binnenkrijgt.

Waarom biest?

Veulens worden geboren zonder antistoffen en moeten de antistoffen binnen krijgen via de biest van de moeder. Dit is de eerste melk die gevormd wordt kort voor en/of nadat een zoogdier bevallen is. Het is vergelijkbaar met het colostrum bij mensen. De opname van de vloeistof is optimaal binnen de eerste acht uur na de geboorte en daarna neemt de opname van de antistoffen via de biest al af. Na 24 tot 36 uur is er geen opname van de antistoffen meer mogelijk voor het veulen.

Testen op antistoffen

Het is mogelijk om te testen of een veulen voldoende antistoffen heeft binnengekregen. Dit kan gedaan worden via een bloedtest. Het aantal antistoffen kan dan worden aangevuld via een plasma-infuus. Als een veulen te weinig antistoffen heeft is een veulen heel kwetsbaar en vatbaarder voor ziektes en dergelijken.

Klink hier om de video te bekijken.

Bron: KWPN

Foto: Timo Martis

Het veulenseizoen is al in volle gang en wat is er nou mooier dan zo’n lief kleintje naast je trotse merrie? Wat we ons echter niet altijd realiseren is dat pasgeboren veulens vatbaar zijn voor een hoop medische problemen die we bij volwassen paarden doorgaans niet zien.

Omdat aandoeningen die in eerste instantie niet ernstig lijken heel snel toch fataal kunnen worden, is het belangrijk om je pasgeboren veulen binnen 24 uur na de geboorte even te laten nakijken door een veearts. Echter, als eigenaar kun je de veearts al flink helpen door kennis te hebben van normaal en afwijkend gedrag van jonge veulens. TheHorse heeft daarom de meest voorkomende problemen bij jonge veulens op een rij gezet.

1,2,3

Op het moment dat de vliezen bij de merrie breken, wordt het veulen doorgaans binnen 20 tot 30 minuten geboren. Daarna kun je de “1,2,3-stelregel” aanhouden: het veulen moet binnen 1 uur kunnen staan, binnen 2 uur drinken en de nageboorte moet binnen 3 uur na de bevalling afkomen. Ook moet de darmpek (de eerste ontlasting van het veulen) er binnen 1 tot 2 uur vanaf komen. Als er sterk van dit schema wordt afgeweken, kan het raadzaam zijn om de veearts te bellen voor advies en/of controle.

Biest

Er wordt geadviseerd om de kwaliteit van de biest te laten testen. Dit omdat goede biest belangrijke antistoffen bevat die het veule tijdens de eerste maanden van zijn leven beschermen tegen infecties. Veulens die onvoldoende biest binnenkrijgen, lopen een groter risico op bloedvergiftiging, wat weer kan leiden tot aandoeningen als hersenvliesontsteking, longontsteking en veulenziekte. Een dierenarts kan bloed afnemen bij het veulen om te bepalen of het voldoende antistoffen heeft meegekregen van de moeder. Als blijkt dat de biest van slechte kwaliteit is en het veulen nog geen 12 uur oud is, kan de dierenarts biest van een donormerrie geven. Is het veulen ouder, dan kan het toedienen van plasma noodzakelijk zijn om het veulen van de benodigde antistoffen te voorzien.

Hoewel biest dus heel veel goede eigenschappen heeft, leidt het drinken van biest soms tot neonatale isoerythrolysis. Dit is een probleem dat met name bij veulens en kittens wordt gesignaleerd. Als de merries biest antistoffen bevat tégen de bloedgroep van het veulen, dan breekt het lichaam de eigen rode bloedcellen af. Dit resulteert in een snel zwakker wordend veulen en kan de dood tot gevolg hebben. Een van de eerste tekenen, behalve algehele zwakte, is het geel kleuren van de slijmvliezen. Om dit te voorkomen, kan een veearts voorafgaand aan de geboorte een bloedonderzoek bij de merrie doen. Als de betreffende antistoffen worden aangetroffen, moet het veulen de eerste 24 uur van zijn of haar leven donorbiest en -melk krijgen.

Dummyveulen

Een andere aandoening die door een eigenaar te herkennen is, is het asphyxie syndroom, ook wel een dummyveulen genoemd. Deze aandoening wordt veroorzaakt door zuurstoftekort tijdens en/of vlak na de geboorte, bijvoorbeeld doordat de placenta te vroeg heeft losgelaten. Een dergelijk veulen lijkt in eerste instantie volkomen normaal, maar laat na de eerste dag(en) abnormaal gedrag zien. Hierbij kun je denken als plots niet meer kunnen drinken bij de merrie, doelloos rondlopen en algehele verzwakking. De toestand van zo’n veulen kan snel verslechteren tot het punt dat het alleen nog maar ligt en continue zorg nodig heeft.

Koliek

Problemen in het maagdarmstelsel kunnen ook voorkomen. Meconium (darmpek) is de eerste ontlastig van het veulen en bestaat uit zwart, plakkerig materiaal. Het niet afkomen van de darmpek is een van de meest voorkomende oorzaken van koliek bij pasgeboren veulens. De klinische symptomen hiervan zijn eenvoudig te herkennen: het veulen kan veel rollen of staat te persen zonder dat er ontlastig komt. Echter: pasgeboren veulens kunnen om verschillende redenen koliekerig zijn, raadpleeg dus altijd een veearts in zo’n geval.

Dit is uiteraard geen uitputtende lijst, het is enkel een opsomming van enkele problemen die regelmatig gezien worden bij jonge veulens. Zorg ervoor dat je weet wat normaal is, zodat je afwijkend gedrag snel herkent en op tijd een veearts kan inschakelen.

Bron: TheHorse / Hoefslag

Foto: Shutterstock

0 9543
rhesusveulen
Veulen drinkt
Het is een nachtmerrie voor iedere fokker. Een rhesusveulen. Het komt gelukkig maar zelden voor. Omdat veulens zonder antistoffen geboren worden, is het van belang dat ze de eerste levensdag  twee à drie liter goede kwaliteit biest moet drinken. Dat gaat vrijwel altijd goed. Behalve in het geval van een rhesusveulen.

Immuunglobulinen

In goede biest zit wel zestig gram/liter aan immuunglobulinen (afweerstoffen). De darm van een pasgebo-ren veulen is de eerste 24 uur doorlaatbaar voor deze immuunglobulinen door middel van speciale cellen. Hierna is het darmslijmvlies vervangen door ‘normaal’ slijmvlies en beschermt de biest nog wel de in-wendige darm, maar niet meer het gehele veulen. Deze immuunglobulinen zijn de munitie van het leger van de weerstand. Soldaten zijn er al wel in de vorm van witte bloedcellen, maar deze zijn maar met wei-nig en nog ongetraind. En, het duurt nog wel twee à drie maanden voor ze in staat zijn om voldoende hoeveelheden munitie zelf te maken.

Rhesuskinderen
Normaal gesproken is goede biest van levensbelang voor een veulen

Fles of sonde

Fokkers doen er alles aan om zich ervan te vergewissen dat het veulen binnen vier uur de eerste biest bin-nenkrijgt. Het liefst zelf drinkend bij de merrie en anders met de fles of eventueel zelfs met een sonde door de dierenarts. Bij sommige van deze blakend van gezondheid rondrennende veulens die met twee uur ston-den en met vier uur aan een goed uier van een zorgzame moeder zaten, sluipt er dan toch nog een euvel in…

Rode bloedcellen

Een heel enkele keer heeft de merrie niet alleen antistoffen tegen bacteriën en virussen uit haar omgeving aangemaakt en in haar biest gestopt, maar ook antistoffen tegen de rode bloedcellen van de hengst. Hoe kan dat nu? Ze heeft immers nog nooit een bloedtransfusie gehad. Bij de geboorte van een veulen komen de rode bloedcellen van het veulen via de navelstreng in contact met de bloedvaatjes van de baarmoeder-wand, omdat de vruchtvliezen als het ware van de wand af ‘scheuren’. In deze baarmoederwand zitten wit-te bloedcellen die op patrouille zijn en die zien een rode bloedcel met daarop lichaamsvreemde eiwitten, namelijk deze die de vader aan het veulen genetisch heeft overgedragen. De witte bloedcellen (lymfocy-ten) rapporteren dit in de lymfeknoop aan hun sergeant, die vervolgens opdracht geeft munitie te maken tegen dit type rode bloedcel.
Rhesuskinderen
Het bloed en de rode bloedcellen

Eenzelfde bloedgroep

De eerste keer dat een merrie een veulen krijgt, gebeurt er dus nog niet zoveel. Deze productie van munitie komt pas na twee à drie weken goed op gang en dan heeft dit veulen de biest al lang binnen. Echter het volgende veulen met eenzelfde bloedgroep kan dus biest op gaan nemen met antistoffen erin tegen zijn eigen rode bloedcellen. Deze antistoffen komen in de bloedbaan van het veulen en plakken aan zijn rode bloedcellen, waardoor deze vervormen, samen klonteren of zelfs lek worden en kapot gaan. In ieder geval functioneren ze niet meer en moeten ze worden opgeruimd door de witte bloedcellen van het veulen. Dit heeft nogal wat gevolgen. Als dit in forse mate gebeurt, krijgt het veulen een rode bloedcelgebrek en mogelijk vrij acuut. Het zuurstoftransporterend vermogen holt achteruit, het veulen wordt slap en al zijn organen hebben te lijden aan zuurstofgebrek (hypoxie tgv anaemie).

Nieren

De hersenen zijn het meest gevoelig voor zuurstofgebrek, maar ook de nieren kunnen beschadigd raken. Tenzij er een bloedtransfusie wordt toegediend, kan het veulen snel komen te overlijden. Ook de hemoglo-bine die massaal vrijkomt uit de rode bloedcellen kan voor problemen zorgen. Deze moet namelijk worden afgebroken en het ijzer erin moet verwerkt, anders geeft het inwendig oxidatie. Het product is bilirubine en dat kun je dan ook wel zien, want dit is geel en de slijmvliezen van een rhesusveulen worden knalgeel. Dit is niet zo erg, maar als er veel bilirubine in de hersenen komt kan dit daar het functioneren verstoren en raakt het veulen in een soort coma (kernicterus).
Rhesuskinderen
De verkleuring is geel

Rhesusfactor

Het bloedgroepensysteem van een paard is anders dan dat van een mens. Bij mensen onderscheiden we type A, type B, en type O en omdat je één gen van je moeder en één van je vader hebt gekregen zijn de volgende combinaties mogelijk: AA, AB, BB, AO, BO en OO. Mensen met type A hebben veelal antistof-fen tegen B en vice versa. Dus A kan alleen maar bloed krijgen van A en van O oftewel AA, AO en OO. B kan alleen maar bloed krijgen van BB, BO en OO. OO heeft antistoffen tegen A en tegen B en kan dus al-leen van O krijgen terwijl AB geen antistoffen heeft tegen A noch tegen B en kan dus van iedereen krijgen. Meestal wordt er bij transfusies ook nog rekening gehouden met de rhesusfactor: + (positief) of – (negatief). Dus bijvoorbeeld B negatief heeft behalve antistoffen tegen A, ook nog antistoffen tegen + en kan alleen van B- of O- bloed krijgen.

Zeven hoofdbloedgroepen

Het bloedgroepensysteem van het paard is met zeven hoofdbloedgroepen en verschillende allelen per bloedgroep aanzienlijk ingewikkelder. De belangrijkste antigenen waartegen antistoffen gemaakt worden zijn Q, A, R en S. Echter bij het Friese paard zijn er nog enkele andere niet nader geïdentificeerde antige-nen die een rol kunnen spelen (onderzoek van Dr. Roelfsema, Universiteit Utrecht). Het punt is dat de meeste paarden Q en A positief zijn, echter de merries die negatief zijn hebben derhalve een heel grote kans met een positieve hengst gedekt te worden en daarmee antistoffen kunnen gaan maken in hun biest. Om een risicodekking voor deze merries te voorkomen, zou je dus een negatieve hengst moeten uitzoeken.
Rhesuskinderen
De biest van de merrie wordt gemolken, zodat het veulen het niet kan drinken.

Typering

Hiertoe is bloedgroep typering nodig. Voorheen werden deze testen uitgevoerd in Wageningen en kon men een dekadvies aanvragen op basis van een ingestuurde lijst met gewenste hengsten. Vandaag de dag is dit helaas niet mogelijk. Een andere optie is om van deze merries het veulen de biest te onthouden en biest van een andere merrie te geven. Dit is een hele toer. Je moet dan zeker bij de geboorte aanwezig zijn, de merrie uitmelken, het veulen de alternatieve biest in voldoende hoeveelheid (minimum drie liter) met de fles geven en zorgen dat hij de eerste vierentwintig uur niet aan het uier kan drinken. Ondertussen moet je ervoor zorgdragen dat het veulen niet ‘van het uier af gaat’. Dus dat betekent de fles geven onder de merrie door in de buurt van het uier en tussendoor het uier met een soort ‘suspensoir’ afschermen.
Rhesuskinderen
Biest met de fles.

Relatief eenvoudig

Wanneer we de ‘rhesus reactie’ (ook wel iso-erythrolysis genaamd) tijdig opmerken, kunnen we relatief eenvoudig met één of herhaaldelijke bloedtransfusies het veulen redden. Dagelijks moet het rode bloedcel-gehalte bepaald worden alsook de cardiovasculaire stabiliteit: de hartslag, slijmvliezen, hoe goed het veu-len drinkt, de levendigheid. Dit om uit te maken of een nieuwe transfusie nodig is. Dit kan het beste onder kliniekomstandigheden plaatsvinden. Er moet immers goed op gelet worden of het veulen voldoende blijft drinken en of er geen complicaties optreden als infectie, onderkoeling etc. Een eerste bloedtransfusie gaat meestal wel goed. Zeker bij een veulen, omdat deze zelf nog geen antistoffen heeft gemaakt tegen andere bloedgroepen en deze uit de biest zijn grotendeels verbruikt bij het aanvallen van de rode bloedcellen van het veulen. Bij herhaaldelijke transfusies bij het volwassen paard moet je echter goed oppassen, want dan wordt het risico op transfusiereacties groot.
Rhesuskinderen
Levensreddende bloedtransfusie.

Tekst: Marco de Bruijn en Cathérine Delesalle

Foto’s: Marco de Bruijn en Cathérine Delesalle / Digishots / Shutterstock

Over de auteurs:

Cathérine Delesalle en Marco de Bruijn zijn dierenarts en Europees specialist inwendige ziekten. Delesalle is verbonden aan de Universiteiten van Utrecht en Gent. De Bruijn is mede-eigenaar van Dierenkliniek Wolvega.

Volg ons!

103,173FansLike
0VolgersVolg
0VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer