Tags Posts tagged with "Bastiaan de Recht"

Bastiaan de Recht

Opstappen
Op je paard stappen

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. We beginnen bij het begin en daarom is het eerste onderwerp: opstijgen.

Fysieke problemen

‘In de praktijk zie je dat de meeste ruiters wel op hun paard komen, maar de manier waarop kan zorgen voor een fijn te berijden paard of juist niet. Te veel gewicht aan één kant of je neer laten ploffen in het zadel, komt de rug van het paard niet ten goede. Hierdoor kan het paard fysieke problemen krijgen die zich ook kunnen uiten tijdens het rijden. Daarbij kan verkeerd opstappen zorgen voor spanning bij het paard, waaruit gedragsproblemen ontstaan. Correct opstappen is dus belangrijk. Misschien overbodig om te noemen, maar singel nog wel een keertje aan voordat je opstapt!’

Opstapkruk

Een opstapkruk of- blok is bij het opstappen essentieel. Zorg ervoor dat je een veilige variant hebt, zonder spijlen waar het paard met zijn been in kan komen. Een opstapkruk heeft verschillende voordelen:

  • Het zorgt voor minder druk aan één kant bij de schoft en de wervelkolom.
  • Het is lichamelijk beter voor de ruiter, de lies en de rug van de ruiter worden minder belast.
  • Het is beter voor het behoud van je zadel, deze blijft meer symmetrisch.

Draait het paard telkens weg van het krukje? Zet het paard dan in een hoek van de rijbaan en zet het krukje vervolgens op de tweede hoefslag in de hoek. Op deze manier kan het paard minder snel van je af draaien.’

Verbinding

Opstappen met een krukje
Opstappen met krukje

Als je vanaf de linkerkant opstapt, pak je met je linkerhand de teugels en houdt de manenkam voor het zadel vast. Houd de teugels zo kort dat je paard in een horizontaal evenwicht staat en je verbinding houd met de mond en controle kunt houden. Zijn de teugels te los dan zal het paard eerder naar voren weg stappen. Het risico hierbij is dat, als je wilt gaan zitten, je achter het zadel kunt belanden, met alle ‘special effects’ van dien.

Houd de teugels niet te strak, dan zal het paard achterwaarts stappen. Plaats je rechterhand aan de rechterkant van het zadel bovenaan de voorkant van de wrong. Als je met je rechterhand de achterboom vasthoudt, hebt je eerder kans dat je het zadel scheef trekt. Sta met je neus en navel richting de zijkant van het paard. Doe je linkervoet in de beugel, parallel aan het paard en met je tenen naar voren.’

Opstappen met een krukje
Opstappen met krukje, tweede fase

In balans

Nu kun je gaan opstappen. Blijf hierbij dichtbij je paard, zodat je er als het ware over heen schuift en er niet te veel ruimte tussen jou en het zadel zit. Breng je bovenlichaam midden boven het paard, waarmee je bijna in het verlengde boven de hals licht. Mocht het paard nu weglopen, dan ben je veel beter in balans. Hierdoor kun je gemakkelijker opstappen, maar zal het paard ook minder snel van je schrikken doordat je hem niet uit balans haalt.

Nu is het alleen nog een kwestie van je rechterbeen rustig over het paard heen zwaaien. Pas hierbij op dat je niet met je voet of been de achterhand van het paard raakt. Als het goed is, zijn je billen al dicht bij het zadel en kun je nu rustig rechtop gaat zitten. Als je te ver van het zadel bent, heb je kans dat je met een plof in het zadel komt. Een rustig paard zal wel blijven staan, maar echt prettig is het natuurlijk niet voor je paard. Voor de gelijkheid in coördinatie en ontwikkeling bij het paard en de ruiter, kun je het links en rechts op- en afstappen afwisselen.’

Rechterbeugel

Lukt het niet om je rechterbeugel aan te nemen. Blijf dan niet te veel proberen. Paarden voelen dit en zullen denken dat ze een beenhulp krijgen en hier onrustig van worden. Pak dan liever met je rechterhand de beugelriem, draai deze een kwartslag en steek je voet in de beugel. Om te voorkomen dat het paard over het krukje loopt, laat het voor je linkerbeen wijkend naar voren weg stappen.

Verend

Houd ook bij het afstappen verbinding met de mond door wederom de teugels op de juiste lengte in je linkerhand, waarmee je de manenkam vast houdt, te houden. Doe beide voeten uit de beugels, breng je bovenlichaam naar voren. Zwaai je rechterbeen rustig over de rug van het paard. Vang je afsprong verend op door in je knieën te buigen. Spring je er te lomp af, kan je paard opzij springen.’

Tip

Voor de gelijkheid in coördinatie en ontwikkeling bij het paard en de ruiter, kun je het links en rechts op- en afstappen afwisselen.’

Bastiaan de Recht
Bastiaan de Recht werkt mee aan een instructie serie op dehoefslag.nl. Hier is hij  aan het werk met één van zijn paarden.
Ben je benieuwd naar het volgende onderwerp dat gaat over teugelvoering? Houd dan de Hoefslag facebookpagina en de website goed in de gaten!

Tekst: Carlijn de Boer

Foto’s: Remco Veurink / Shutterstock

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na in de vorige delen gesproken te hebben over de hulpen en werken aan het horizontale evenwicht, kwam de ontwikkeling van de gangen aan de orde. Inmiddels zijn we aangekomen bij de zijgangen en gaan we verder met het rijden van schouderbinnenwaarts. Hoe doe je dat en wat zijn de meest voorkomende problemen en oplossingen?

‘Het rijden van schouderbinnenwaarts wordt in de proef gevraagd op drie sporen. Dat wil zeggen als je van voren kijkt zie je het binnenvoorbeen, het buitenvoorbeen die op één lijn zit met het binnenachterbeen en het buitenachterbeen. Je kunt schouderbinnenwaarts ook op vier sporen rijden door het paard ten opzichte van de lange zijde schuiner te laten lopen. Je ziet dan het buitenvoorbeen en het binnenachterbeen apart van elkaar.’

Automatisch

‘Het schouderbinnenwaarts is de eerste oefening waar meer verzameling wordt gevraagd. Het binnenachterbeen moet zich namelijk meer richting het borstbeen bewegen, zodat de voorhand oftewel de bortskas zich kan oprichten. Als het paard dit aan beide kanten steeds even makkelijk doet en hierin zich evenveel ontwikkelt, werk je automatisch ook aan de rechtgerichtheid. Natuurlijk zorgt het schouderbinnenwaarts er tevens voor dat je controle krijgt over de positie van de schouders. Dit is ook belangrijk in oefeningen als appuyeren, keertwendingen en pirouettes, maar ook uiteindelijk voor de galopwissels. De oefening kent dus veel rijtechnische voordelen, maar ook als je je paard langs een eng obstakel wilt rijden, kun je er gemakkelijker langs rijden als je het schouderbinnenwaarts onder de knie hebt.’

Drie of vier sporen

‘Bij het schouderbinnenwaarts op drie sporen dienen de achterbenen rechtuit over de hoefslag te lopen en elkaar niet te kruisen. De voorbenen komen door de buiging om het binnenbeen iets naar binnen en kruisen elkaar wel. Het schouderbinnenwaarts rijden op drie sporen heeft meerdere voordelen. Je gymnastiseert het paard door te werken aan de lengtebuiging en dus de laterale buiging met name in het lage hals- en borstgebied.

Dus met name de voorste helft van het paard. Rijd je schouderbinnenwaarts op vier sporen dan is het paard nagenoeg recht en gaat het paard meer zijwaarts. Eigenlijk ben je aan het wijken op de hoefslag. De achterbenen kruisen elkaar hierbij juist wel. Deze oefening op vier sporen vraagt meer verzameling, omdat het achterbeen nog verder richting het borstbeen geplaatst moet worden. Het paard buigt en bolt meer in de lendenen. De achterste helft van het paard wordt met deze oefening dus meer getraind.’

Geen achterhandbuitenwaarts

‘Bij het schouderbinnenwaarts is het belangrijk dat de schouders echt naar binnen worden geplaatst en niet de achterhand naar buiten, anders had het waarschijnlijk wel achterhandbuitenwaarts geheten! Alleen geeft deze laatste oefening niet de rijtechnische voordelen zoals het schouderbinnenwaarts. Voordat je het schouderbinnenwaarts aan gaat leren, moet het paard eerst goed kunnen wijken voor de kuit. Vaak laat ik mijn leerlingen eerst de schouderbinnenwaarts de andere kant op rijden. Dus op de linkerhand vanaf de binnenhoefslag de schouders naar buiten. Dit omdat de meeste paarden van de hoefslag af zullen willen lopen. Dit kan nu niet, omdat daar de omheining van de rijbaan zit. Ik doe dit dus voornamelijk om de ruiter eerst te laten voelen wat de bedoeling is.

‘Vaak laat ik mijn leerlingen eerst de schouderbinnenwaarts de andere kant op rijden. Dus op  de binnenhoefslag de schouders naar buiten.’

Als dat goed gaat, laat ik de ruiters hetzelfde doen, maar dan een paar meter van de omheining af. Gaat dit goed dan kun je kijken of het gewone schouderbinnenwaarts lukt. Zonder dat het paard dus naar binnen loopt. Bereid het schouderbinnenwaarts goed voor door de hoek te gebruiken en eventueel in de hoek eerst een volte te rijden. In de hoek of in de volte werk je al aan de lengtebuiging en de laterale buiging om je binnenbeen. In de hoek zelf laat je het paard een beetje wijken voor je binnenbeen, om de reactie op dit been te controleren. Vervolgens stuur je de voorhand van het paard met twee teugels naar binnen, door beide handen iets naar binnen te plaatsen. Je binnenbeen zorgt ervoor dat het binnenachterbeen van het paard geactiveerd wordt. Daarbij voorkomt je binnenbeen samen met je buitenteugel ervoor dat het paard niet van de hoefslag loopt. Je buitenteugel kan ook de schouder juist begrenzen als het paard over die schouder weg wilt lopen. Je binnenteugel vraagt de schouders iets naar binnen en stelling.’

Loop zelf zijgangen

‘Bij deze oefening is het ook weer heel belangrijk hoe je houding en zit is en op welke manier je je hulpen geeft. Vaak zie je dat de ruiter het binnenbeen te veel naar achteren plaatst. Hierdoor zet je eerder de achterhand naar buiten, mede omdat je paard niet om je binnenbeen kan buigen. Dat kan alleen als je je binnenbeen dichter bij de singel houdt. Meestal zit een ruiter die zijn been te veel naar achteren legt, ook te veel op de buitenkant. Hierdoor haal je het paard uit balans en wordt het moeilijker om een gedragen schouderbinnenwaarts te laten zien. Het paard zal eerder impuls verliezen of juist loperig worden. Kijk dan ook niet naar de buitenschouder van je paard, maar tussen de oren van je paard door. Natuurlijk kun je met je ogen wel naar de schouders of hoefslag kijken, maar pas op dat je niet te veel op de buitenkant gaat zitten. Een goede focus zorgt nu eenmaal voor een beter uitgevoerde oefening. Er is nog een goede oefening om te weten hoe je in een schouderbinnenwaarts moet zitten. Zo laat ik mijn leerlingen regelmatig zelf de oefening lopen. Als je het zelf goed kan, merk je dat je ook op die manier op je paard moet zitten. Zou je bijvoorbeeld te veel op te buitenkant zitten en zo de oefening door lopen, zal je eerder naar buiten omvallen en is het moeilijker om ‘gedragen’ te lopen. Het klinkt misschien gek, maar probeer het maar eens! Overigens geldt dit voor alle dressuuroefeningen.’

Problemen en oplossingen

‘Bij het rijden van schouderbinnenwaarts zijn er nog al wat uitdagingen! Misschien lukt het je om het op te lossen, maar soms denk je; wat nu? Onderstaand de meeste voorkomende problemen en oplossingen.’

Paard loopt van de hoefslag af

‘Zoals al eerder aangegeven los je dit op met je binnenbeen en buitenteugel. Denk hierbij maar aan terug wijken naar de hoefslag. Lukt dit niet zet dan het paard eerst weer recht op de hoefslag, rijd voorwaarts en zet de oefening opnieuw in.’

Impulsverlies

‘Maak het paard in de hoek al actiever door met meer energie te rijden. Wissel het schouderbinnenwaarts af met stukjes rechtuit in middendraf.’

De schouders moeten in deze oefening naar binnen. Is het paard te veel naar binnen gesteld dan kan het verbuigen.

– Te veel stelling oftewel verbuigen en kantelen

‘De schouders moeten in deze oefening naar binnen. Het hoofd staat hierbij recht voor het borstbeen. Is het paard te veel naar binnen gesteld dan kan het verbuigen. Dit betekent dat het paard meer stelling dan buiging heeft oftewel de halsbuiging is meer dan de buiging in het lichaam. Stel het paard recht en laat het meer buigen in het lichaam om je binnenbeen door eerst een volte te rijden. Begrens met je buitenteugel om te voorkomen dat het paard te veel stelling aan neemt. Als een paard kantelt is dit ook een teken dat het moeite heeft om te buigen om het binnenbeen. Het ontlast zich dan door te kantelen. Werk hieraan door je voltes tien meter te verbeteren en het paard om je binnenbeen te laten buigen en daarbij niet te veel je binnenteugel te gebruiken.’

Blijf rijden

‘Voor alle oefeningen geldt ‘blijf rijden’ en staar je niet blind op die ene oefening. Focus je op het goed gaande paard, dat met takt, regelmaat en in aanleuning loopt. Als deze voorwaarden er niet zijn, werk hier dan eerst aan en houd deze goed in de gaten. De takt en regelmaat van de beweging, gaan voor het zijwaarts gaan. De oefeningen mogen immers nooit ten kosten gaan van een correct lopend paard, maar moeten juist het paard helpen nog beter zijn lichaam te gebruiken.’

Het volgende deel van deze instructieve serie staat in het teken van het rijden van travers en appuyementen. Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

 

Tekst: Carlijn de Boer

Foto’s: Sabine Timman

 

0 2345

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na in de vorige delen gesproken te hebben over de hulpen en werken aan het horizontale evenwicht, kwam de ontwikkeling van de gangen aan de orde. In deze aflevering gaan we verder in op een dressuuroefening, namelijk het wijken voor de kuit. Hoe doe je dat en wat zijn de meest voorkomende problemen en oplossingen?

‘Bij het wijken voor de kuit beweegt het paard voorwaarts en zijwaarts. Er wordt een laterale, in de lengte van oren tot staart, buiging om het binnenbeen van de ruiter gevraagd. Hierbij moet het binnenachterbeen onder de massa gezet worden. Het paard moet gehoorzaam zijn voor de zijwaartse druk. Wijken wordt in een proef als oefening an sich gevraagd, maar deze oefening kun je ook veel gebruiken in je training om je paard verder te gymnastiseren. Bijvoorbeeld bij overgangen, lees hiervoor nog eens de vorige delen terug.’

Schuine lijn

‘Bij het aanleren van het wijken, kun je de oefening niet direct zo gaan rijden zoals deze in de proef gevraagd wordt. Het paard moet zich in de proef namelijk parallel bewegen aan de lange zijde. Bij het aanleren hoeft dit niet meteen. Wend af op driekwart van de korte zijde, stuur de schouder van het paard richting de letter waar je naartoe wilt wijken, in dit geval aan het einde van de dichtstbijzijnde lange zijde. Je rijdt dus al het ware een schuine lijn van de korte naar de lange zijde. Neem vervolgens het paard met je binnenbeen mee opzij. Wijken is in principe vergelijkbaar met schouderbinnenwaarts over een diagonale lijn. Net zoals appuyeren, travers rijden over een diagonale lijn is. Maar deze oefeningen komen in de volgende delen aan de orde. Naarmate het paard het wijken beter begrijpt, kun je het meer parallel aan de lange zijde laten lopen. Dit doe je door meer te begrenzen met je buitenteugel. Wil je meteen te parallel, dan wordt het paard te gespannen en verliest het meestal ook impuls.’

Problemen en oplossingen

‘Het is natuurlijk fijn als je paard het wijken in één keer begrijpt, maar het is logisch dat dit niet het geval is. Onderstaand de meeste voorkomende problemen en oplossingen.’

– Paard wil niet opzij
‘Als het paard niet opzij wil, wijk dan eerst eens in stap of ga vanuit het halthouden opzij. Verduidelijk je beenhulp eventueel met een zweepje. Gaat het paard alleen maar voorwaarts, zet het paard dan eerst recht tegen de rijbaanomheining en druk het opzij met je been. Het paard kan dan door de omheining niet voorwaarts en leert opzij te gaan voor de druk van je been. Zorg in ieder geval dat het geen duw- en/of trekpartij wordt.’

– Paard valt over buitenschouder weg
‘Dit zie je vaak als het paard bijna bij de hoefslag is. Wissel het wijken af met het rechtuit rijden. Wijk bijvoorbeeld drie meter en rijd weer rechtuit door te begrenzen met je buitenteugel en buitenbeen. Gaat het paard onvoldoende rechtuit en wil het nog steeds iets opzij gaan, wijk dan eens terug naar de andere kant voor je buitenbeen. Zorg dan wel dat je eerst de juiste stelling hebt.’

Wijken voor de kuit. Saskia Martens en Legend of Loxley demonstreren hoe je kan variëren in deze oefening. Foto: Remco Veurink

– Paard loopt met de achterhand meer opzij dan de voorhand/gaat met de achterhand voor
‘Controleer of je je binnenbeen niet te veel naar achteren hebt liggen en/of je er te veel mee in werkt. Stuur eerst weer de schouders naar de letter, voordat je hulpen geeft met je binnenbeen.’

– Paard verliest impuls
‘Vaak verliest het paard impuls, omdat de achterhand voor gaat. Bekijk dus eerst of dit niet het geval is. Verliest het paard nog steeds impuls. Focus je dan niet te veel op het zijwaarts, maar juist op het voorwaarts rijden met twee benen. Ook kun je bijvoorbeeld weer een paar meter wijken en daarna rechtuit gaan, waarbij je de draf verruimt en dus de impuls weer herstelt.’

– Paard wordt moeilijk in de aanleuning of kantelt

‘Rijd bij aanleuningsproblemen altijd eerst weer rechtuit of maak een volte en herstel de aanleuning. Als dit weer in orde is, kun je weer verder gaan wijken. Let er bij het kantelen tevens op dat je je handen even hoog hebt en dat je recht zit.’

Rechtop

‘We hebben nu gekeken naar de problemen die je paard vertoont tijdens het wijken, maar in de praktijk zie ik ook vaak dat de ruiter scheef zit. De ruiter heeft het bovenlichaam te veel naar buiten of naar binnen. Blijf recht op je paard zitten, waarbij je alleen je binnenzitbeenknobbel iets meer belast en dus voelt. Duwt de ruiter te veel met het binnenbeen achter de singel, dan zie je ook vaak dat de ruiter naar buiten hangt. Zorg ervoor dat je eigen schouders gelijk zijn met de schouders van het paard en dat jouw heupen parallel zijn met de heupen van het paard.’

Variatie

‘Het wijken kun je tijdens je training op vele manieren gebruiken. Om te controleren of je paard echt gehoorzaam is voor je zijwaartse beenhulp, kun je het ook eens laten wijken vanuit de hoek naar de AC-lijn toe. Het is niet alleen fijn om te controleren of het paard gehoorzaam is. Op deze manier kun je ook de schouder van het paard beter begrenzen. Tevens kun je wijken op de volte door deze te sluiten en juist bij het openen het paard een pasje opzij te zetten voor je binnenbeen. Bij het naar buiten wijken, kun je variëren in stelling, naar binnen of juist naar buiten. Ook kun je wijken in galop, zowel voor het binnen- als voor het buitenbeen. Al deze oefeningen hebben een positief effect op de rechtgerichtheid en souplesse van je paard.’

In het volgende deel van deze instructieve serie gaan we verder met de verschillende dressuuroefeningen en komt het schouderbinnenwaarts aan de orde. Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

Tekst: Carlijn de Boer

Foto: Digishots, Sabine Timman en Remco Veurink

0 2999
bastiaan de recht
© DigiShots

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. In deze aflevering hebben we het over de ontwikkeling van de galop. Hoe doe je dat en behoud je sprong juist bij de verzamelde oefeningen?

Na in de vorige delen gesproken te hebben over de hulpen en werken aan het horizontale evenwicht, kwam de verbetering van de stap en de draf aan de orde.  ‘Net als bij het verbeteren van de draf, is het voor de ontwikkeling van de galop ook van belang dat je veel schakelt. Dat wil zeggen overgangen rijden en tempowisselingen maken, waarbij het paard nageeflijk blijft. Lees dan ook nog eens deel 7 door van deze instructieve serie.

Wil je meer sprong, waarbij het paard de borstkas meer lift, maak dan juist overgangen van stap naar galop. Hierbij moet je tijdens de overgang wel iets doordrijven, zodat de eerste sprongen meteen actief zijn. Doe je dit niet dan blijft het paard te veel ‘hangen’ in de galop, terwijl je juist afzet wilt vanaf de eerste sprong. Maar er zijn nog meer oefeningen om de galop expressiever te krijgen.’

Onwijs verbeteren

‘Net als in de draf wil je een korter frame en een grotere paslengte. Met de volgende oefening kun je de galopsprong onwijs verbeteren. Rijd eens een arbeidspirouette. Hierbij zet je de achterhand, op een volte van circa 12 tot 15 meter, naar binnen net zoals bij een travers. Rijd vervolgens uit deze arbeidspirouette recht naar voren in een midden- of uitgestrekte galop.’

In de contragalop zal het paard automatisch meer gedragen galopperen.

‘Een andere fijne oefening is de contragalop. In de contragalop zal het paard automatisch meer gedragen galopperen en moet het meer sprong maken. Mits uiteraard het paard niet versnelt, vertraagt of scheef gaat. In de hoeken van de contragalop moet het paard met de voorhand om de achterhand springen en krijg je dus vanzelf meer sprong en gedragenheid.’

Sprintje

‘Veel dressuurruiters doen het niet, maar wil je de galop écht verbeteren, is af en toe een sprintje trekken erg goed. Als ik tijdens een buitenrit eens flink heb gegaloppeerd, dan voel ik dan de dagen erna een galop die tien keer beter is. De galopsprongen zijn veel groter en met meer ruggebruik.’

galop buitenrit

Heb je moeite met de buiging in deze oefening, kun je de volte openen en sluiten.

‘Als je paard in de verzamelde galop geen zuivere drietakt meer heeft, maar overgaat in een viertakt galop, dan zet het zich vast in de rug en/of hals. Rijd weer naar voren en geef de hals wat lengte. Gymnastiseer het paard en werk aan de souplesse. Een goede oefening hierbij zijn de galopappuyementen. Heb je moeite met de buiging in deze oefening, kun je de volte openen en sluiten. Bij het openen oftewel als je gaat wijken, kun je dit niet te scherp opzij doen. Een zuivere takt gaat altijd voor de verzameling. Werk hier dus eerst aan voordat je weer gaat verzamelen.’

Natuurlijke scheefheid

‘In de galop heeft het paard meestal een natuurlijke scheefheid. Het paard zal vaak iets met zijn achterbenen naar binnen galopperen. Het is dan van belang de voorhand voor de achterhand te plaatsen middels het rijden van schouder voor of licht schouderbinnenwaarts. Doe dit door met de buitenteugel tegen de hals de schouders iets naar binnen te plaatsen. Daarbij activeer je het binnenachterbeen van het paard door met je binnenbeen te drijven.’

In de volgende delen van deze instructieve serie worden verschillende dressuuroefeningen behandeld. Te beginnen met het wijken voor de kuit. Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

Tekst: Carlijn de Boer

Foto’s: DigiShots en Remco Veurink

0 696
lippizaner

Bastiaan de Recht is met zijn Lipizzaner-ruin Siglavy Bonavia woensdag te zien in het actualiteitenprogramma Tijd voor MAX bij Omroep Max. De uitzending begint om 17.10 uur op NPO1.

De Recht komt met Siglavy Bonavia uit in de Lichte Tour. De ruiter is volgende maand ook te zien in het voorprogramma van de ‘Spanische Hofreitschule’ in Ahoy’ Rotterdam.

Tijd voor MAX wordt gepresenteerd door Martine van Os en Sybrand Niessen. Deze week wordt het programma live uitgezonden vanuit een openluchtstudio in Blokzijl.

Foto: Shutterstock

 

 

Stap
Verruimen in de stap. Thamar Zweistra - Hexagons Denzel CDI Zeeland Outdoor 2016 © DigiShots

 

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na de vorige keer de teugel- en beenhulpen en de combinatie van beide in de vorm van het rijden van overgangen en het ontwikkelen van het horizontale evenwicht te hebben behandeld, gaan we nu verder met de stap. Hoe verbeter je en wat zijn de valkuilen?

Het verbeteren van de stap

‘In de stap kennen we maar weinig oefeningen, het verruimen, verzamelen en de keertwending. Toch is de stap een belangrijk onderdeel van een proef en telt de verruiming bijvoorbeeld vaak dubbel. Hoe verbeter je de stap van je paard en wat zijn de valkuilen.’

Stap
Dit Friese paard gereden door Diederik van Silfhout toont de ‘v’ in zijn stap. Een teken dat de stap tactzuiver is.

Zuiver

‘Het belangrijkste in de stap is de zuivere takt. De stap moet in een viertakt gereden worden waarbij het voorbeen en het achterbeen aan één zijde telkens een V vormen. Is de stap geen viertakt of vormt zich geen V dan, dan zie je vaak dat het paard lateraal gaat. Hierbij gaat het linkervoorbeen tegelijkertijd met het linkerachterbeen naar voren. Dit gebeurt ook aan de rechterzijde. Een paard dat niet taktzuiver loopt zet veelal de rug vast. Vaak ontstaat dit als de ruiter het paard gaat verzamelen. Om de takt te herstellen kun je het paard dus wat meer halslengte geven. Ook kun je wijkend stappen om de takt te herstellen. Op deze manier laat het paard de rug gemakkelijker los.’

stap
Het zuiver houden en ontwikkelen van de stap blijft belangrijk tot op het hoogste niveau. Hier Adelinde Cornelissen met Parzival.

Verruimen

‘Bij het verruimen van de stap heeft het paard lengte in het frame nodig. De draf kun je gemakkelijk verruimen terwijl het paard kort blijft in de hoofd-halshouding oftwel het frame. In de stap is dit niet zo. Het verlengen van het frame en vergroten van de paslengte gaan samen. Verleng eerst het frame van het paard door het met je been naar je hand toe te rijden, zie ook deel 5 onder het kopje ” Hoe?’ punt 2. Wil het paard de hand volgen dan kun je de paslengte vergroten met je beenhulp. Volg daarbij de passen van je paard wel goed met je zit.’

Het water in

‘Wil je paard, ondanks dat het je hand wel volgt en je goede been- en zithulpen geeft, nog niet voldoende de stap verruimen? Dan kun je wederom het paard laten wijken om zo het lichaam op te rekken. Of gebruik maken van balken, waar je paard overheen moet stappen. Leg de balken op zo’n afstand dat het paard echt even zich moet strekken om erover heen te stappen. Ook aquatraining kan de stap verbeteren. De beste aquatraining vind je in een waterbak of door in het zeewater te stappen.’

Keertwending om de achterhand
Keertwending om de achterhand Foto: Remco Veurink

Keertwending

‘Eén van de moeilijkste oefeningen is de keertwending in stap. Je moet niet alleen controle hebben over het tempo, maar ook over de positie van de hals zowel verticaal als horizontaal, schouder oftewel voorhand als achterhand. Heel ingewikkeld dus. Begin met het aanleren van de keertwending met een volte van tien meter, waarbij je het paard zowel in schouderbinnenwaarts als in travers laat stappen. Hiermee train je de controle over voorhand en achterhand. Als dit goed gaat, zet je een keertwending schouder voor in, waarbij je daarna de voorhand om de achterhand rijdt en de achterhand met je buitenbeen begrenst. Je binnenbeen zorgt voor het ritme in de stap en het optillen van het binnenachterbeen, oftewel het spilbeen. Lukt een kleine keertwending nog niet? Zorg er dan eerst voor dat je weer schouderbinnenwaarst en travers op de volte kunt rijden in het juiste ritme.’

Volgende keer: de draf

In het volgende deel van deze instructieve serie wordt de draf behandeld. Hoe maak je van een arbeidsdraf een draf met meer expressie en afdruk? Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

Bastiaan de Recht
Bastiaan de Recht aan het werk met één van zijn paarden.

Tekst: Carlijn de Boer
Foto’s : Remco Veurink / Digishots

horizontaal evenwicht
Horizontaal evenwicht © DigiShots

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na de vorige keer de teugel- en beenhulpen en de combinatie van beide in de vorm van het rijden van overgangen te hebben behandeld, gaan we nu verder met het ontwikkelen van horizontaal evenwicht (deel 5 van 12).

Ruiter op de rug

‘Van nature draagt het paard 3/5 van zijn lichaamsgewicht op de voorhand en 2/5 op de achterhand. Dit heet het natuurlijk evenwicht. Hier kan het paard prima mee functioneren, zolang er geen ruiter op zijn rug zit. In de voorhand staan de botten in verhouding rechter op elkaar dan in de achterhand. Van nature zijn deze benen dan ook meer gemaakt om te dragen.’

Indien het bekken kantelt, zal het achterbeen automatisch meer onder kunnen treden.

Waarom?

‘Zodra wij als sportruiter, maar ook als recreatieve ruiter, op een paard gaan zitten en lang plezier willen hebben van onze viervoeter, is het van belang dat het paard zijn rug gaat bollen. Doet het paard dit niet zal het met een doorgezakte rug lopen, wat blessures in de hand kan werken. Met het bollen ontstaat opwaartse draagkracht, waarmee het paard de ruiter kan dragen. Het bollen van de rug en dus de opwaartse draagkracht, komt tot stond door het buigen van de hals, het optrekken van de borstkas en het aanspannen van de buikspieren. Deze buikspieren zitten vast aan het bekken en zorgen ervoor dat deze kan kantelen. Indien het bekken kantelt, zal het achterbeen automatisch meer onder kunnen treden. Dit komt omdat het achterbeen vast zit aan het bekken. Door het onderbrengen van de achterhand richting het zwaartepunt, wordt tevens het borstbeen gelift. Het paard zal van een natuurlijk evenwicht in een het horizontale evenwicht komen (50%-50%). Werk je hierin verder door en laat je de achterhand nog meer onder treden dan kan een paard uiteindelijk zijn voorhand zo liften dat het een pirouette kan draaien of zelfs kan piafferen. Maar in eerste instantie werken we dus aan het horizontale evenwicht, zodat het paard de ruiter op een juiste manier kan dragen.’

Horizontaal evenwicht
Je paard ontwikkelen van het natuurlijke evenwicht naar het horizontale evenwicht (foto: Digishots)

 

Piaffe
Uiteindelijk kan vanuit het horizontale evenwicht het paard nog verder doorontwikkeld worden, waardoor hij nog meer gewicht op de achterhand neemt. Op de foto: piaffe (foto: Remco Veurink)

Hoe?

‘Het achterbeen is veel meer gehoekt en kan door middel van spiertraining gestimuleerd worden om verder onder te treden. Je kunt pas beginnen met het werken aan het horizontale evenwicht als het paard goed aan de hulpen staat en je dus gemakkelijk correcte overgangen en tempowisselingen kunt rijden. Om in het horizontaal evenwicht te komen, zijn de volgende voorwaarden essentieel:

1) Het paard moet eerst aan het been zijn (zie ook deel 3 van deze serie) om de buikspieren aan te kunnen spannen.

2) Het paard moet nageeflijk over de rug lopen. Dat wil zeggen als je een teugelhulp geeft moet het paard ontspannen in nek- en kaakgewricht (zie ook deel 2 van deze serie). Zodra het paard dit doet, ontspan je met je hand en sta je toe. Je brengt hierbij je hand iets naar voren, waarop het paard de hand met zijn neus naar voren en naar beneden moet volgen. Het paard loopt nu over de rug, mits het wel aan het been is. Zakt het paard niet ver genoeg met de hals, laat het dan eerst in de positie waarin het loopt nageven en sta vervolgens toe.

Het aanspannen van de opwaartse boog gebeurt dus zowel aan de achterkant, beenhulpen, als aan de voorkant, teugelhulpen.’

Het lukt niet….

‘Lukt het niet om je paard in een horizontaal evenwicht te rijden of wil je dit nog meer verbeteren, dan kun je gaan schakelen. Oftewel tempowisselingen rijden. Je verruimt en verkort hierbij de passen van je paard, meestal in de draf of galop. Zorg dat het paard hierbij aan de hulpen is (zie tevens deel 2, 3 en 4). Als je naar voren rijdt, verruimt, dan is het belangrijk dat het paard niet duikt of juist tegen de hand komt, maar in balans blijft. Duikt het paard, stel het dan wat hoger in voordat je verruimt. Komt het paard juist tegen de hand, stel het dan eerst iets ronder in. Ook bij het opvangen moet het paard met zijn hoofd-halshouding in balans blijven. Is dit niet het geval dan brengt het paard de achterhand nog steeds niet voldoende onder de massa.’

In galop

‘Een andere goede oefening voor het liften van de schoft en het onderbrengen van de achterhand is het aanspringen in galop. Dan voel je als ruiter dat het paard zich lift aan de voorkant. Maak overgangen tussen draf en galop, waarbij je natuurlijk er wel weer op let dat het paard aan de voorkant niet duikt of tegen de hand is. Maar ook in de galop zelf kun je tempowisselingen rijden. Denk er wel om dat je het paard niet te kort maakt in de hals. De hals van een paard is de balanceerstok en moet hij kunnen gebruiken om met de schoft omhoog te kunnen lopen.’

Welke oefening zorgt er nog meer voor dat het paard de achterhand onderbrengt en de schoft lift? Juist ja, het achterwaarts.

Achterwaarts!

‘Welke oefening zorgt er nog meer voor dat het paard de achterhand onderbrengt en de schoft lift? Juist ja, het achterwaarts. Tenzij deze oefening natuurlijk wel goed wordt uitgevoerd. Het achterwaarts moet met impuls, diagonaalsgewijs en nageeflijk gereden worden. Gaat het paard niet diagonaals gewijs, slepend of zonder impuls achterwaarts? Herstel dan de impuls door een paar keer directe overgangen tussen halthouden en draf te maken. Houd het paard hierbij nageeflijk, ook tijdens het achterwaarts. Om je paard achterwaarts te leren gaan of als het paard geblokkeerd staat als je achterwaarts wil. Laat het dan eerst eens bijna volledig opzij stappen voor de druk van één been, dus heel scherp wijken. Zowel naar links als naar rechts of doe alleen de achterhand naar links en rechts. Gaat dat goed, vang het paard dan een beetje op, totdat het zijwaarts achterwaarts gaat. Vergeet niet elk pasje achterwaarts goed te belonen. Dat het paard nu eerst nog zijwaarts achterwaarts gaat, komt later wel goed. Eerst moet het snappen dat het achterwaarts kan. Ook kun je je instructeur vragen het paard op de borst te drukken tegelijkertijd met jouw hulpen voor het achterwaarts; je verlicht je ziet iets en vangt het paard op. Koppel hier ook een stemhulp aan vast. Het paard moet het eerst begrijpen.’

Schijn bedriegt

‘Een paard dat zijn hoofd hoog draagt, is niet meteen ook een paard dat met zijn schoft omhoog loopt. Een paard met een hoge hoofd-halshouding, kan nog steeds met een weggedrukte schoft en/of rug lopen, als de achterhand nog niet voldoende onder treedt. Andersom gebruikt een paard met een lage hoofd-halshouding niet per se zijn rug als het de achterhand niet onderbrengt. Kijk dus goed naar het hele plaatje en of het paard met zijn schoft omhoog loopt.’

Volgende aflevering

In de volgende delen van deze instructieve serie komen de stap, draf en galop aan de orde. Hoe kun je deze gangen verbeteren en wat zijn de valkuilen? Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

Bastiaan de Recht
Bastiaan de Recht aan het werk met één van zijn paarden.

Tekst: Carlijn de Boer

 

 

 

 

0 3839
Everdale
Everdale, de vader van Jara, hier onder Charlotte Fry (foto: DigiShots)

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na de vorige keer de teugel- en beenhulpen te hebben behandeld dan nu de combinatie van beide in de vorm van overgangen rijden.

Overgangen en tempowisselingen

Je hebt overgangen, zoals het woord al zegt waarbij je overgaat van de ene in de andere gang, dus bijvoorbeeld van stap naar draf. En je hebt tempowisselingen, waarbij je van tempo wisselt binnen een bepaalde gang, bijvoorbeeld van arbeidsdraf naar middendraf.  

Overgangen rijden
Tempowisselingen rijden  bestaan uit het wegrijden en het terugrijden (foto)

Waarom?

‘Beide hebben uiteindelijk als doel het paard te activeren, ook voor het been van de ruiter; te laten verzamelen oftewel meer gewicht over te laten nemen door de achterhand of het paard beter over de rug te laten lopen. Maar in eerste instantie zijn overgangen en tempowisselingen voor de meeste ruiters ter controle van het paard. Dus of het paard gehoorzaam is aan de hulpen en of de ruiter kan bepalen in welke gang of tempo het paard loopt.

Voorbereiden

‘Je hoort het vaak genoeg ‘bereid die overgang nu eens voor’. Maar in hoeverre moet je een overgang voorbereiden? Doe je dit oeverloos dan zal het paard leren om niet snel te reageren. Bereid je helemaal niet voor, dan overval je het paard. Geef je de hulpen voor je overgang één keer met een kleine hulp aan en laat het paard het dan zelf doen. Bij geen reactie geef dan een corrigerende krachtigere hulp eventueel ondersteund met spoor, zweep of stem.

Problemen en oplossingen

Bij overgangen maar ook bij tempowisselingen kan er veel goed gaan, maar zie je ook vaak uitdagingen die vragen om de juiste aanpak van de ruiter. Onderstaand de meest voorkomende problemen met de bijbehorende oplossingen.

  1. Langer worden
    ‘Meestal wil het paard in een overgang langer worden, zodat het de achterhand niet te veel onder zijn lichaam hoeft te plaatsen en juist op de voorhand kan blijven lopen. Om te voorkomen dat het paard langer in de hals wordt, kun je weer werken met kleine ophoudingen (zie deel 2) en hou je zo het frame kort. Wil een paard tijdens de overgang naar de galop langer worden of gooit het juist zijn hoofd omhoog, stel het dan van te voren iets ronder in en laat het paard tijdens de overgang iets wijken voor je binnenbeen.’
  2. Impulsverlies
    ‘Valt je paard heel erg terug bij een overgang vanuit draf naar stap of vanuit galop naar draf, controleer dan of de overgang gereden en niet getrokken is. Dat wil zeggen een overgang waarbij de ruiter alleen maar aan de teugels trekt, zorgt ervoor dat de impuls (voorwaartse drang) in de nieuwe gang ook weg is. Rijd het paard terug naar de nieuwe overgang door kleine ophoudingen en laat het paard zelf de overgang maken. Vanuit de galop naar de draf, kun je ook een beetje contrastelling vragen, zodat je het paard uit balans haalt en eerder naar de draf valt. Vergeet ook niet in de nieuwe gang te rijden. Als de nadruk te veel licht op stoppen van de oude gang en niet op het beginnen van de nieuwe gang, zal het paard ook te veel terug komen.’
  3. Huppeltje
    ‘Maakt je paard een huppeltje in de overgang van stap naar draf, druk het dan eens in de overgang opzij voor je binnenbeen. Door te wijken tijdens de overgang, activeer je de achterbenen van het paard meer en kun je een huppeltje voorkomen. Sowieso is het goed om in zijgangen ook overgangen en tempowisselingen te rijden voor de gehoorzaamheid en verzameling.’
  4. Verkeerde galop
    ‘Springt je paard steeds aan in de ‘verkeerde’ galop, ofwel de contragalop, probeer dan eens met contrastelling aan te springen. Op deze manier geef je de binnenschouder meer ruimte om verder naar voren te kunnen komen en dus in de goede galop aan te springen. Springt je paard toch telkens aan in de contragalop. Galoppeer dan door, verander van hand, neem het terug naar de draf, verander weer van hand en probeer het opnieuw. Dit lukt niet in één keer, maar blijf het herhalen totdat het paard wel een keer goed aanspringt. Zo laat je het paard zelf ondervinden welke galop gemakkelijker is om goed in balans te blijven.’
  5. Lateraal
    ‘Een laterale stap, waarbij de viertakt verloren gaat, zie je nog al eens bij een overgang terug van uit draf of galop. Geef het paard juist wat halslengte in de stap en laat het rustig stappen, door zelf even te ontspannen.’

Volgende aflevering

Heb je het rijden van overgangen en tempowisselingen aardig onder de knie, dan kun je verder werken aan het horizontale evenwicht. Hierbij neemt het paard meer van zijn gewicht over op de achterhand. Ben je benieuwd hoe je dit horizontale evenwicht verder kunt ontwikkelen? Houd dan de Hoefslag facebookpagina en de website goed in de gaten!

Bastiaan de Recht
Bastiaan de Recht aan het werk met één van zijn paarden.

 

Carlijn de Boer voor dehoefslag.nl, overname zonder toestemming én bronvermelding niet toegestaan.

0 6169
Aan het been
Aan het been

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuurrijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na de vorige keer de teugelvoering en -hulpen te hebben behandeld dan nu de beenhulpen en het paard voor het been maken.

 

Goede beenhulpen

‘Wil je het paard voor het been maken, dan zijn goede beenhulpen belangrijk. Maar nog belangrijker is om niet te blijven knijpen, duwen of schoppen. Gebruik dan je beenhulp in combinatie met een zweep- en stemhulp!’

Ondersteunend of corrigerend?

‘Wat zijn goede beenhulpen? Als je druk geeft met twee benen, moet het paard voorwaarts gaan. Dat is leuk, maar wat als hij toch niet naar voren gaat? Geef dan kleine duidelijke schopjes met je been, waarop het paard een schrikreactie geeft. Stop met het geven van de beenhulp als het paard voorwaarts gaat. Reageert het paard niet of onvoldoende, vul deze hulp dan aan met een hulp van je sporen of zweep. Maar dus ook met je stem. Longeren is daarom ook heel goed om te doen. Zo leert het paard een verband te leggen tussen een zweep- en een stemhulp, waar je tijdens het rijden weer gebruik van kunt maken. Een beenhulp moet niet onderhoudend zijn, maar alleen corrigerend. Dat wil zeggen, het paard moet niet blijven lopen, doordat het iedere pas een beenhulp krijgt. Integendeel, je geeft je beenhulp, waarop het paard voorwaarts gaat en vervolgens doe je niets. Pas als het paard langzamer gaat, geef je weer een beenhulp.’

Beenhulp
Afhangend been, dat niets doet. Pas als je voorwaarts wilt, geef je een beenhulp.

Tegenwerkende hulpen

‘Gaat het paard nog niet voorwaarts ondanks dat je de juiste beenhulpen geeft, controleer dan even het volgende. Houd je het paard niet tegen met je teugel? Onbedoeld wordt er tijdens het geven van beenhulpen nog wel eens getrokken aan de teugels. Klem je niet met je bovenbenen? Als een ruiter klemt met zijn bovenbenen zal het paard hierop terug komen. Er zit eigenlijk een soort knijper op zijn rug. Is je bovenlichaam te veel naar voren? Ook dan zal het paard meestal reageren door langzamer te gaan.’

Zijwaarts

‘Bij oefeningen waarbij het paard zijwaarts moet gaan, geef je een beenhulp met alleen je binnenbeen. Tenzij er buiging in tegenovergestelde richting wordt gevraagd, zoals bijvoorbeeld bij een travers of appuyement. Dan zorgt het andere been voor de buiging. Een zijwaartse beenhulp geef je hetzelfde zoals hierboven beschreven, maar dan met één been. Als je bijvoorbeeld wilt wijken in draf, maar dit niet lukt. Ga dan eerst even terug naar de stap en oefen het zijwaarts gaan in deze gang.’

Goede plek

‘Wat is nu de goede plek voor het geven van beenhulpen? Als je voorwaarts wil gaan, geef je met twee benen een hulp dicht bij de singel. Wil je het paard meer verzamelen, dan moet het zijn buikspieren aanspannen en wordt de beenhulp veelal meer naar achteren gegeven. Let er wel op als de beenhulp te ver naar achteren wordt gegeven, bestaat het risico dat het bovenlichaam van de ruiter te ver naar voren komt en het paard juist wordt afgeremd.’

Voor het been rijden
Aan het been

Tip

‘Een stillere beenligging krijg je niet voor elkaar door gespannen te proberen je benen zo stil mogelijk te houden. Een stil been begint met een ontspannen ruiterlichaam en een been dat om het paard heen hangt. Probeer juist ontspannen mee te bewegen met het paard, zodat je benen stil zijn ten opzichte van het lichaam van het paard. En blijf consequent met je beenhulpen!’

Overgangen rijden

Ben je benieuwd hoe je het paard nog beter voor het been kunt krijgen? Lees dan het volgende onderwerp dat gaat over overgangen rijden. Hierin worden ook oplossingen voor de meest voorkomen problemen bij diverse overgangen besproken. Houd de Hoefslag facebookpagina en de website dus goed in de gaten!

Bastiaan de Recht
Bastiaan de Recht aan het werk met één van zijn paarden.

Carlijn de Boer voor dehoefslag.nl, overname zonder toestemming en bronvermelding is niet toegestaan

Foto’s: Remco Veurink en Jennifer fotografie

 

Volg ons!

102,864FansLike
0VolgersVolg
0VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer