Tags Posts tagged with "Anneke Hallebeek"

Anneke Hallebeek

Je paard ligt bezweet te rollen in zijn stal. Hij staat op, loopt een paar rondjes en gaat weer liggen. Een beeld dat je als eigenaar niet wilt zien. Een paard met koliek maakt je ernstig ongerust, want de afloop is onvoorspelbaar.

Recidiverende koliekpatiënt

Met enige regelmaat hoor je of lees je over fataal aflopende koliekgevallen. Gelukkig kan in veel gevallen de dierenarts je geruststellen en het paard snel weer pijnvrij krijgen. Maar meestal zonder antwoord op de vraag waarom je paard koliek heeft gekregen. Krijgt je paard meer dan 2-3 keer koliek per jaar dan is dit een recidiverende koliekpatiënt. Dit vraagt om een uitgebreider onderzoek en analyse van het paard, maar ook van het rantsoen en het management, om op zoek te gaan naar de oorzaak. Hoe vaker je paard koliek heeft, des te groter het risico dat het een keer niet goed afloopt.

Preventiemaatregelen

Een optimaal rantsoen en goed management van het paard zijn de belangrijkste preventiemaatregelen voor koliek. Als het paard inwendige veranderingen of aandoeningen heeft, kan vaak met een aangepast rantsoen koliek voorkomen worden. Omdat deze aanpassingen afhankelijk zijn van de situatie, is eerst onderzoek nodig door de dierenarts.

 

Oorzaak voer?

Heeft je paard herhaaldelijk koliekklachten dan wordt vaak aan het voer gedacht. De meeste oorzaken van de pijnklachten komen tenslotte uit het maagdarmkanaal. Het is dus geen verkeerde gedachte. Maar kijk breed en beoordeel ook het hele management van het paard. Mocht alles kloppen, dan kan koliek ook ontstaan als gevolg van problemen in het paard zelf.

  1. Ligt het aan het voer?
  2. Ligt het aan het voeren?
  3. Ligt het aan beweging?
  4. Ligt het aan het paard?
    -> Gebitsklachten
    -> K
    ribbebijten/luchtzuigen en maagzweren
    ->
    Dunnedarmontsteking
    ->
    Darmwandbeschadigingen
    ->
    Darmflora veranderingen
  5. Ligt het aan het zand?
  6. Voertips om je paard gezond te houden

 

1.Ligt het aan het voer?

Om daar een antwoord op te kunnen geven moet gekeken worden naar wat het paard te eten krijgt, hoeveel en wanneer. Je moet voeren wat het paard nodig heeft. En wat het paard nodig heeft is afhankelijk van de situatie en de gezondheid. Paarden die geen of weinig werk doen, hebben ander voer nodig dan sportpaarden. Paarden die opgroeien of een veulen krijgen stellen zo ook hun eigen eisen aan het rantsoen. Kortom, er is niet één algemeen rantsoen of voer waar elk paard gezond mee blijft. Het is daarom ook geen goed idee om exact na te doen wat anderen aan hun paard voeren. Al is het alleen maar omdat paarden op een andere stal een andere kwaliteit ruwvoer krijgen.

Het zijn meestal niet direct de voedermiddelen die koliek kunnen veroorzaken, maar de manier waarop ze gebruikt worden. Tenzij het voer bedorven is.

Beschimmeld

Een veelvoorkomende koliek veroorzaker is (licht) beschimmeld (kuil)voer. Ingepakt ruwvoer kan makkelijk bederven als het geopend is, zeker als het product redelijk droog, maar toch nog wat vochtig is. Heb je dit niet in de gaten en voer je het beschimmelde ruwvoer aan je paard dan kan de darmflora in de dikke darm veranderen. Door deze verandering in samenstelling van de micro-organismen die daar leven kan de voerafbraak minder goed verlopen wat tot gevolg heeft dat er meer gasproductie plaatsvindt en het paard koliek krijgt. Of dat het paard mest produceert met te veel vezels of water. Ook hooi kan beschimmeld zijn. Maar doordat beschimmeld hooi vaak erg stoffig is, zie je dan eerder luchtwegklachten.

Ruwvoer
Ruwvoer

Verkeerde soort ruwvoer

Koliek kan ook ontstaan door gebruik te maken van het verkeerde soort ruwvoer, bijvoorbeeld als het ruwvoer slecht afbreekbaar is. Zoals bij graszaadhooi en stro het geval kan zijn. Deze producten zijn zeer vezelrijk en bevatten zeer weinig makkelijk verteerbare onderdelen. De bacterieflora heeft moeite met afbraak van deze vezels. De voermassa in de darmen droogt uit als het daar te lang verblijft. Een verstopping in de darmen geeft koliek. Het paard kan moeite hebben met mesten van de zeer droge mestballen.

Te snelle voerafbraak

Tegenover een te langzame voerafbraak staat voer dat zorgt voor een te snelle voerafbraak door de darmbacteriën. Zo kan jong gras te snel worden afgebroken omdat het vezel- of structuuraandeel nog erg laag is. Hierdoor groeien andere bacteriën in de dikke darm die meer melkzuur vormen. Bij minder vezelafbrekende bacteriën die normaal gesproken het melkzuur gebruiken, zal de darminhoud verzuren. Met een verandering van de microflora tot gevolg welke kan leiden tot gasproductie en koliek. Ook zie je dan vaak te dunne mest. Veel suikers of zetmeel die niet in de dunne darm verteerd zijn geven in de dikke darm gelijksoortige gevolgen. Deze koolhydraten komen vooral in granen en krachtvoer voor. Het gehalte aan zetmeel in het krachtvoer (verschilt per soort), maar ook de mate van vertering van het krachtvoer kan reden zijn voor koliek.

Mals gras
Mals gras

Kwaliteit en wijze gebruik

Het gaat dus niet zozeer om het voedermiddel ‘an sich’, maar meer om de kwaliteit en de wijze en combinatie van gebruik. Zo kan de combinatie van gras met wat stro een prima verteerbaar rantsoen opleveren.

 

2.Ligt het aan het voeren?

Het voeren houdt in de voertijden en de voerhoeveelheden per dag. Het paard stelt eisen aan de hoeveelheid voer die dagelijks nodig is, om in een goede conditie te blijven en om het maagdarmsysteem goed te laten werken. Staat een paard in de wei dan heeft hij altijd voer ter beschikking. Het paard loopt en het paard eet. Gras komt in hapjes binnen en stroomt zo geleidelijk door het maagdarmkanaal. De maximale voerhoeveelheid is begrensd door deze doorstroomsnelheid en dus de verteerbaarheid, en ligt ongeveer bij de 2% van het lichaamsgewicht in droge stof. Een paard van 600 kg eet maximaal 12 kg droge stof gras, d.i ongeveer 80 kg vers gras (soms is deze opname nog wat hoger zelfs). Met de voederwaarde van een malse weide berekend, is de opname aan energie en eiwit veel hoger van de meeste paarden nodig hebben.

Reserves voor de winter

In de natuur is de voederwaarde van wat er groeit wat lager, maar ook dan zal het paard in gewicht toenemen. Deze reserves worden in de winter gebruikt om in leven te blijven. Voor de meeste van onze paarden zal de weidegang beperkt moeten worden om overgewicht en risico’s van hoefbevangenheid te voorkomen. Met een relatief rijke weide zal het even puzzelen worden om de conditie goed te houden, maar de tijden zonder eten niet al te lang. Want langdurig vasten geeft kans op maagzweren, gedragsproblemen en koliek! Paarden eten in ongeveer 7 uur voldoende gras voor de dag als ze in een goede weide staan. Natuurlijk zal dit voor elk paard weer wat verschillen, dus beoordeel altijd de body condition score om zeker te zijn dat deze niet te veel gaat afwijken. Maar het houdt wel in dat naast de (beperkte) weidetijd het paard in de resterende uren nog extra (ruw)voer nodig krijgt.

Een paard met ‘reserves’ voor de winter

Ook op stal kan je dit ter discussie stellen; wat zijn de beste voertijden?

Maagzweren

Omwille van een goede maaggezondheid heeft een paard minimaal iedere 6 uur voer nodig. Langer dan 6-8 uur zonder voedsel in de maag kan mede leiden tot maagzweren (stress is ook een belangrijke factor). Een verkeerde voerfrequentie kan koliek veroorzaken als het paard te lang op voer moet wachten, als gevolg van maagzweren (oorzaak van recidiverende koliek) of door stress en onrust op stal.

Hoeveelheid per keer

De hoeveelheid krachvoer per voerbeurt kan ook tot koliekklachten leiden. Te veel voer in één maaltijd is (wederom) een oorzaak van maagzweren en kan door een minder goede dunne darmverteerbaarheid leiden tot verteringsklachten in de dikke darm. Krachtvoer bevat ingrediënten die vooral in de dunne darm verteerbaar zijn. Als daar onvoldoende tijd voor is (grote massa), zorgen deze ingrediënten voor een verstoring van de balans in de darmflora. De maaggrootte is beperkt en het advies is om niet meer dan 2 kg krachtvoer per maaltijd te voeren (voor een pony niet meer dan 1 kg). En beter is om het krachtvoer in meerdere porties over de dag te verdelen.

Krachtvoer
Krachtvoer

 

3.Ligt het aan beweging?

Het normale gedragspatroon van paarden bestaat uit lopen en grazen. Al lopen paarden in de natuur niet veel op hoge snelheid, de beweging is wel van invloed op de darmwerking. Niet of weinig bewegen kan de darmwerking beperken en oorzaak zijn van verstoppingskoliek. In de richtlijnen van de Gids voor Goede Praktijken (2011) staat dat paarden minimaal 4 uur beschikking tot beweging moeten hebben (met de mogelijkheid een sprintje te trekken!). In de winter met slecht weer kan dit er weleens bij inschieten. Zorg dus dat je je paard elke dag langer dan voor het uurtje rijden uit de box haalt.

beweging
Voldoende beweging is van belang

 

4.Ligt het aan het paard?

Sommige paarden lijken veel gevoeliger voor koliek dan anderen. Misschien dat de pijngrens per paard verschilt. Vaak zijn darmkrampen oorzaak van koliek, waar het ene paard eerder en heftiger op reageert dan het andere. Het paard kan ook interne problemen hebben die aanleiding zijn tot verandering van de verteerbaarheid en zo koliek geven. Onderzoek van het paard wijst uit wat er aan de hand is. Een behandeling kan de situatie verbeteren, maar geeft niet altijd volledig herstel. Ook het rantsoen moet aangepast worden op de specifieke behoefte van het paard om koliek te voorkomen.

Gebitsklachten

Een goed gebit is onmisbaar voor een goede vertering. Aandoeningen van het gebit zijn vaak tot zekere hoogte te herstellen. Maar bij oudere paarden is herstel niet goed mogelijk. Het rantsoen moet zo zijn aangepast dat het paard ook zonder veel kauwen de juiste voedingsstoffen binnenkrijgt zonder risico op koliekklachten. Bonpard Senior bevat hoogwaardige grondstoffen die gemakkelijk verteerd en opgenomen worden, ook als het paard slecht kauwt. Geef daarnaast fijn, zacht hooi en/of gras, zolang dit mogelijk is. Als het paard zelfs hooi niet meer goed kan kauwen (het valt als “rolletjes” of “proppen” terug in de bak), kan Bonpard Senior ook als enig voedermiddel worden gebruikt. Senioren hebben een aangepaste behoefte aan mineralen en vitaminen, waar Bonpard Senior aan voldoet, dit ondersteunt de gezondheid en verbetert de weerstand. Dit voer is te gebruiken voor jongere paarden met tijdelijke gebitsproblemen. Soms duurt het even voordat het gebit weer volledig hersteld is. Om in de tussentijd vermagering te voorkomen is een aangepast, makkelijk en veilig verteerbaar voer nodig.

Gebit
Gebitscontrole

Kribbebijten/luchtzuigen en maagzweren

Als het paard deze stalondeugd heeft ontwikkeld is het moeilijk om er weer vanaf te komen. Veel buiten lopen en ruwvoer kan helpen het luchtzuigen te verminderen. De beweging die het paard met luchtzuigen maakt, heeft invloed op de darmwerking. Het kan een verandering van de darmbewegingen geven en daarmee de verteerbaarheid van voer verminderen. Luchtzuigen en maagzweren komen regelmatig samen voor. Paarden die hieraan lijden hebben vaak terugkerende koliekklachten. De maagzweren kunnen behandeld worden, maar keren terug als het rantsoen niet wordt aangepast. Dat betekent een rantsoen met een beperkte hoeveelheid zetmeel en suikers, een passende goede kwaliteit ruwvoer in ruime dosering en eventueel toevoeging van plantaardige olie. De hoeveelheden en samenstelling is afhankelijk van de prestaties van het paard. Extra vezels door het voer mengen dwingt tot meer kauwen. De extra speekselproductie is een goede buffer voor het maagzuur. Vaak wordt hier luzerne voor gebruikt. Het hoge calciumgehalte in luzerne werkt waarschijnlijk ook nog als extra buffer. Maar probeer vooral zoveel mogelijk ruwvoer en weidegang te geven.

Kribbebijten
Kribbebijten

Dunne darmontsteking

Een diagnose die minder eenvoudig is vast te stellen, is een ontsteking van de dunne darm oftewel IBD (inflammatoire bowel disease). Oorzaken en mogelijkheid tot behandeling varieert. Paarden die aan IBD lijden zijn vaak vermagert en hebben onvoldoende bespiering. De darmwandontsteking heeft gevolgen voor de verteerbaarheid van het voer, wat ook kan leiden tot koliekklachten. Extra krachtvoer geven omdat het paard vermagert heeft een averechts effect. Dit komt omdat krachtvoer zetmeel en suikers bevat en juist de vermindering van de zetmeelvertering is aanleiding voor koliek. Ook hier geldt dat het rantsoen aangepast moet worden op de mogelijkheden die het paard heeft en de specifieke behoefte als gevolg van de aandoening. Extra energie in de vorm van zacht en dus rijk ruwvoer of gras en een aanvulling met plantaardige olie kan de conditie verbeteren. Bonpard Motility en Bonpard Muscle zijn geschikte dieetvoeders voor deze patiënten. Bij sterke vermagering dient het rantsoen een redelijk hoog eiwitgehalte te hebben van een eiwitbron met veel essentiële aminozuren. Alleen in de dunne darm kan het paard aminozuren opnemen. Bij een darmwandontsteking is de capaciteit daarvan gedaald. Vandaar dat een eiwitrijk voer als Bonpard Mare&Foal een rol kan spelen in het rantsoen voor deze patiënten. Anders dan andere merrievoeders heeft Bonpard Mare&Foal naast een hoog eiwitgehalte van een goede kwaliteit, een laag zetmeel gehalte en een hoog vetgehalte.

Mager
Paarden die aan IBD lijden zijn vaak vermagerd en hebben onvoldoende bespiering.

Darmwandbeschadigingen

Darmwandbeschadigingen komen voor als paarden een ernstige wormbesmetting hebben gehad. Littekens in de darmwand of op andere plaatsen kan nadelig zijn voor de darmbeweging. Het voer wordt minder goed getransporteerd, wat weer van invloed kan zijn op darmflora veranderingen. Soms heeft het paard een verstoppingskoliek en soms een koliek door een verkeerde fermentatie. De littekens zijn blijvend. Zaak is het paard zo goed mogelijk te ondersteunen en voer aan te bieden die voor dit paard bruikbaar is en geen problemen geeft. Maatwerk dus! Aan de hand van de symptomen maakt de dierenarts een keuze in de aanpassing van het rantsoen om de vertering te verbeteren. Soms duurt het even voordat de juiste samenstelling is gevonden die voor het paard het beste resultaat geeft. Bonpard Colon en Bonpard Motility zijn beide dieetvoeders die, voor deze soms complexe situaties, regelmatig met goed gevolg gebruikt worden.

Darmflora veranderingen

De darmflora ontwikkelt in de eerste maanden van het paardenleven. Tijdens deze fase is het belangrijk dat het veulen in aanraking komt met gezonde darmbacteriën. Van zijn moeder bijvoorbeeld. Zo zie je veulens regelmatig mest eten. Een goede manier om een gezonde darmflora te maken. Veulenziekten en gebruik van antibiotica kunnen deze ontwikkeling verhinderen. Ook bij volwassen paarden kan na veel antibioticagebruik de darmflora minder gezond zijn. Heeft het paard een matige gezonde darmflora dan kan het zijn dat bij kleine voerveranderingen al koliek ontstaat. De darmflora heeft onvoldoende buffer om veranderingen op te vangen. Zaak is om de darmflora te ondersteunen met een goed rantsoen en aanvullende ingrediënten. Een variatie aan verschillende vezels is gunstig voor een gevarieerde darmflora. Uiteraard is het ruwvoer van groot belang. Zowel in hoeveelheid als in kwaliteit. Omdat grof ruwvoer een rustige voerafbraak kent, heeft dit type ruwvoer de voorkeur boven zacht ruwvoer of gras, wat heel snel gefermenteerd wordt en juist snel tot een fermentatiestoornis kan leiden. Levende gistcellen zijn voor paarden een goede probioticum. Zij zijn in staat om het milieu in de dikke darm iets te veranderen, waardoor de “goede” bacteriën beter kunnen groeien. Omdat levende gistcellen niet in de darm blijven, maar met de mest het paard verlaten, moeten ze dagelijks worden gegeven. Bonpard Colon bevat Yeasacc© als bron van levende gistcellen. Bij een minder gezonde darmflora zal de productie van vitamine B-complex en vitamine K minder zijn. Toevoeging aan het rantsoen geeft zekerheid dat het paard niets tekortkomt. Bonpard Colon is dieetvoer speciaal gemaakt voor paarden met een minder gezonde darmflora.

 

5.Ligt het aan het zand?

Veel zandopname is een veelvuldig voorkomend probleem en oorzaak diarree en koliek. Met het voer eten komt altijd wat zand mee. Bij een goede darmwerking (en een vezelrijk rantsoen) verdwijnt zeker 70% van het zand met de mest. Veel zand eten of een minder goede darmwerking kan zandophoping tot gevolg hebben. Het zand beschadigt het slijmvlies in de darmen. Dit zal de vertering en absorptie verminderen en de darmfermentatie beïnvloeden. Naarmate het gewicht van het zand toeneemt vermindert de darmbeweging en kan ook een verstopping het gevolg zijn. De behandeling en de aanpassing van het rantsoen is gericht op het verwijderen van zand (dierenarts geeft paraffineolie met psyllium) en verbeteren van de darmwerking en de darmflora. Goed ruwvoer plus Bonpard Colon zorgen voor een goede darmgezondheid zodat zand met de mest mee komt en minder schade kan geven.

Zand eten
Zand eten

 

VOERTIPS OM JE PAARD GEZOND TE HOUDEN:

  1. Geef nooit ruwvoer dat beschimmeld is (kijk en ruik!!).
  2. Geef minimaal 4 keer per dag voer als je paard niet onbeperkt ruwvoer mag eten.
  3. Laat je paard niet langer dan 6 uur zonder eten staan.
  4. Geef niet meer dan 2 kg krachtvoer per keer (of minder!) (een pony max 1 kg per keer).
  5. Zorg voor minimaal 4 uur bewegingsmogelijkheid per dag.
  6. Voor geen ruwvoer van een zanderige bodem.
  7. Geef geen weidegang op te kort gras (< 5cm).
  8. Gebruik aangepast dieetvoeding als je paard dit nodig heeft.

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding
Foto’s: Anneke Hallebeek, Shutterstock

 


Lees ook de voorgaande aflevering uit de serie: ‘Alles over voeding’

Alles over voeding (1): Insulineresistentie bij paarden – wat nu?

Foto boven: Shutterstock

Onbeperkt gras eten is voor een paar dat gevoelig is voor insulineresistentie af te raden.

Insulineresistentie komt tegenwoordig veel meer voor dan vroeger. Ook het mogelijke nadelige gevolg ervan: hoefbevangenheid. Vast staat dat insulineresistentie met name bij sobere rassen in de zomermaanden een verhoogd risico geeft op hoefbevangenheid. Ook wel ‘weide-gerelateerde hoefbevangenheid’ genoemd. Brengt dat met zich mee dat sobere rassen geen weidegang meer mogen hebben? Of is dat iets te snel door de bocht? Wat kan je doen om gezondheidsrisico’s te verminderen?

Haver

Tijdens een college aan studenten van de Universiteit in Wageningen over de keuze aan ingrediënten voor paarden komt steevast de vraag waarom haver zo graag aan paarden wordt gevoerd. Waarschijnlijk is het ooit een keuze geweest die gebaseerd is op beschikbaarheid en prijs. Nu bevat haver in vergelijking met andere graansoorten wat specifieke kenmerken die ze iets beter voor het paard geschikt maken. Haver is een vezelrijk graan met een iets lager zetmeel en suikergehalte dan gerst of tarwe.

Lange werkdagen

De laatsten werden en worden meer voor humane consumptie gebruikt. Tijdens lange veldtochten nam het leger een soort gebakken graankoeken mee in de zadeltassen voor de paarden. Ze waren lang onderweg en de paarden hadden geen tijd om veel te grazen. Ook voor paarden op een boerenbedrijf gold dat zij lange werkdagen maakten. Daardoor hadden ze een hoge energiebehoefte, maar onvoldoende eettijd om dit met gras of hooi te voldoen. Vandaar de haverzak.

Veranderingen

Gezien de veranderingen in het houden en gebruiken van paarden wordt wel steeds duidelijker dat tegenwoordig maar weinig paarden zoveel werk verrichten dat het voer een hoog aandeel zetmeel en suikers moet bevatten. Toch bestaan de ingrediënten voor paardenvoer nog wel vaak uit granen en graanbijproducten. Zijn deze voeders wel geschikt voor paarden die niet veel werken óf voor paarden met verterings- of stofwisselingsklachten?

Alternatieven

In het uitgebreide assortiment paardenvoeders zijn tegenwoordig wel alternatieven te vinden, waar granen steeds vaker plaats maken voor vezelrijke ingrediënten, maar je moet dan wel goed zoeken en de labels lezen. Behalve dat overmatig zetmeel kan leiden tot verteringsklachten, kan de opname van veel glucose in het bloed (door afbraak van zetmeel en suikers in de dunne darm) effect hebben op de insulinehuishouding. Zeker als de spieren weinig hoeven te doen, kan de insulinegevoeligheid afnemen en is insulineresistentie een nadelig gevolg van een dieet met veel zetmeel en suikers.

Suikerrijk

Voor paarden en pony’s die sober van aard zijn, geldt dat zij aanleg hebben om insulineresistentie te ontwikkelen. Is dat eenmaal aan de hand, dan moet het rantsoen, afhankelijk van de oorzaak, aangepast worden. Niet alleen krachtvoer moet dan onder de loep genomen worden, ook ruwvoer kan suikerrijk zijn!

Hoefbevangen
Typische stand van een hoefbevangen pony

Hoefbevangenheid

Insulineresistentie komt tegenwoordig veel meer voor dan vroeger. Ook het mogelijke nadelige gevolg ervan: hoefbevangenheid. Veel wetenschappelijk onderzoek houdt zich hiermee bezig. Daaruit kunnen een aantal conclusies getrokken worden, maar nog veel blijft onbekend over de oorzaak en het mechanisme. Vast staat dat insulineresistentie met name bij sobere rassen in de zomermaanden een verhoogd risico geeft op hoefbevangenheid. Ook wel “weide-gerelateerde hoefbevangenheid” genoemd. Brengt dat met zich mee dat sobere rassen geen weidegang meer mogen hebben? Of is dat iets te snel door de bocht? Wat kan je doen om gezondheidsrisico’s te verminderen?

Insuline

Wat is insulineresistentie?Insulineresistentie is een situatie waarin het effect van insuline is verminderd. Insuline is nodig om glucose te transporteren van het bloed naar de weefsels. Na het eten van een zetmeel- en suikerrijke maaltijd stijgt het glucosegehalte in het bloed, wat een signaal is voor betacellen in de eilandjes van Langerhans van de alvleesklier om het hormoon insuline te maken. Insuline is de sleutel van het slot, waardoor het deurtje opengaat om glucose de bloedbaan te laten verlaten naar spier- of vetweefsel. Bij insulineresistentie past de sleutel niet goed op het slot. Het duurt langer voordat het deurtje opengaat.

Vetophopingen

Meer insuline is nodig om uiteindelijk toch de glucose naar de weefsels te krijgen, waar het als energiebron gebruikt wordt (of in vet wordt omgezet). Sommige weefsels nemen glucose op zonder tussenkomst van insuline. Door de insulineresistentie verandert de verdeling van glucose in het lichaam. Op korte termijn kan dit een gewenst effect zijn als bepaalde lichaamsdelen meer glucose nodig hebben (normale of fysiologische insulineresistentie). Maar langdurige insulineresistentie kan leiden tot vermagering ondanks dat er ook vetophopingen ontstaan. Langdurige insulineresistentie is nadelig voor de energievoorziening van het paard, het kan de betacellen uitputten (minder insulineproductie) en de hoge stijging van insuline in het bloed kan leiden tot hoefbevangenheid.Vooral dit laatste is een groot probleem dat veel gezien wordt bij paarden en pony’s in de zomermaanden. Dit heeft te maken met de combinatie van paarden en pony’s met insulineresistentie en gras met, soms plotseling, hoge suikergehalten.

Welke paarden krijgen insulineresistentie?

1. Sobere rassen hebben een erfelijke aanleg om zuinig met energie om te gaan.

Ze hebben minder energie nodig voor dezelfde prestaties als niet-sobere rassen. Oftewel bij dezelfde energieopname is er eerder sprake van een overschot en omzetting in vetreserves. Overgewicht kan insulineresistentie veroorzaken als gevolg van de productie van te veel ontsteking stimulerende stoffen door het vetweefsel. Niet elk paard met overgewicht krijgt insulineresistentie. Als je wilt weten of je te dikke paard een vergroot risico heeft om hoefbevangenheid te krijgen kan je overwegen insulineresistentie door je dierenarts te laten testen. Aan de andere kant is overgewicht een niet gezonde situatie voor het paard en is het beter het paard te laten vermageren. Hierdoor zal de insulineresistentie vaak verdwijnen.

2. Ook oudere paarden kunnen een overschot aan ontsteking stimulerende stoffen genereren.

Dit als gevolg van verouderingsprocessen en hebben daarmee een verhoogd risico op insulineresistentie.

3. Paarden en pony’s met PPID (Pituitary Pars Intermedia Dysfunction)

Zij produceren een overmatige hoeveelheid corticosteroïden. In overschot leiden deze hormonen tot insulineresistentie. Een behandeling kan de productie van corticosteroïden en de mate van insulineresistentie verminderen. Omdat PPID en veroudering vaak samengaan is het mogelijk dat de insulineresistentie blijvend is.

4. Heel veel krachtvoer geven is een oorzaak van insulineresistentie

Of dat in de praktijk een veelvoorkomende oorzaak is, is de vraag. De paarden die veel krachtvoer krijgen zijn meestal niet van een sobere ras en moeten vaak ook hard werken. Inspanning vermindert het risico op insulineresistentie.

5. Veel suikerrijk ruwvoer (en krachtvoer) kan een mogelijke risico factor zijn om insulineresistentie te ontwikkelen bij sobere rassen

Gras kan suikerrijk worden onder bepaalde weer- en groeiomstandigheden. Ook hooi en kuilvoer kunnen een hoog aandeel suikers bevatten.

6. Equine Metabolic disease

Equine Metabolic disease wordt beschreven als een aandoening van vooral sobere rassen, soms met overgewicht, die insulineresistentie hebben en gevoelig zijn voor hoefbevangenheid.

Hoe merk je het aan je paard?

De verschijnselen van insulineresistentie zijn niet direct overduidelijk zichtbaar. Vaak zijn het geleidelijke veranderingen. De conditie vermindert, de vetophopingen zijn opvallend, vaak is het vet in de nek hard en stevig. Bij PPID kan de vacht veranderen, krijgt het paard langere haren en verhaart het minder makkelijk in het voorjaar. En natuurlijk het krijgen van hoefbevangenheid. Ook dat kan in gradaties optreden. De hoefsmid ziet soms al veranderingen in de witte lijn van de hoef (foto) voordat het paard zichtbaar kreupel loopt. Paarden die eerder hoefbevangenheid hebben gehad kunnen reageren op suikerrijk voer, door meteen weer kreupel of stijf te lopen of door warme hoeven. Soms kan je een kloppend bloedvat in de kootholte voelen. Je dierenarts kan insulineresistentie bepalen door middel van bloedonderzoek. Soms is deze bepaling vaker nodig om zekerheid te krijgen.

Hoefbevangenheid
Veranderingen in de witte lijn op de hoef duidt op hoefbevangenheid

Is insulineresistentie te behandelen?

Insulineresistentie is eigenlijk geen aparte ziekte. Maar meer een gevolg van andere oorzaken. Onder normale omstandigheden krijgt een paard tijdelijk te maken met insulineresistentie in geval van een ernstige ontsteking of ziekte én tijdens de laatste maanden van de dracht. De functie van deze tijdelijke insulineresistentie is om de glucosewaarden in het bloed te verhogen om zo bepaalde gebieden van extra energie te voorzien (bijvoorbeeld het veulen). In deze perioden is het niet zinvol insulineresistentie te testen (ook niet bij acute hoefbevangenheid dus!). Deze insulineresistentie is tijdelijk van aard en geeft geen nadelige gevolgen.

Chronische insulineresistentie

Chronische insulineresistentie geeft wel nadelige gevolgen en moet als het kan bestreden worden. Dit kan bijvoorbeeld door het rantsoen aan te passen én het glucose verbruik te stimuleren, zoals meer beweging geven. Dat laatste kan uiteraard alleen als er nog geen sprake is van ernstige hoefbevangenheid. Daarnaast geeft verminderen van de vetmassa, oftewel vermagering, ook vermindering van insulineresistentie. Voor PPID is een medicijn beschikbaar die ervoor zorgt dat er minder corticosteroïden worden geproduceerd. Vermindering van insulineresistentie is dan het gevolg. Zowel bij vermagering na obesitas als bij behandeling van PPID kán het echter zijn dat de insulineresistentie niet verdwijnt. De rol van regelmatig beweging geven in de behandeling van insulineresistentie wordt nog weleens vergeten. Spieren nemen glucose op met behulp van een receptor die insulineafhankelijk is. Maar tijdens inspanning nemen de spieren ook glucose op zonder tussenkomst van insuline. Dit kan een manier zijn om de hoge glucosewaarden in het bloed te laten dalen.

Beweging

Niet alle paarden met insulineresistentie hebben langdurig hoge glucose bloedwaarden. Door de insulineproductie te laten stijgen, lukt het vaak om de glucosewaarden op een gezond peil te houden. Maar een tweede positief effect van inspanning is dat de gevoeligheid van de insulinereceptor toeneemt en de insulineresistentie dus vermindert. Voor de mens geldt als advies bij insulineresistentie (voorloper van diabetes type 2) om dagelijks 30 minuten aan sport te doen. Veel paarden in Nederland bewegen erg weinig en worden niet dagelijks getraind. Waarschijnlijk is onvoldoende beweging een zeer belangrijke factor, samen met het soms suikerrijke rantsoen én het toenemend aantal paarden met overgewicht, voor het stijgende aantal paarden met insulineresistentie!

Welke voedermiddelen zijn geschikt?

Haver, gerst, tarwe en mais zijn voedermiddelen of ingrediënten van krachtvoer met een hoog zetmeel en suikergehalte. Of het teveel is voor het paard hangt onder meer af hoeveel je voert. En dan zelfs nog hoeveel je per maaltijd voert. Voor paarden met insulineresistentie geldt een eis aan de hoeveelheid zetmeel en suikers per maaltijd van maximaal ca. 0,3 g per kilogram lichaamsgewicht. De eis is niet op nul gesteld. Ten eerste omdat er bijna geen voedermiddelen zijn die geen zetmeel of suikers bevatten, ten tweede omdat een paard wel glucose kan gebruiken, als het maar gelimiteerd is.

voeding paard
Krachtvoer: zorg dat je weet wat de samenstelling is

Krachtvoer nodig?

Basisbrok bevat meestal rond de 250 (tot 350) gram zetmeel en suikers per kilogram. De adviesdosering ligt rond de 2-3 kilogram per dag voor een paard van 600 kg. Daar zijn de gehalten aan mineralen en vitaminen op aangepast. Om de limiet van 0,3 g Z&S/kg LG/maaltijd aan te houden, zou je dit paard 3 tot 5 keer per dag moeten voeren. Bevat het krachtvoer meer Z&S dan nog vaker! De vraag is of je paard krachtvoer nodig heeft. Met alleen ruwvoer zijn veel paarden prima op een gezond gewicht te houden. Maar ook ruwvoer bevat suikers. Ruwvoer neemt een paard geleidelijk op. Daarom is de eis van 0,3 g Z&S/kg lg/maaltijd is hier niet van toepassing. Wel is er een maximale hoeveelheid suikers toegestaan in ruwvoer voor paarden met insulineresistentie. Aan het voer kan je dit niet beoordelen zonder analyse. De totale suikerfractie in de analyse mag niet meer zijn dan 10-12% van de droge stof (100-120 g/kg ds).

Body Condition Score
Bron: Bonpard

Gras

Onder bepaalde omstandigheden komen hogere gehalten voor in gras, kuilvoer en hooi. Deels ook afhankelijk van het soort gras. Gebruik voor paardenweiden speciaal samenstelde graszaadmengsels, die produceren minder suiker dan graszaden voor koeienweiden. Maar ook deze paardenweiden kunnen hogere suikergehalten krijgen, vooral als het gras stress heeft en niet kan groeien. Zoals tijdens droogte of door gebrek aan stikstof (bemesting). Omdat het niet is te meten en suikergehalten dagelijks of zelfs per uur kunnen veranderen, geldt voor paarden met insulineresistentie een streng weidebeleid. Beperkte weidegang, eventueel met graasmasker, op bepaalde uren van de dag en in geval van extra risico (droogte) geen weidegang.

Zelf rantsoen samenstellen

Dan zijn er nog de enkelvoudige voedermiddelen waar je zelf een rantsoen mee kan samenstellen of die je als extra kan geven. Ook daarvoor kijk je naar de zetmeel en suikergehalten die het bevat en de dosering die je wilt geven of het mogelijk is. Omdat je meestal combinaties maakt, zal een rantsoenberekening nodig zijn of het geheel voldoet aan de zetmeel&suiker eis, maar ook aan de mineralen- en vitaminenbehoefte van het paard.

 

Tabel Zetmeel en suikergehalte (per kg droge stof en per kg vers product) in enkelvoudige voedermiddelen
Droge stofgehalte Z&S per kg droge stof Z&S per kg vers product
bietenpulp 898 87 78 (ca 15 g in 1 kg geweekte pulp)
zemelen 883 235 208
wortelen 113 345 39
Lijnzaad 913 50 46
Plantaardige olie 995 0 0
haver 889 465 413

 

Tabel Suikergehalten in ruwvoersoorten
Droge stofgehalte per kg Suikergehalte per kg droge stof variatie
Hooi, grof 867 56 11-95
Hooi, gemiddeld 850 103 48-160
Hooi, fijn 834 124 57-197
Kuilvoer, grof 717 77 17-140
Kuilvoer, gemiddeld 667 101 27-178
Kuilvoer, fijn 565 109 11-202
Gras, standweide 177 96 32-240
Luzerne (Hartog) 830 67

 

Insulineresistentie, wat kan je wel voeren?

Omdat insulineresistentie meestal niet alleen komt en omdat het rantsoen afhankelijk is van de situatie waarin het paard zich momenteel bevindt zijn er meerdere situaties denkbaar.

Situatie 1: IR door overgewicht Om de insulineresistentie én het risico op hoefbevangenheid te verbeteren moet het paard gewicht gaan verliezen.

Minder eten en meer bewegen klinkt eenvoudig, maar blijkt in de praktijk toch een zware dobber. Het proces gaat enkele maanden duren. Dat vergt een goed aanvalsplan wat voor (met name) de eigenaar vol te houden moet zijn en succes garandeert. Niets zo frustrerend als langdurig je best doen zonder resultaat. Of met een verkeerd resultaat. Je kan namelijk een paard laten vermageren door gewoon heel weinig te voeren, maar daarmee riskeer je spierverlies, gevoeligheid voor infecties (minder weerstand), stalondeugden (verveling) en zelfs maagzweren! Het plan bevat een uitgebalanceerd dieet met beperkt energie, voldoende vezels, eiwit en mineralen en vitaminen. Omdat het rantsoen weinig energie bevat, is het automatisch ook laag in zetmeel en suikers. Een opbouwend trainingsschema vergroot de energiebehoefte, stimuleert vetzuurverbranding en verbetert de insulinegevoeligheid. Schakel geleidelijk over naar een energiearm dieet, neem daar 2 weken de tijd voor. Plotseling minder energie geven kan namelijk een vetstofwisselingsstoornis geven, en dat loopt vaak slecht af. Laat het dieet door een deskundige samenstellen. De dierenarts heeft een speciaal voer wat gemaakt is om paarden gezond te laten vermageren (Bonpard Non-obesitas). De body condition score verandert in het begin nog niet veel. Dit komt omdat het paard ook in de buik een vetreserve heeft, die je niet ziet en dus ook niet ziet verminderen. Volhouden en uiteindelijk zal ook de vetlaag onder de huid afnemen en kan je de ribben beter voelen. Laat voor de zekerheid de insulineresistentie testen om zeker te weten dat dit is verbeterd. En natuurlijk blijf je nu goed op de body condition score letten en hou je je paard lekker in beweging.

Situatie 2: IR door PPID Is PPID de boosdoener van de insulineresistentie, dan kan dit nog overgaan als je paard medicijnen krijgt.

De medicijnen genezen het paard niet van PPID, maar zorgen wel voor een betere hormonale balans en daarmee vermindering van insulineresistentie. Het medicijn is dus geen kuur maar een blijvende dagelijkse toediening. Deze paarden hebben vaak last van vermagering. Is de insulineresistentie weg dan is heel suikerarm gras of hooi niet nodig. Toch blijft het opletten met weidegang en krachtvoer. Geef een gemiddelde kwaliteit ruwvoer, hooi of droog kuilvoer (‘haylage’, droge stofgehalte rond 60-65%). En een vetrijk krachtvoer met relatief laag zetmeel en suikergehalte (minimaal 6% ruw vet en maximaal 250 g Z&S) (Bonpard Muscle).

Situatie 3: IR door veroudering.

Dit gaat meestal ook gepaard met vermagering. Door gebitsproblemen kan ruwvoer nu een probleem worden om goed te kauwen. Gras is vaak wel mogelijk. Een duivels dilemma dus. In de ochtenduren is het gras minder suikerrijk (behalve na nachtvorst). De snelheid van grasopname zal redelijk laag zijn, daarmee zijn ook minder hoge suikerpieken (en insulinepieken) in het bloed te verwachten. Maar geef naast beperkte weidegang ook extra energie in de vorm van een speciaal seniorvoer, bijvoorkeur in meerdere porties per dag. Met extra vezels, vetten plus een aangepaste dosering mineralen en vitaminen om de gezondheid en weerstand te ondersteunen. (Bonpard Senior)

Situatie 4: IR en geen andere afwijkingen (eventueel vetophoping zonder echte obesitas) kan een gevolg zijn van eerder overgewicht.

Soms verdwijnt de insulineresistentie namelijk niet. Beperking in energie en voeropname is nu niet meer nodig. Maar wel beperking in de opname van zetmeel en suikers. Wederom is weidegang een risico. Met een graasmasker verminder je de opnamesnelheid en zou je het paard toch enkele uren weidegang kunnen geven. Het hooi kan je laten analyseren. Is het hooi iets te suikerrijk (tot ca 125-135 g suiker/kg ds) dan kan dit voldoende verlagen door het ongeveer 30-60 minuten in (warm) water te laten weken. Let op dat je dan ook een vermindering krijgt van eiwit, mineralen en vitaminen. Met een berekening van de combinatie aan voedermiddelen in het totale dagrantsoen weet je wat en hoeveel je moet aanvullen. Voor situatie 2-4 is extra beweging altijd een manier om de insulinegevoeligheid te verbeteren. Een topprestatie is niet nodig, maar minimaal 30 minuten flink aan de wandel kan al bevorderlijk zijn. Alles wat meer kan is meegenomen.

Situatie 5: IR en hoefbevangenheid

Heeft het paard of de pony hoefbevangenheid dan is de mogelijkheid tot extra beweging in eerste instantie zeer beperkt. Met speciaal beslag en afhankelijk van de ernst is later werk wel weer mogelijk. In de acute fase zal de dierenarts pijnstillers geven en advies hoe en waar het paard te stallen. Omdat het paard nu een (soms zware) acute ontsteking heeft is extra zorg nodig om voldoende ondersteunende voedingsstoffen te geven. Zet nu het paard niet op een streng vermageringsdieet, maar voer het voldoende met in water geweekt ruwvoer (1,25-1,5 kg ds per 100 kg lichaamsgewicht per dag) eventueel wat extra luzerne om voldoende eiwit te geven plus een supplement met mineralen en vitaminen. Is de acute fase voorbij dan kan een te dik paard op een vermageringsdieet gezet worden. Is het paard in normale conditie, dan is “suikercontrole” erg belangrijk. Alleen producten met weinig suikers geven en de hoeveelheden in meerdere porties over de dag verdelen. Het belangrijkste blijft het ruwvoer. Probeer een geschikte kwaliteit te vinden en daar een grote voorraad van in te slaan. Geef je daarnaast een mineralen en vitaminen supplement dan kan dit een compleet rantsoen opleveren. (Bonpard Forage).

Extra supplementen

Als je zeker weet dat het paard voldoende krijgt wat nodig is, is het de vraag of extra toevoegen van specifieke voedingsstoffen (magnesium en/of chroom bijvoorbeeld) verbetering gaat opleveren van de insulineresistentie. Veel rantsoenen van paarden die weinig krachtvoer krijgen kunnen te laag zijn in sommige mineralen, vitaminen en spoorelementen. Uiteraard verdient dat verbetering. Niet van één element, maar van alle noodzakelijk voedingsstoffen. Maar bevat het rantsoen wel alle voedingsstoffen, dan is extra niet altijd beter. Als je supplementen wilt gebruiken, zorg dan dat het veilig is en niet leidt tot tekorten of overschotten van andere elementen.

 

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding
Foto’s: Anneke Hallebeek, Shutterstock

0 89
oog
foto: Remco Veurink

Altijd al willen weten of je paard zo fit is als jij denkt? Of waar nog winst te behalen valt? Voor de eerste special van 2015 mag Hoefslag drie lezers blij maken met een fitheidscheck van hun paard. Hierbij voeren dierenarts Alfons Geerts en voedingsdeskundige Anneke Hallebeek een vakkundig onderzoek uit.

Dierenarts Alfons Geerts van eDigit mobiel Paardenonderzoek stelt op donderdagochtend 29 januari zijn kennis , ervaring en kliniek in Roosendaal ter beschikking om een algemene gezondheidscheck uit te voeren. Daarnaast geeft voedingsdeskundige Anneke Hallebeek advies over het rantsoen van je paard. Een verslag en de uitkomst van de fitheidscheck wordt gepubliceerd in de eerste Hoefslag Special die vanaf half februari bij de abonnees op de deurmat ligt.

Kans maken op deze fitheidscheck? En kun je op 29 januari? Stuur dan een mail naar hoefslag.nl@sanoma.com met daarin de reden waarom jouw paard deze check verdient. Let op: de check is niet bedoeld voor paarden die al iets mankeren.

0 33
Tristan Tucker
Tristan Tucker

Loop je tegen problemen aan bij het springen, is het gedrag van je paard niet meer te verklaren, dreig je in conflict te komen met de buren over de bouw van paardenstallen, of kom je er niet meer uit tijdens de dressuurtraining? Het Hoefslag Panel biedt uitkomst.

Vanaf januari geeft het panel, bestaande uit springruiter Willem Greve, dressuurruiter Seth Boschman, eventingamazone Alice Naber-Lozeman, de dierenartsen van Paardenkliniek Wolvega, voedingsdeskundige Anneke Hallebeek, jurist Luuk Boerema en expert in probleempaarden Tristan Tucker (foto), in Hoefslag antwoord op lezersvragen.

In Hoefslag 48/49 van 29 november stellen we onze experts voor. Heb je een vraag voor een van onze panelleden, mail deze dan naar hoefslag@sanomamedia.nl

Volg ons!

103,192FansLike
0VolgersVolg
0VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer