Bas de Recht legt uit: Vliegende galopwissel

Bas de Recht legt uit: Vliegende galopwissel

Galopwissel
Galopwissel

In deze instructieve twaalfdelige serie over dressuur rijden geeft dressuurtrainer Bastiaan de Recht praktische tips om jou verder te helpen. Bij Bastiaan staan biomechanica en fysiek en mentaal welzijn van het paard voorop. Na in de vorige delen gesproken te hebben over de hulpen en werken aan het horizontale evenwicht, kwam de ontwikkeling van de gangen en zijgangen aan de orde. In dit laatste deel is het de beurt aan de veelbesproken galopwissel. Hoe leer je het je paard goed aan en wat zijn de meest voorkomende problemen en oplossingen?

Vliegende galopwissel

‘Bij een vliegende galopwissel moeten de voor- en achterbenen van het paard tegelijkertijd omspringen van de ene naar de andere galop. Vroeger werd de galopwissel door de ridders te paard vooral gebruikt om snel van richting te kunnen veranderen in de galop. De galopwissel zorgt er ook voor dat de galopssprong van een paard groter wordt, mits deze natuurlijk berg op en van de grond gesprongen wordt.’

Te simpel

‘Een hoop mensen kijken erg op tegen het aanleren van de wissels en voor een aantal is het een heus struikelblok voor de overstap naar de klasse Z2. Maar op zich is een wissel niets anders dan opnieuw aanspringen in de andere galop vanuit de ene galop. Toch als je er weer te simpel over gaat denken en het paard probeert ‘om te gooien’ in een hoek naar een andere galop, komen er problemen. Het paard zal doordat het uit balans raakt de wissel achter naspringen. Dat wil zeggen het omspringen met de achterbenen gebeurt één of meerdere galopsprongen later dan het omspringen van de voorbenen. Ook kan het paard gaan bokken, steigeren, staken of rennen. Hoe je dit op moet lossen, lees je verderop in dit artikel.’

Vaste patronen

‘Voordat je met de wissels aan de slag gaat, moet de basisvoorwaarden in de galop voor elkaar zijn. Zo moet je gemakkelijk tempowisselingen kunnen rijden, de eenvoudige wissels kunnen uitvoeren en contragalop kunnen rijden. Vervolgens rijd ik voor het aanleren van de wissels vaste patronen. Dit patroon kan per paard verschillend zijn. Meestal rijd ik de lange zijde in contragalop, maak ik aan het einde van de lange zijde een eenvoudige wissel, dus via de stap naar de andere galop. Op de korte zijde rijd je dan in de gewone galop. Aan het einde van de korte zijde maak ik weer een eenvoudige wissel naar de contragalop, enzovoorts. In het begin zal ik bij de eenvoudige wissels meer stappassen maken. Uiteindelijk zullen dit er één of twee zijn. Dit herhaal ik totdat dit gemakkelijk gaat en er steeds minder stappassen nodig zijn.’

Moeilijk en makkelijk maken

‘Vervolgens rijd ik aan het eind van de lange zijde het paard in de contragalop iets schouder voor., dit is minder schuin dan schouderbinnenwaarts. De schouders gaan dus iets richting de omheining door twee handen naar buiten te brengen. Hierbij zet ik de achterhand met mijn nieuwe buitenbeen een beetje naar binnen. Hierdoor wordt het achterbeen dat het dichts bij de omheining zet het meest belast. Je maakt het moeilijk voor dit achterbeen. Het paard zal van deze druk af willen door om te springen. Doordat je de voorhand naar de omheining zet, is er ruimte voor het nieuwe binnenachterbeen om naar voren te kunnen springen. Je maakt het dus gemakkelijk voor dit been. Ik probeer de wissel niet in één keer op mijn hulp te laten springen. Maar blijf mijn hulpen geven totdat ik de juiste reactie krijg. Ga zelf niet al naar de binnenkant zitten, met je bovenlichaam draaien, de voorhand naar binnen gooien of een balkje gebruiken. Dit zorgt er allemaal voor dat het paard uit balans gaat en waarschijnlijk voor eerst om springt. Als het paard een wissel goed springt, beloon het dan uitvoerig en ga niet door totdat het nog tien keer lukt. Verwacht ook niet dat het paard de wissels naar beide kanten meteen goed springt, maar oefen eerst één kant.’

Problemen en oplossingen

‘Het grootste probleem bij de galopwissel is het achter naspringen. Andere dingen die kunnen gebeuren zijn voor na springen, bokken, steigeren, staken of rennen.’

– Naspringen of achter met twee benen springen

‘Met twee benen springen wil zeggen dat beide achterbenen tegelijk op de grond komen. Zowel bij het achter naspringen als het met twee benen springen moet de achterhand geactiveerd worden en dus vlugger gemaakt worden. Daarbij moet het nieuwe binnenachterbeen ruimte krijgen om naar voren te kunnen springen. Om dit te verkrijgen moet je eerst meer schakelen, oftewel tempowisselingen rijden, en het binnenachterbeen hierbij vlugger maken. Vervolgens kun je op een kleine volte galopperen en de achterhand naar buiten zetten. Je creëert dus nog meer druk op het binnenachterbeen dat nu eerst moet omspringen en niet pas nadat de voorbenen zijn omgesprongen. Daarbij krijgt het nieuwe binnenachterbeen nog meer ruimte om naar voren te springen. Dit is één mogelijkheid die meestal goed werkt, maar toch kan de oplossing per paard verschillen. Zo springen andere paarden de wissel juist beter vanuit een appuyement of vanuit een scherp gereden hoek de korte diagonaal op. Goede instructie kan je helpen de beste oplossing te vinden.’

– Bokken, steigeren of slaan naar het been

‘Om dit te voorkomen moet je oppassen dat het paard niet te veel op de voorhand loopt en juist naar voren galoppeert. Werk dus weer aan tempowisselingen en vang niet te veel op met de hand. Controleer ook of je je beenhulpen niet te groot geeft.’

– Staken

‘Het paard heeft spanning. Werk bij het staken aan het galopperen over de rug. Stel het paard wat lager in en schakel weer veel. Wissel ook de stelling van het paard af om hem te kunnen laten ontspannen in de rug. Pas er op bij het rijden van de wissel dat je niet blokkeert met je hand en je je hulpen doseert.’

– Rennen

‘Zorg dat je controle over het tempo krijgt door het rijden van eenvoudige wissels of overgangen van galop naar draf en andersom. Rijd voor de wissel niet te verzameld en probeer de wissel ook eens op een ander plaats te maken, waar het paard het niet verwacht. Rijd na de wissel naar de draf, vervolgens naar de stap en laat het halthouden. Ontspan zodra het paard rustig stil staat. Ook in het geval van rennen, moet je uiteraard de hulpen voorzichtig geven.’

Tenslotte

‘Durf een stapje terug te doen in de training en werk weer aan de basis als iets niet lukt. Baseer de training van je paard op beloning. Corrigeer niet alleen wat hij niet goed doet. Maar geef je paard een hulp en laat je paard zoeken naar de juiste oplossing. Als hij die gevonden heeft, beloon je hem. Dit kan heel gemakkelijk met je stem, maar een aai over de hals kan ook. Stop met het rijden van de oefening en als hij het heel goed gedaan heeft, stap af. Zorg dat je samen werkt met je paard en jij en je paard plezier in het werk blijven houden. Ik sluit af met de quote: ‘Prepare well and allow it to happen’.’

 

Tekst: Carlijn de Boer

Foto: Remco Veurink

Reacties