
"Consequent in
generaties denken"
Paul Schockemöhle behoort tot het selectieve aantal personen die zowel de internationale springsport als de moderne sportpaardenfokkerij hebben gevormd. Terwijl hij in de sport zelf tot de succesvolste ruiters van zijn tijd behoorde, ontwikkelde hij in de afgelopen decennia een fokkerijsysteem dat consequent is gebaseerd op prestatie, selectie en de opbouw van moederlijnen over generaties heen. We spraken met hem over zijn aanpak.
Tekst: Adriana van Tilburg | Foto's: Sanne Wiering
Als je terugkijkt op je carrière als fokker, wat heeft je in al die jaren het meeste plezier gegeven?
"Dat is niet zo eenvoudig te beantwoorden. In de laatste jaren is het vooral het succes van de paarden uit mijn fokkerij. Het geeft me veel voldoening om te zien dat mijn paarden op belangrijke wedstrijden Grote Prijzen winnen, zich vooraan plaatsen en internationaal doorbreken. Tegenwoordig is er nauwelijks nog een concours ter wereld waar geen paarden uit mijn fokkerij aan de start verschijnen."
Is er een bepaald moment of misschien een paard dat je bijzonder is bijgebleven? Als sportpaard en als fokpaard?
"Dan zou ik zeggen: de in 1961 geboren Hannoveraan Askan van Almhügel III uit Agenda van Agram. Dat is inmiddels ruim 60 jaar geleden, maar het was mijn eerste internationale toppaard, destijds een van de beste paarden ter wereld. Als fokpaard zijn er natuurlijk meerdere. Als hengst zonder twijfel Chacco-Blue, maar als we het over merries hebben, wordt het lastiger, daarvan zijn er veel op een zeer hoog niveau. Ik heb meer dan 1.000 fokmerries gehad, die teruggaan op slechts acht merrielijnen. Het zijn steeds weer dezelfde, bijzonder sterke stammoeders waaruit zich, over generaties heen, goede paarden ontwikkelen."
Kun je een voorbeeld noemen?
"Ja, bijvoorbeeld de merrie Wartburg, die zelf succesvol was onder Hermann Schridde. Uit deze lijn komt tegenwoordig onder andere de 5*-Grand Prix-winnares Chacco’s Girlstar met Emanuele Camilli. En dan natuurlijk Ratina Z, een merrie waarmee ik zelf niets te maken had, maar die zich heeft ontwikkeld tot een van de beste fokmerries ter wereld."
Welke rol speelt dat gerichte werken met lijnen voor jou?
"Dat doe ik heel bewust. Ik werk doelgericht verder met lijnen en behoud telkens de beste merries uit die lijnen. Ik koop er niet veel vreemde lijnen bij, maar ontwikkel mijn eigen lijnen door over meerdere generaties. Dat zie je bijvoorbeeld aan lijnen als Conthargos, Chacco Lover en Conthalor Blue PS, of ook Balou du Rouet. Dat zijn lijnen die zich over zes, zeven of zelfs acht generaties hebben ontwikkeld. Ook in de dressuur zijn er zulke lijnen, bijvoorbeeld met Totilas en Sandro Hit als lijnvormende hengsten en als fokmerrie Gesine."
Heeft jouw oog als ruiter daarbij een rol gespeeld?
"Ja, absoluut. Ik selecteer de paarden al als tweejarigen en beslis dan of de moeder in de fokkerij blijft of bijvoorbeeld draagmerrie wordt. Ik werk ook met embryotransplantatie, dus ik maak steeds opnieuw de afweging welke merries ik als donormerrie inzet. Dat beoordeel ik vooral op basis van hoe ze springen. Dat is natuurlijk nauw verbonden met de sport en daarbij speelt mijn oog als ruiter een belangrijke rol."
Heeft jouw carrière als topsporter je kijk op de fokkerij en de internationale paardensport beïnvloed?
"Ik fok jaarlijks vrij veel paarden, maar je kunt niet de hele wereld beïnvloeden. Daarvoor is de fokkerij simpelweg te breed. Er zijn veel Belgen, Nederlanders en Fransen die eveneens een grote rol spelen en de fokkerij sterk hebben gevormd, zoals bijvoorbeeld de familie De Brabander en anderen."
Met Oldenburger Springpferdezuchtverband heb je bovendien een eigen merk opgebouwd. Welke betekenis heeft dit project voor jou?
"Ja, dat was in 2001 en inmiddels ben ik 81. Maar het is niet alleen mijn eigen fokkerij. OS bestaat immers niet alleen uit mijn eigen merries, maar ook uit veel springpaarden van andere fokkers die daar worden geregistreerd. Tegen de achtergrond van de toenemende professionalisering in de ruitersport ontstond de behoefte aan een specifieke selectie voor springpaarden, los van de algemene Oldenburger-fokkerij, die zich meer richtte op dressuur- en allround sportpaarden. In tegenstelling tot gesloten stamboeken positioneert het OS-stamboek zich als een open fokprogramma, waarin doelgericht internationale bloedlijnen worden geïntegreerd, met name uit Frankrijk en België. Terugkijkend blijkt dat veel Duitse stamboeken deze open benadering inmiddels hebben gevolgd. Ten tijde van de oprichting vervulde het OS-stamboek echter een pioniersrol in Duitsland en zette het vroeg de toon voor een consequent prestatiegerichte, internationaal georiënteerde springpaardenfokkerij. We hadden op een gegeven moment ongeveer net zoveel merries als in Holstein en inmiddels registreren we zelfs meer veulens dan het Holsteiner Verband. Dat laat wel zien welke ontwikkeling dit heeft doorgemaakt."
Zie je in de basis overeenkomsten en verschillen tussen springen en dressuur?
"Ja, zeker zijn er eigenschappen die beide richtingen moeten hebben. Paarden moeten atletisch zijn. Het allerbelangrijkste is dat ze de sport graag wíllen doen. Als je het algemene sportpaard van veertig jaar geleden vergelijkt met dat van nu, dan is het beduidend lichter geworden en dat geldt voor beide disciplines. In de springsport moeten paarden vooral kunnen springen. Het is niet genoeg om alleen een goede galop te hebben, ze moeten echt uit zichzelf springen. Dat test ik bij jonge, nog niet gereden paarden in het vrijspringen en later ook onder de ruiter, bijvoorbeeld op wedstrijd. Bij dressuurpaarden is dat qua karakter vergelijkbaar. Maar de twee fokrichtingen zijn sterk uit elkaar gegroeid. Als je 25 jaar terugkijkt, bijvoorbeeld in Oldenburg, dan was er nog veel meer overlap. Ongeveer 25 jaar geleden heb ik in Oldenburg het springpaardenstamboek opgericht. Destijds werden nog Grannus-merries met Sandro Hit gedekt en uit zo'n combinatie krijg je noch een goed springpaard, noch een goed dressuurpaard. Tegenwoordig komt dat nauwelijks nog voor. Dat zie je ook terug in het feit dat er nog maar weinig paarden zijn die zowel in de dressuur- als in de springsport presteren."
Is specialisatie de juiste weg?
"Om tegenwoordig een goede prijs te realiseren, is specialisatie doorslaggevend. Een paard dat in geen enkele discipline echt uitblinkt, is duidelijk moeilijker te verkopen. De markt vraagt om duidelijke profielen."
Is er een rode draad die je volgt, los van de discipline?
"Nee, ik let in de eerste plaats op de merries, vooral op hoe ze zelf springen. Daarna kies ik de hengst die daar naar mijn mening het beste bij past. Het perfecte paard bestaat niet, ieder paard heeft zijn zwakke punten. En daar draait het juist om: die zwaktes zo goed mogelijk compenseren. Alle hengsten zijn verschillend en de kunst is om de juiste combinatie te vinden."
Richt je je vooral op je eigen hengstenbestand of zoek je bewust ook nieuw bloed van buitenaf?
"Als je dat over de afgelopen jaren bekijkt, heb ik steeds bewust nieuw en vers bloed van buitenaf toegevoegd. Natuurlijk heb ik veel Chacco-Blue-bloed, maar in totaal heb ik tegenwoordig eigenlijk alle belangrijke hengstenlijnen vertegenwoordigd hier voorhanden. Zo heb ik bijvoorbeeld Ermitage Kalone, de vader van Wingman van de Pitsemburg, en een Chacco-Blue uit de topmerrie Gancia de Muze, namelijk Chacco-Gan PS Z. Dan Vagabond de la Pomme, zoals bij Vintage One. Nieuw is ook Tiger van ’t Ruytershof, met een zoon daarvan, Time Out. Het Stakkato-bloed heb ik bewust behouden, omdat ik denk dat het zeer waardevol is, ook qua instelling. Daarnaast heb ik Ogano Sitte-bloed, Messenger dat teruggaat op Montender, dus ook daar sterke lijnen. Natuurlijk heb ik ook Conthargos-bloed in de collectie. Daarbij komt een zoon van Eldorado van de Zeshoek TN uit Fit For Fun, die met Luciana Diniz zeer succesvol was, namelijk Especial For Fun Z. En ook een Catoki-zoon uit de zeer interessante merrie Erenice Horta: Ciamant. Ik probeer altijd overal goede merries te vinden en daaruit passende zonen te fokken of kopen. Diarado speelt bij mij eveneens een grote rol. Daarvan heb ik inmiddels in 19 jaar vier generaties opgebouwd: beginnend met Diarado zelf, dan zijn zoon Diaron, de kleinzoon Diablue PS en in de vierde generatie Diacarijo PS en Diallasco Blue PS. Diarado heeft zich zeer goed vererfd en is ook vandaag de dag nog sterk gevraagd. Hij brengt mooie zeer brave, goed te rijden paarden die bovendien uitstekend kunnen springen. Hij won destijds het verrichtingsonderzoek in het springen en staat momenteel zelfs bovenaan de WBFSH-ranglijst voor eventingverervers."
Zijn er lijnen uit je eigen fokkerij die zich voor jou als bijzonder bewezen hebben?
"Een bewezen moederlijn is voor mij in de eerste plaats een stam waaruit over meerdere generaties telkens weer goede paarden voortkomen. Dat is het belangrijkste kenmerk van de kwaliteit van een lijn. In de afgelopen jaren heb ik ook zelf moederlijnen opgebouwd waarvan ik vandaag kan zeggen dat ze zich echt hebben bewezen, bijvoorbeeld de lijnen van Conthargos, Balou du Rouet of ook Conthalor Blue PS. Het is indrukwekkend wat daaruit is voortgekomen. Daarnaast heb ik ook merries uit een Franse moederlijn, die ik destijds van Fernand Leredde heb gekocht, onder andere de moeder van Flèche Rouge en haar volle zus. Uit deze lijn komt bijvoorbeeld Stawita PS, die onder Robin Muhr succesvol op 1.65 m-niveau heeft gesprongen. Maar er zijn ook altijd lijnen waarbij één enkele merrie zeer succesvol is, zonder dat er een echt sterke stam achter zit. In zulke gevallen blijkt vaak dat deze successen eerder toevalstreffers zijn en zich niet duurzaam vererven."
Wanneer is een merrie foktechnisch interessant?
"Ik beoordeel de paarden in eerste instantie over een klein sprongetje, niet hoger dan een cavaletti. Later, in de verdere opleiding, laat ik ze vaker springen. Met drie jaar worden ze ingereden en dan zie je vrij snel hoe het karakter is en waarop je moet letten. Bij mij komt geen enkele merrie in de fokkerij die niet zelf goed springt. Ze moet goede cijfers hebben en idealiter ook goede nakomelingen geven. Op basis daarvan heb ik mijn lijnen opgebouwd en consequent geselecteerd en dat systeem volg ik nu al zo’n 50 jaar."
Welk advies zou je jonge fokkers meegeven?
"Mijn advies aan jonge fokkers is heel duidelijk: fok alleen met de allerbeste merries. Dat betekent natuurlijk ook dat je die moet kunnen herkennen. Pure vermeerdering loont tegenwoordig niet meer, kwaliteit is doorslaggevend. Als je weinig waarde hecht aan prestaties en eigenschappen van de moeder, krijg je meestal eerder recreatiepaarden. Wie voor de sport wil fokken, moet precies weten welke paarden goed zijn en waar hun sterke en zwakke punten liggen. Je moet je bewust verdiepen in de aanparingen: een hengst als Cornet Obolensky bijvoorbeeld, die een wat moeilijkere mond kan hebben, moet je niet combineren met een merrie die hetzelfde probleem heeft. Ik dek alleen met hengsten waarvan ik echt overtuigd ben. Jonge hengsten krijgen in eerste instantie slechts tien tot twaalf merries. Daarna wacht ik af: de hengsten worden verder gereden en als ze als vijfjarige goed presteren in springpaardenproeven, zijn de eerste veulens ook al zo ver dat je ze over een klein sprongetje kunt laten gaan en kunt zien hoe zo'n jonge hengst vererft", besluit Paul.







































































