Afbeelding
Foto: Wilma Frentz

"Eerst laten
gebeuren, dan pas
corrigeren"

Begin maart organiseerden we met de DPC en de KNHS de KNHS College Tour met Dinja van Liere met als thema tempocontrole. In het zadel van toekomstpaard Mauro Turfhorst N.O.P.T., met wie ze al succesvol Grand Prix gestart heeft, liet ze zien hoe zij tempocontrole in de praktijk brengt.

Tekst: Denise Dekens | Foto’s: Wilma Frentz

Dinja betreedt de baan met Mauro, die toch wel even opkijkt van de volle tribunes en vlaggen. “Mauro lijkt heel stoer, maar heeft eigenlijk een heel klein hartje”, legt ze uit. “Hij kan dingen oprecht eng vinden. Je ziet hem dan echt om zich heen kijken, een beetje onzeker.” Hermès daarentegen is een heel ander type. “Die kan ook scherp zijn, maar hij vindt dingen niet echt eng. Hij vindt het eerder grappig om mij een beetje te testen. Een beetje een clown.” Dat verschil vraagt om een totaal andere aanpak. Waar je Hermès soms streng kunt toespreken, werkt dat bij Mauro juist averechts. “Als ik tegen Mauro zeg: je moet daar langs, dan denkt hij alleen maar: absoluut niet, dat ga ik nooit doen.” In plaats daarvan kiest ze voor rust. Hem laten kijken, laten wennen, de tijd geven om te begrijpen dat het veilig is. “En als hij dan eenmaal ontspant, dan kan ik hem er zo langs sturen en is er niks meer aan de hand.” Dat soort inzichten ontstaan alleen door tijd samen door te brengen. Door vanaf jonge leeftijd samen te trainen, wedstrijden te rijden en situaties mee te maken. Die basis blijft belangrijk, zelfs op het hoogste niveau. Over Mauro is ze duidelijk: ze heeft grote verwachtingen. “Ik ben gewoon heel gek van dit paard”, zegt ze. “Ik denk dat hij een heel goed Grand Prix-paard kan worden. Hij doet alles met zoveel gemak. Ik denk echt dat hij een serieuze opvolger kan zijn van Hermès.”

Simpel houden

Toch is er nog werk te doen. “Hij kan uit balans raken als hij het even niet begrijpt.” Daarom houdt ze de training bewust simpel. Tijdens het losrijden vraagt ze weinig van hem. Geen overdaad aan hulpen, geen druk. “Als ik meteen alles van hem vraag, dan vindt hij dat niet prettig. Dan blokkeert hij een beetje.” In plaats daarvan begint ze rustig, geeft hem de kans om zijn omgeving in zich op te nemen en stap voor stap in het werk te komen. Ze let daarbij op kleine dingen, zoals de verbinding aan de voorkant. Mauro is van nature licht, soms zelfs té licht. Daarom probeert ze hem subtiel uit te nodigen om die verbinding zelf op te zoeken. “Het maakt me niet uit of hij zijn hals naar voren of naar beneden strekt, als hij maar die lengte pakt en mijn hand een beetje meeneemt.” Ook in oefeningen houdt ze het eenvoudig. Bijvoorbeeld bij het wisselen van galop: één lichte hulp en dan afwachten of hij reageert. “Ik wil hem eigenlijk een beetje testen: let hij nog goed op?” Als hij te traag reageert, herhaalt ze rustig de hulp, zonder extra druk. Hij weet immers wat de bedoeling is. “Hij is scherp, maar op een goede manier.” Het is geen spanning die uitmondt in vervelend gedrag, maar eerder een alerte houding. Hij registreert alles wat er om hem heen gebeurt. “En juist daarin verschilt elk paard”, legt ze uit. “Bij de één moet je zeggen: vooruit, doorlopen, maar bij hem moet je het juist een beetje laten gebeuren.”


Rechtrichten essentieel

Ze schakelt over naar het werk in stap. Een onderdeel dat vaak wordt onderschat, maar volgens haar net zo belangrijk is als alle andere gangen. “In stap draait het net zo goed om tempocontrole”, legt ze uit. Ze wil dat Mauro actief voor haar uit blijft stappen, terwijl zij zelf de teugels rustig op maat kan houden. Zonder dat ze constant hoeft in te grijpen. Met kleine aanwijzingen stuurt ze hem recht vooruit. Haar benen hangen ontspannen af. Voelt ze dat hij terugkomt in energie, dan geeft ze subtiel been en verwacht ze ook direct reactie. “Hij moet dan eigenlijk meteen weer naar voren denken.” Rechtrichten blijft daarbij essentieel. Zodra hij uitwijkt naar links of rechts, corrigeert ze dat. Altijd met dezelfde boodschap: blijf voorwaarts, blijf aan mijn hulpen. “Recht blijven, dat is de basis”, zegt ze. Ze laat hem zijn hals iets strekken en nodigt hem uit tot een ruimere stap. Haar handen bewegen mee, volgen zijn beweging. Daarna neemt ze hem weer terug op en verzamelt hem iets meer zonder dat hij stilvalt of spanning opbouwt. “Ik wil dat ik mijn teugels op maat kan nemen zonder dat hij meer terugkomt dan nodig is.” Stap voor stap maakt ze de oefening iets moeilijker. De passen worden korter, het tempo gecontroleerder. Dan weer vooruit, dan weer verzamelen. Het is een spel van balans, controle en gevoel. “Het gaat erom dat hij altijd vooruit blijft denken.”

Tempocontrole is belangrijker dan nageeflijkheid

Consequent zijn

Ze rijdt een keertwending in. “Je merkt dat hij nu in een keertwending iets vertraagt, maar dan stap ik er gewoon weer uit. Het gaat haar niet om perfect uitgevoerde keertwendingen, maar om het gevoel: blijft hij reageren, blijft hij voorwaarts denken, ook in moeilijkere situaties? Het zijn allemaal oefeningen. In de Grand Prix hoeft hij straks geen keertwending meer te doen, maar dit helpt om te testen of hij ook in de stap echt voor me uit blijft. Dat is eigenlijk de kern. Eén hulp geven en daarna vertrouwen dat hij het overneemt. Natuurlijk gaat dat niet bij elk paard meteen perfect, maar door consequent te blijven, leert een paard steeds beter te reageren. Natuurlijk doen ze dit in het begin nog niet zo makkelijk. Dan moet je die hulp gewoon wat vaker herhalen.” Voor haar hoort dat bij het opleiden van een paard: geduldig blijven, accepteren dat iets nog niet direct lukt en het stap voor stap duidelijk maken. “Je zet hem in, hij blijft misschien even hangen, dan help je hem een beetje naar voren en daarna laat je het weer los. Uiteindelijk moet hij het zelf gaan doen.” Juist dat proces, het laten gebeuren, het laten ‘fout gaan’ en daarna pas corrigeren, is volgens haar essentieel. “Dat is africhten. Laat hem maar even terugzakken en zeg dan: nee, ik wil dat je weer naar voren denkt.”

Oefening als middel

Ze schakelt over naar de pirouettes. Niet als doel op zich, maar als middel om iets te testen. “Ook in een pirouette moet hij voor je uit blijven denken en eigenlijk wil ik daar zo weinig mogelijk in doen.” Ze begint eenvoudig, op een volte. Met een lichte stelling en buiging vraagt ze de achterhand iets naar binnen. Mauro pakt het gemakkelijk op. “Dan denk ik: oké, dit gaat goed. Dan kan ik het iets moeilijker maken.” Ze verkleint de cirkel subtiel met haar buitenbeen en een lichte sturing van haar hand. Zodra ze haar been ontspant, wijkt hij iets uit. Meteen corrigeert ze. “Nee, daar blijven.” Daarna laat ze weer los. Opnieuw wijkt hij iets uit en opnieuw volgt een korte, duidelijke correctie. Steeds hetzelfde principe: aangeven, loslaten, controleren of hij het zelf blijft doen. Uiteindelijk vindt hij zijn balans in de pirouette. “Kijk, nu blijft hij op hetzelfde rondje. Dat is wat je wilt.” Ze rijdt er even uit, geeft hem een moment van ontspanning, want eindeloos herhalen heeft geen zin. “Het hoeft geen twintig rondjes achter elkaar”, zegt ze nuchter. Daarna bouwt ze het opnieuw op. Eerst weer iets groter, zodat hij zijn balans kan vinden. Vervolgens iets kleiner, maar zonder te forceren. Alles draait om controle en gevoel. “Ik wil die pirouette groter en kleiner kunnen maken wanneer ik wil. Niet alleen het kunstje rijden, maar echt kunnen schakelen en er op ieder moment uit kunnen rijden.” Want daar gaat het haar om: niet de oefening zelf, maar de reactie van het paard op haar hulpen. “Of we nou een pirouette rijden of iets anders, maakt eigenlijk niet uit. Als ik een hulp geef, moet hij daarop reageren.”

Eerst voor je been

“Tempocontrole en voor je been zijn, dat is belangrijker dan nageeflijkheid. Als een paard niet goed voorwaarts is en je probeert hem met de hand nageeflijk te krijgen, ontstaat er al snel een vicieuze cirkel. Je neemt aan met je hand, hij remt af, en dan moet je weer been geven. Dan blijf je bezig. Daarom begint alles bij de basis: het paard moet actief voor je been zijn en op eigen benen lopen. Pas daarna kun je werken aan meer ontspanning en souplesse in de hals en aanleuning. Ik begin eigenlijk liever met de moeilijke kant. Die kost meer kracht en energie, dus die doe je het beste als het paard nog fris is. Daarna wordt de makkelijke kant vanzelf fijner.” Vandaag wil ze zich richten op het werk in draf, en dan vooral op de overgangen richting stap en de opbouw naar verzamelingsoefeningen zoals piaffe en passage. “Maar eerst de basis. Een simpel, rustig drafje. Niks spectaculairs.” Vanuit die rustige basis begint ze te schakelen. Ze maakt een ophouding en voelt hoe Mauro reageert. Hij wacht, blijft attent. Dan rijdt ze hem weer naar voren. Het opvangen en weer loslaten herhaalt zich. Het paard kent dit spel inmiddels goed en begint zelfs te anticiperen. “Je merkt dat hij al wacht op het moment dat hij weer naar voren mag,” legt ze uit. Langzaam bouwt ze de oefening uit. Vanuit draf naar stap en weer terug. Ze voelt hoe Mauro meer gaat zitten in de overgangen en meer gewicht op de achterhand neemt. “Maar nu kwam hij net iets te veel terug”, merkt ze op. Ze corrigeert hem kort en rijdt daarna weer door. Meteen is de reactie beter. “Zie je? Dan denkt hij: oh ja, dat was de bedoeling.” Vervolgens maakt ze de oefening subtiel moeilijker. In plaats van echt naar stap te gaan, vraagt ze om een ‘schijnovergang’: het idee van terugkomen, zonder daadwerkelijk te stoppen met draven. “Ik wil dat hij blijft denken in draf. Het begint heel simpel. Gewoon die overgang van draf naar stap en dan ga je het steeds iets verder uitbouwen.”

Impuls vanuit het paard

Ze laat ook zien hoe ze richting passage werkt. Door hem iets meer in een gedragen draf te houden en subtiel met haar stem te ondersteunen, nodigt ze hem uit om zichzelf meer op te richten. Haar benen blijven rustig en lang; ze wil dat de impuls van het paard zelf komt. “Ik wil dat hij zélf aantrekt. Zodat ik daarna nog iets extra kan vragen als dat nodig is. Het maakt me niet eens uit of hij het perfect doet. Als hij maar aan mijn hulpen blijft.” Daarna combineert ze alles: van passage naar piaffe en weer terug. Mauro verliest af en toe even het ritme, maar dat vindt ze niet erg. “Laat het maar gebeuren. Laat hem het zelf weer vinden.” Ze grijpt niet meteen in, maar geeft hem de ruimte om het ritme te herstellen. Pas als hij echt terugvalt, stuurt ze hem weer licht naar voren. “Ook in piaffe en passage blijf je werken aan tempocontrole. Ik wil niet dat hij stil gaat staan en zijn kunstje doet. Hij moet voor mijn been blijven denken.” Steeds weer test ze dat: een paar passen naar voren, weer opvangen, opnieuw beginnen. Het is geen perfect plaatje dat ze zoekt, maar een paard dat blijft reageren, blijft meedenken en zichzelf blijft dragen.

Met zo weinig mogelijk hulpen

Aan het einde van de training vat ze haar belangrijkste boodschap samen. “Probeer zo min mogelijk te doen. Thuis moet je oefenen om met zo weinig mogelijk hulpen te rijden, want juist daar gaat het vaak mis: ruiters die thuis al te veel doen, lopen in de ring tegen problemen aan wanneer er spanning bij komt kijken. In de wedstrijd wordt alles net iets moeilijker. Dus als het thuis niet helemaal klopt, kom je dat op wedstrijd tegen.” Haar advies is simpel maar duidelijk: laat het paard meer zelf doen, wees niet bang voor fouten en blijf werken aan de basis. “En doe vooral niet alles perfect”, voegt ze er met een knipoog aan toe. “Anders kan ik straks niet meer winnen.”

Bekijk hier de clinic van Dinja en Mauro Turfhorst terug.

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding