Afbeelding
Foto Ruben Karnas

“De draagmerrie maakt het verschil"

"De invloed van een draagmerrie is in wezen dezelfde als die van de eigen moeder op haar veulen. Het gaat om een zeer belangrijke milieufactor", begint Joris de Brabander als we hem vragen hoe succesvol de methoden ET en ICSI zijn.

De invloed van de draagmerrie is dus essentieel. Over wat nu een geschikte draagmerrie is, wil De Brabander nog wel meer kwijt. "Is een merrie nerveus, of dat nu de genetische moeder is of een draagmerrie, dan groeit het veulen op in een nerveus milieu. Is de merrie schraal, dan is ook het milieu waarin het veulen zich ontwikkelt schraal. En wanneer het om een te jonge merrie gaat, heeft dat eveneens gevolgen."

Maidenmerries

"Bij jonge merries zien we vaker dat veulens iets kleiner geboren worden. Het gaat dan meestal om een eerstgeboren veulen, met alle bijbehorende consequenties: de biest bevat doorgaans minder antistoffen, de melkproductie is lager en het veulen groeit nadien minder goed. In dat opzicht is er geen verschil tussen een merrie die haar eigen veulen draagt en een draagmerrie. Wat we in de praktijk bij draagmerries vaak zien, is dat fokkers kiezen voor jonge, zogeheten maidenmerries. Zeker bij ICSI-embryo’s worden bijna uitsluitend maidenmerries ingezet, waardoor het telkens opnieuw om eerstgeboren veulens gaat, met alle gevolgen van dien. Dat vraagt kennis en inzicht van de fokker. Merries die hun tweede, derde of vijfde veulen krijgen, doorgaans tussen de zeven en vijftien jaar, blijken duidelijk betere moederdieren te zijn dan drie- of vierjarige merries."


Andere factoren

"Tegelijkertijd is de draagmerrie slechts één onderdeel van een veel groter geheel. Ook de fokker zelf speelt een grote rol: zijn bedrijf, de beschikbare faciliteiten, de kwaliteit van de grond, de stallen en het klimaat. Die factoren zijn misschien wel even bepalend als de merrie zelf. Daarnaast zijn voeding en huisvesting essentieel. De draagmerrie maakt deel uit van een volledig traject."

Geen Nederlandse dressuurmerries

"Ons inzicht in het gebruik van draagmerries is in de loop der jaren veranderd. We hebben gemerkt dat Nederlandse dressuurmerries in de praktijk minder geschikt zijn als draagmerrie. Ze zijn lastig te hanteren, komen moeilijk in de opvoelbox, laten zich moeilijk ‘opladen’ en zijn vaak erg nerveus wanneer ze op transport moeten naar klanten. Ook tuigpaarden zijn in dat opzicht niet ideaal: die zijn vaak moeilijk te pakken op het moment dat je ze nodig hebt. Om die reden werken wij bewust niet met Ferro- of Jazz-merries als draagmerrie."

Franse dravers

"Wij gebruiken tegenwoordig vrijwel uitsluitend Franse draver-draagmerries. Het grote voordeel is dat deze paarden al een basisopleiding hebben gehad. Ze lopen vaak al voor de wagen op achttien maanden, worden getest en daarna tijdelijk op rust gezet. Als tweejarigen worden ze opnieuw bekeken en paarden die niet voldoen, worden dan verkocht. Voor ons zijn ze op dat moment nog te jong om als draagmerrie te gebruiken, maar ze hebben dan al wél opvoeding, ervaring en gewenning gehad. Deze merries hebben gewerkt, zijn ‘geladen’ geweest, hebben getraind op pistes en zijn verschillende situaties gewend. Dat zie je terug in hun karakter. Franse paarden zijn over het algemeen rustiger en betrouwbaarder dan Belgische en Nederlandse dravers, mede omdat er minder Amerikaans bloed in zit."

Tweelingen

"Wat betreft OPU/ICSI kan ik, afgezien van het feit dat veel ICSI-veulens in het verleden eerstgeboren veulens waren met alle bijbehorende aandachtspunten, niets negatiefs zeggen. Ik weet niet of er daadwerkelijke nadelen zijn. Wat we wel zien, is dat bij ICSI-veulens vaker tweelingen voorkomen. Dat is geen gevolg van het splitsen van embryo’s, maar van het ontstaan van twee embryo’s uit één aangelegd embryo. Dat fenomeen werd bij natuurlijke drachten vroeger nauwelijks beschreven, maar lijkt wel samen te hangen met ICSI. In die zin kun je niet zeggen dat er géén invloed is."

Rotterdam de Muze

Om hier echt harde conclusies over te trekken, zijn grote wetenschappelijke studies nodig, en daar wordt momenteel ook intensief aan gewerkt. Mijn gevoel zegt dat ICSI geen invloed heeft op de dracht of op de gezondheid van het veulen. De oudste ICSI-paarden bij ons zijn inmiddels negen jaar oud. Een voorbeeld is Rotterdam de Muze, een zoon van Cumano. Ik zie geen verschil ten opzichte van paarden die via andere reproductiemethoden zijn geboren.”

Afbeelding