Column: ‘We voeren teveel’

Column: ‘We voeren teveel’

‘We voeren te veel en we rijden te weinig’. 
Het is een opmerkelijke uitspraak voor iemand die wordt geacht paardenvoer aan de man te brengen. Toch zegt Rob Krabbenborg van Pavo dit zonder aarzelen in het gelijknamige artikel over suiker en insulineresistentie in de nieuwste Hoefslag (editie 11/november). Sterker nog, uit zijn mond teken ik in dit artikel op dat de meeste paarden helemaal geen krachtvoer nodig hebben. Maar zo opmerkelijk is dat toch ook weer niet, als je bedenkt dat wie paardenvoer wil verkopen immers gebaat is bij gezonde paarden. Een voederfabrikant is dat. Daarom speelt voorlichting aan de klant voor hem 
een belangrijke rol. In feite heeft het paard dat niet barst van het werk voldoende aan goed ruwvoer, dat ideaal is voor het goed laten functioneren van zijn spijsvertering. Maar wat is werken voor een paard? Een paard als gezelschapsdier of weidevulling met wekelijks een buitenrit, is dat in elk geval niet. Het paard is van origine een steppedier, gebaat bij een flinke dosis gezonde beweging. Om hem dat te laten doen hoef je de plaatselijke voerleverancier niet voor te laten rijden. Anders wordt 
het als het paard echt aan het werk wordt gezet, maar dan zit je al gauw in de hogere wedstrijdsport of bij de werkpaarden van vroeger, die zich dag in dag uit zich in 
het zweet des aanschijns moesten werken. 
Ondertussen mogen we dan ook constateren dat een groot deel van onze huidige paarden te dik is. 
Er is al eerder onderzoek naar gedaan. Vooral in de dressuurhoek zie je veel lijf onder (en ook wel op) het zadel, al is dit natuurlijk voor 
een deel een kwestie van smaak. Ribben niet zien, maar wel kunnen voelen was vroeger al de graadmeter en waarom zou dat nu anders zijn?

Ton Corbeau (hoofdredacteur Hoefslag, ook te volgen op Twitter)

Reacties