
“Zonder
topmerrie geen toppaard"
Egbert Schep is heel stellig over zowel de donormerrie als de draagmerrie: "De eerste stap naar een goed veulen is een goede merrie, en dat geldt net zo goed voor een gezonde, jonge draagmerrie. Daar ben ik van overtuigd".
Tekst: Adriana van Tilburg | Foto: Remco Veurink
Schep werkt dus bij voorkeur met jongere merries als draagmerrie: "Geen oude merries: wij werken het liefst met draagmerries van ongeveer drie tot tien, we hebben enkele merries die ouder zijn maar dat zijn merries die al langer in ons programma zitten en die we kennen maar ouder dan tien jaar kopen we ze niet."
Ken je merries
"Wij hebben een aantal programma’s naast elkaar lopen, de betere 3 jarige merries laten we eerst een keer zelf een veulen krijgen om daarna de sport in te gaan, daarnaast spoelen we een aantal jonge sport merries welke embryo’s bij voorkeur in eigen draagmerries worden gezet. Met enkele oude merries doen we OPU/ICSI welke embryo’s ook in eigen draagmerries worden gezet. Je leert die merries kennen, zij kennen de groep en hun omgeving, en je kent hun cyclus. Wij spuiten merries nooit kunstmatig hengstig, maar werken met hun natuurlijke cyclus en dat loopt eigenlijk perfect."
Veertig tot vijftig draagmerries
"Ik heb zo’n veertig tot vijftig draagmerries. Een draagmerrie moet vooral gezond en ruim gebouwd zijn; het moet geen fragiel type zijn. Via Joris de Brabander heb ik ooit de eerste grote dravers ontvangen en daar zijn wij heel enthousiast over, het zijn fantastische, rustige merries. Daarnaast heb ik ook jongere dravers. Zolang het grote, ruime paarden zijn, vind ik dravers ideaal, omdat ze als jong paard al veel in de hand zijn geweest en doorgaans zeer braaf en gemakkelijk zijn. Wat ik ook belangrijk vind, is dat het geen ‘koude’ merries zijn. Ze moeten bewegen, want als de merrie beweegt, beweegt het veulen ook."
Genetisch hetzelfde
"Ik ben ervan overtuigd dat ICSI-veulens genetisch precies hetzelfde zijn als andere veulens. We werken hier al zo’n twaalf jaar mee, dus de oudste nakomelingen zijn inmiddels ook ouder. Die lopen inmiddels internationaal, zijn gezond en ik zie werkelijk geen enkel verschil met paarden die via andere reproductiemethoden zijn geboren. In totaal hebben we door de jaren heen misschien rond de honderd veulens via ET en ICSI samen gefokt, waarvan ongeveer veertig via ICSI. Ik heb eigenlijk niet zoveel oude fokmerries meer. We werken nog met vijf à zes oudere, waardevolle merries voor ICSI; de rest zijn jongere merries die we spoelen."
"Zolang het grote, ruime paarden zijn, vind ik
dravers ideaal"
Leeftijdsgrens
"Voor mij ligt de leeftijdsgrens voor ICSI rond de twintig jaar. De oudste merrie waarmee we nog gewerkt hebben was begin 20; daarna zijn we gestopt. Uit de volbloedfokkerij weten we dat merries tussen hun vierde en achtste levensjaar doorgaans de beste veulens geven. Voor warmbloeden is dat niet wetenschappelijk bewezen, maar ik neig er wel naar om datzelfde uitgangspunt te hanteren. Het blijft een lastige discussie, want soms zie je juist uit oudere merries ineens uitzonderlijke nakomelingen naar boven komen. Als een merrie fysiek nog in zeer goede conditie is, kan dat natuurlijk ook. Toch ligt de natuurlijke piek volgens mij tussen het vierde en achtste levensjaar. Houd je die lijn aan, dan vergroot je de kans op een gezond veulen en uiteindelijk ook op succes."
Bijkomend voordeel
"Een bijkomend voordeel van ICSI vind ik dat je ook bij hengsten die slecht of nauwelijks meer bevruchten, toch nog genetisch waardevol nageslacht kunt krijgen. In die zin zie ik dit als een techniek die absoluut toekomst heeft. Mijn advies aan fokkers die met ICSI overwegen te werken, is wel heel duidelijk: het is een kostbaar traject, dus doe het alleen met merries die echt bijzonder zijn. Denk aan merries die hoog in de sport hebben gepresteerd of zich op een andere manier duidelijk hebben onderscheiden. Met een gemiddeld paard heeft het simpelweg geen zin.”
