
Pierre Versteegh
Wanneer we op 4 mei de gevallenen herdenken die voor onze vrijheid hun leven gaven dan mag de naam van Pierre Marie Robert Versteegh in dat rijtje niet ontbreken. Als kapitein kwam hij aan de start van de Olympische Spelen van Amsterdam en eindigde met His Excellence individueel als negende. Het team, dat verder bestond uit majoor Jan Hermannus van Reede met Hans en kapitein Gerhard Willem le Heux op Valerine, veroverde brons.
Tekst: Jacob Melissen | Foto's: Istock/ Arnd Bronkhorst
Pierre Marie Robert (roepnaam Pierre) Versteegh werd geboren op 6 juni 1888 in Kedung Banteng, op Midden Java. Hij is overleden op 3 mei 1942 in het concentratiekamp Sachsenhausen. Pierre Versteegh zijn eindrang was luitenant kolonel der Koninklijke Marechaussee en hij was één van de weinige officieren van dat wapen die na de meidagen van 1940 ontslag nam. Versteegh startte op 2 oktober 1906, na een toelatingsexamen, als cadet artillerie zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Op 24 juni 1909 werd hij benoemd tot tweede luitenant en ingedeeld bij het vierde regiment veldartillerie, een onderdeel van de derde afdeling te Ede. Op 14 oktober 1912 werd hij bevorderd tot eerste luitenant.
Hippische successen
In1936 eindigde Pierre op de Spelen in Berlijn met Ad Astra individueel als achtste. Het team, dat verder bestond uit majoor Gerhard Willem le Heux met Zonnetje en majoor Daniel Adolf Camerling Helmolt op Wodan, werd daar in een veld met elf teams vijfde. Op het EK van 1931, dat in het Franse Vichy werd verreden met zeven deelnemers uit drie landen eindigde Versteegh als tweede met His Excellence. In 1925 had hij met dit paard al eens het militair kampioenschap in de military veroverd. Tijdens het Concours Hippique in mei 1914 in Breda behaalde Pierre met zijn paard Irish Laddy de eerste prijs: een vergulde zilveren medaille en 75 gulden. Op een jachtrit gereden door officieren en heerrijders was er een vijfde plaats en 25 gulden met zijn paard Salomé. In 1920 woonde Versteegh inmiddels in Groningen en kwam hij tijdens het parcours voor springpaarden in alle klassen uit met Noske en behaalde de derde prijs. In 1922 was hij inmiddels districtscommandant der Marechaussee in Groningen en werd hij eerste met Not Yet op het CH in het Stadspark in Groningen. In jaren nam hij deel aan meerdere wedstrijden en won er vele. In januari 1924 werd hij overgeplaatst naar de Marechaussee in Amsterdam als commandant van het district en ging hij wonen in Bussum. Op 1 februari 1925 werd hij bevorderd tot kapitein. Hij bleef ook de jaren daarop doorgaan met wedstrijdrijden.
Herdenkingsfeesten Willem van Oranje
Bij Koninklijk Besluit van 1 april 1931 werd Pierre Versteegh benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1932 nam hij als lid van de Nederlandse delegatie deel aan het internationale ruitertoernooi in Berlijn met zijn paarden His Excellene en Ad Astra. Tijdens de herdenkingsfeesten van Willem van Oranje, gehouden op de heide tussen Hilversum en Bussum in april 1933, nam Versteegh als voorrijder deel aan de daarbij gehouden ruiterwedstrijd. Prinses Juliana woonde deze herdenking bij en alle verenigingen defileerden er voor de prinses, dat waren naar schatting zo'n 25.000 ruiters. Datzelfde jaar nam Versteegh ook deel aan het Concours Hippique in Wenen, waar hij een veervolle vermelding behaalde. Vergeet niet dat het in die jaren best uitzonderlijk was voor ruiters om in het buitenland aan wedstrijden deel te nemen. In 'Het Vaderland' stond over zijn deelname te lezen: "Kapitein Versteegh heeft een aan volmaaktheid grenzende zit en wanneer hij op grote concoursen of kleinere onderlinge wedstrijden zijn paarden voorrijdt dan hoort men slechts één roep over het schitterende schouwspel: fantastisch!". Voor zijn prestaties in Wenen werd hij later door kolonel Kappelhof gehuldigd. In januari 1933 werd de Nieuwenlingenbeker van de Cross Country gewonnen door het vijfde regiment veldartillerie en met erkentelijkheid jegens de schenker, generaal baron E.W. van den Capellen, aanvaard. Versteegh kreeg de zilveren beker aangeboden voor de prachtige resultaten die hij behaalde met zijn paarden His Excellence en Ad Astra. Per 1 november 1936 werd Versteegh bevorderd tot majoor en benoemd tot Commandant van de vierde divisie der Koninklijke Marechaussee in Groningen (de districten Assen, Groningen en Leeuwarden). Hij nam datzelfde jaar deel aan de Olympische Spelen en ook in de jaren erna bleef hij actief binnen de ruiterij. Zo maakte hij in 1937 deel uit van de commissie die was gevormd ter voorbereiding van de viering van het 50-jarig bestaan van de Harddraverij Vereniging Groningen, nam hij deel aan keuringen en had zitting in jury's van hippische wedstrijden.
Tweede Wereldoorlog
Versteegh bezat de rang van luitenant-kolonel der Marechaussee toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen. Hij nam daarna vrij snel als één van de weinige militairen ontslag uit de dienst, mede vanwege zijn Joodse vrouw en de maatregelen die de Duitsers tegen de joden namen. In 1940 waren het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF) en de Ordedienst (OD) de twee belangrijkste paramilitaire organisaties. In april 1941 werd de gehele leiding van het LOF opgerold. Dat was in dezelfde tijd waarin ook de leider van de OD, luitenant-kolonel Westerveld, samen met een groot deel van de door hem aangewezen districts- en plaatselijke commandanten, werd gearresteerd. Versteegh nam de plaats in van Westerveld. Hij dacht dat als de OD eenmaal voldoende wapens bijeen had gekregen en de opbouw van de organisatie voltooid was, men strijd zou leveren tegen de Duitsers. De taak die de OD na de bevrijding moest vervullen werd door Versteegh nauwkeuring aangegeven in de 'Richtlijnen voor gewestelijke-, districts- en plaatselijke commandanten'.
Gearresteerd
Hij werd echter op 12 september 1941 gearresteerd en begin 19242 was een groot deel van de voormalige leiders van de OD en hun kaders, waaronder Versteegh, naar Kamp Amersfoort overgebracht. Het eerste OD-proces begon eind maart 1942. Op de eerste procesdag kregen de 86 gevangenen de Akte van Beschuldiging te horen. De Duitsers rekenden het de 13 beroepsofficieren onder hen, waarvan Versteegh er één was, zwaar aan dat zij, ongeacht het afgegeven erewoord, aan een verzetsorganisatie waren gaan deelnemen. Op 8 april volgde het vonnis: tegen 80 (waaronder Versteegh) van de 86, werd de doodstraf geëist. Op zondagmorgen 3 mei werden 72 man wier doodvonnissen bekrachtigd waren het concentratiekamp Sachsenhausen binnengebracht. Ze werden niet gefusilleerd, maar werden man voor man met een nekschot afgemaakt. Er werd ook nagekeken of zij gouden tanden in hun mond hadden, die er men tangen werden uitgetrokken. De lijken werden gecremeerd. Versteegh ontving postuum het Verzetskruis voor zijn verzetswerk. In zijn woonplaats Bussum is een straat naar hem vernoemd.
