Alles over voeding (4): Weet wat je voeren moet!

Alles over voeding (4): Weet wat je voeren moet!

Als je een paard hebt en verzorgt, spreek je regelmatig met andere paardeneigenaren en wissel je informatie uit. Over problemen met je paard, over training en voeding. We doen graag na wat anderen doen, zeker als die succes heeft. Vandaar dat voerfabrikanten graag topruiters sponsoren. Dit geeft een positieve uitstraling. Toch kunnen juist door deze ‘praktijken’ weleens fouten ontstaan, die soms tot klachten leiden.

Want ook al lijken de paarden veel op elkaar, ze hebben allemaal een eigen voerbehoefte. Daar komt bij dat het ruwvoer van de ene stal van heel andere kwaliteiten is dan van de andere stal en daarmee een hele andere aanvulling vergt. Voeding is een individuele aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat er een aantal basisregels zijn waar elk rantsoen aan moet voldoen om je paard gezond te houden.

Basisregels van paardenvoeding

Zorg dat je wat kennis krijgt over paardenvoeding en besluit wat jouw paard nodig heeft. Met een beetje zekerheid krijg je minder de neiging om telkens veranderingen in het rantsoen door te voeren. Kijk eens op het krachtvoer en de supplementen wat er in zit. Voer geen dingen die het paard niet nodig heeft. Het kan zijn dat je hulp nodig hebt om de puntjes op de i te zetten. Maar een aantal basisregels zijn zeker voor iedereen zelf in te vullen.

Basisregel 1: Voer voldoende ruwvoer

Elk paard heeft minimaal 1,25 kg droge stof ruwvoer per 100 kilogram lichaamsgewicht nodig. Natuurlijk mag dit meer zijn. Ruwvoer eten is goed voor het paard. Zolang het paard geen overgewicht krijgt, mag hij zoveel ruwvoer eten als hij wil. Als je krachtvoer wilt bijvoeren, let dan op of het paard niet te dik gaat worden als hij onbeperkt ruwvoer kan eten. Vandaar de maat voor de minimale hoeveelheid. Daar mag het rantsoen niet onder komen!

Onbeperkt ruwvoer, dus ook als je paard buiten in de schrale wei staat (Foto: Remco Veurink)

De ervaring leert dat deze minimale hoeveelheid lang niet op alle stallen gehaald wordt. De hoeveelheid ruwvoer is vaak gelijk voor elk paard, terwijl een paard van 1.75 m echt meer nodig heeft dan een paard van 1.60 m. Tussen deze paarden kan 100 kg gewichtsverschil zitten. Bij een schofthoogte van 1.60 m hoort meestal een gewicht van 550 kg en een minimale ruwvoerbehoefte van 6,9 kg droge stof, maar bij een schofthoogte van 1.75 m en een gewicht van 650 kg is ruim 8 kg droge stof hooi nodig.

Stel dat de paarden drie keer per dag twee plakken hooi krijgen en het gewicht van een plak varieert tussen de 1 en 2 kg, dan varieert de voergift tussen 6-10 kg per dag. Omgerekend naar droge stof (voor hooi 850 g/kg), komt dit neer op 5,1 – 8,5 kg . De gemiddelde voergift kan voor het kleinere paard net voldoende zijn, maar de grote krijgt waarschijnlijk altijd te weinig. Weeg geregeld wat je voert en geef elk paard een eigen portie. Schrijf dit op de staldeur.

Om deze basisregel te hanteren moet je kennis hebben van de body condition score van je paard (kan je wel of niet onbeperkt ruwvoer geven?), het gewenste gewicht (wat is de minimale hoeveelheid?) en het droge stofgehalte van het ruwvoer.

1. Body Condition Score van je paard

Body Condition Score
Illustratie: www.bonpard.com

Het totale rantsoen moet passen bij wat het paard nodig heeft. Op basis van berekeningen kan je een goede schatting maken van de energiebehoefte, maar het paard geeft uiteindelijk aan of je voldoende, teveel of te weinig energie voert. Heel veel eigenaren zijn onvoldoende op de hoogte wat de Body Condition Score van hun paard is. Wat tot gevolg heeft dat het rantsoen niet tijdig wordt aangepast.

Er zijn vijf gradaties in de Body Condition Score:
-2 (erg mager)
-1 (te mager
0 (prima!)
+1 (iets te dik)
+2 (veel te dik)

Je beoordeelt dit door naar je paard te kijken (vorm en verhoudingen) en te voelen (onderhuidse vetlaag). Kijk naar deze film voor uitleg:

Het lezen van het artikel ‘Body condition score (BCS) | Weet jij of je paard wel of niet te dik is?‘ is eveneens verhelderend. Om je dit meer eigen te maken moet je ervaring opdoen en verschillende paarden beoordelen. Wil je dit leren, organiseer een workshop van een voedingsdeskundige op je pensionstal!

2. Gewenste gewicht van je paard

Het gewenste gewicht kan je aan de hand van schofthoogte en ras schatten:

Tabel: Gewicht van paarden op basis van ras en schofthoogte

Ras Stokmaat Gewicht
minipaardje Tot 1.10 90-200
Shetlander 1.00-1.10 200-225
Welsh pony klein

Welsh pony middel

Welsh pony groot

Tot 1.22

1.22-1.37

1.45-1.52

200-275

275-350

400-500

New Forest 1.25-1.45 300-400
Connemara 1.25-1.48 300-450
IJslander 1.30-1.45 300-450
Fjord 1.35-1.48 400-500
Haflinger 1.35-1.55 450-600
Arabier 1.45-1.50 400-450
Tinker 1.45-1.60 500-800
Fries 1.50-1.63 500-700
Draver 1.50-1.65 500-600
KWPN 1.60-1.75 550-700
Belgisch trekpaard 1.55-1.70 700-1000

Een meetlint kan het huidige gewicht aangeven, maar als de Body Condition Score afwijkend is, gebruik je dit dan niet om de gewenste hoeveelheid ruwvoer te berekenen.

3. Droge stofgehalte van het ruwvoer

Ruwvoeders zijn variabel in droge stofgehalte. Zeker als het gaat om kuilvoer. De voederwaarde en ook de vezels kan je het best vergelijken en beoordelen op basis van het droge stofgehalte. Voor een berekening van de gewenste hoeveelheid droge stof ruwvoer is een schatting van het droge stofgehalte nodig. Hoe droog hooi ook lijkt, met een droge stofgehalte van 830-850 g per kilogram voer, bevat het nog altijd 150-170g water! Natter mag hooi niet zijn. Droging is namelijk de manier om het gras houdbaar te maken, te conserveren. Te vochtig hooi kan gaan broeien en schimmelen. Voordrogen en verzuren is ook een goede conserveringsmethode, dit is kuilvoer.

Kuilvoer (of ‘voordroog’) is in plastic verpakt en heeft meer variatie in droge stofgehalte dan hooi, namelijk van 600 tot 850g per kilogram voer. Zogenaamde ‘koeienkuil’ bevat nog minder droge stof (is dus natter!), maar dit is ongeschikt om aan paarden te voeren, vanwege het hoge energie- en eiwitgehalte en vanwege de zuurheid.

Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap

Het schatten van de droge stofgehalte van kuilvoer is best lastig. Zeker als je geen vergelijkingsmateriaal hebt. De droogte van hooi is wel duidelijk. Als het kuilvoer daarop lijkt en je meer ‘ingepakt hooi’ hebt, heb je te maken met waarschijnlijk 800-850g droge stof. Voelt het nét niet helemaal droog aan, oftewel had je dit spul niet zonder verpakking kunnen bewaren, dan gaat het richting 750g droge stof. Is het product echt niet helemaal droog dan zal het circa 700g droge stof bevatten. Plakt het aan elkaar vast, maar is het wel makkelijk los te krijgen (je kan er geen water uit knijpen), dan zal de droge stof meer naar de 600-650g gaan.

Kuilvoerwinning (Foto: Wikipedia.com)

Is het wel zo vochtig dat je er water uit kan knijpen, dan is de vraag of het geschikt is voor paarden. Ruikt het erg zuur, kijk dan uit of het niet te rijk is (veel blad en weinig stengels) en daarmee een te hoge voederwaarde heeft. Ook al hebben sommige paarden veel energie en eiwit nodig (topsport, merrie, groeiende paarden), dan nog is deze kwaliteit een risico voor verteringsklachten, zoals slappe mest en koliek. Het gebruik van kuilvoer voor paarden vergt vakmanschap. Het is stofvrij en kan een prima voer zijn, maar als het te zuur is, is het waarschijnlijk minder gezond (én te rijk). Omdat verzuring onderdeel is van de houdbaarheid, is een minder zure kuil minder houdbaar, tenzij het door droging voldoende is geconserveerd (!).
Dus als je kuilvoer gebruikt, is het allerbelangrijkste dat je elke dag de kwaliteit controleert!

Basisregel 2. Zorg voor een goede verdeling van het voer over de dag

Krijgt het paard altijd ruwvoer en blijft hij daarbij in een gezonde body condition score, dan voldoe je zeker aan deze regel. Maar veel paarden krijgen beperkt gevoerd (omdat ze anders te dik worden) en dan moet je even goed opletten of de voermomenten niet te lang uit elkaar liggen. Zeker als een paard veel op stal staat, kan verveling ertoe leiden dat hij stalondeugden ontwikkelt.

Kribbebijten of luchtzuigen

Verveling is misschien niet het goede woord. Het paard heeft een kauwbehoefte en als daar niet aan voldaan kan worden, raakt hij gefrustreerd. Uit frustratie kan hij gaan kribbebijten of luchtzuigen. Dit afwijkende gedrag heeft als eerste doel om te bijten en te kauwen om daarmee speeksel te maken. Het vervelende is dat dit gedrag uiteindelijk een stereotypie wordt. Het paard krijgt, door dit gedrag uit te voeren, een prettig gevoel (door endorfines) en gaat het keer op keer herhalen. Om er dan vanaf te komen is zeer moeilijk. En het gedrag zelf kan nadelige gevolgen hebben voor de vertering. Vaak zie je bij deze paarden terugkerende koliekklachten, maagweren en vermagering.

Kribbebijten
Kribbebijten (Foto: Marjolijn Munnich)

Voorkom dat paarden te lang met een lege maag staan. Geef frequent wat ruwvoer en de laatste (grote) portie voer je vrij laat in de avond. Als je dat doet, is het ook niet zo erg om de dag te beginnen met krachtvoer. Want het paard heeft net het ruwvoer op. Staat het paard erg lang zonder eten, dan begin je eerst met ruwvoer en geef je daarna krachtvoer. In een stro stal staan geeft wel wat ‘rek’ voor de periode zonder eten. Echter, veel stro eten kan leiden tot een verstoppingskoliek. Het is dus belangrijk om de juiste kwaliteit ruwvoer voor je paard te kiezen. Langstengelig grof ruwvoer bevat minder energie en eiwit, maar geeft wel meer kauwtijd. Uitstekend voer voor de meeste paarden. Daar kan je meer van geven dan van gemiddelde kwaliteit ruwvoer.

Basisregel 3. Geef niet meer dan 2 kg krachtvoer per maaltijd (pony 1 kg)

2 kg krachtvoer per maaltijd per paard is voldoende. Geef sowieso nooit méér krachtvoer dan ruwvoer!
Sportpaarden krijgen krachtvoer voor een prestatie in kracht of duur. Het krachtvoer levert energie in de vorm van zetmeel en suikers en wat vet. Krachtvoer verblijft langer in de maag dan ruwvoer. En aangezien de maag van het paard maar klein is, kan je beter niet te veel per keer geven. Soms krijgt een paard geleidelijk aan meer krachtvoer, omdat de conditiescore laag is en niet verbetert. Een grote hoeveelheid krachtvoer verteert minder goed en het zorgt er tevens voor dat het paard minder ruwvoer kan eten. Een averechts effect! Het ruwvoer moet altijd het grootste deel uitmaken van de totale voer- en energieopname.

Basisregel 4. Geef alle noodzakelijke voedingsstoffen

Een compleet rantsoen voorziet in voldoende vezels, maar voor een goede gezondheid ook in alle overige noodzakelijke voedingsstoffen. Elk paard heeft behoefte aan eiwitten en een hele reeks vitaminen en mineralen. Daarnaast zijn nog essentiële vetzuren nodig. Voercomponenten als pro- en prebiotica heeft niet ieder paard altijd nodig. Dit voeg je alleen toe als daar aanleiding toe is. Ook hier weer zijn de gezondheid van het paard en de prestatie uitgangspunt om de behoefte te bepalen. En is de lijst noodzakelijke voedingsstoffen individueel bepaald. Om dit uit te zoeken is hulp van een voedingsdeskundige nodig.

Vitaminen

Paarden maken bijvoorbeeld zelf een heel aantal vitaminen. Toch zijn er soms omstandigheden dat ze wel een extra aanvulling nodig hebben. Anders dan bij de mens is de productie van vitamine B-complex en vitamine K in de dikke darm van het paard normaal gesproken voldoende. Voor vitamine B1 en vitamine B2 bestaat een voedernorm voor paarden, oftewel van deze twee vitaminen moet het rantsoen een bepaalde dosering bevatten. Met een gangbaar rantsoen voor paarden krijgen ze dit voldoende binnen.

Maar heeft het paard een minder actieve of volumineuze darmflora, bijvoorbeeld doordat het paard (te) weinig ruwvoer eet of regelmatig fermentatiestoornissen heeft met mestproblemen (diarree) of koliekklachten, dan is de productie van vitamine B-complex en vitamine K waarschijnlijk onvoldoende.

Supplementen (Foto: Remco Veurink)

Nu bevatten bijna alle krachtvoeders voor paarden vitamine B-complex en soms vitamine K, dus met krachtvoer in het rantsoen is de voorziening vaak goed geregeld. Een ander voorbeeld is de vitamine C voorziening voor oudere paarden. Paarden produceren zelf vitamine C in de lever. Bij oudere paarden vermoedt men dat de productie minder is, vanwege een minder goed functioneren van de lever. Vandaar dat in seniorenvoer vaak vitamine C is toegevoegd. Ook voor sportpaarden kan dit soms een goede aanvulling zijn, omdat door stress de behoefte is verhoogd én omdat vitamine C de functie van vitamine E kan ondersteunen. En zo zijn er ook uitzonderingen voor de behoefte van biotine, lysine en linolzuur en linoleenzuur.

Voor de meeste paarden geldt dat 2-2,5 kg krachtvoer samen met voldoende ruwvoer een volledig rantsoen oplevert. Voor pony’s zal 1-1,5 kg voldoende zijn. Geef je een granenmix of haver in plaats van krachtvoer, dan ontbreekt het rantsoen aan mineralen en vitaminen. Tenzij op de verpakking staat dat deze als extra zijn toegevoegd. Maar anders is een aanvullend supplement nodig. Veel ruwvoer geven is een gezonde keuze en levert voor veel paarden en pony’s voldoende energie (vermagert niet). Een half schepje krachtvoer na het rijden is een fijne beloning. Meer is dan ook niet nodig. Ook in dat geval is wel een aanvullend supplement nodig om het rantsoen compleet te maken.

Bonpard FORAGE SUPPLEMENT

Bonpard Forage is hier speciaal voor samengesteld. Het bevat alleen wat het paard nodig heeft naast ruwvoer, in de juiste dosering en verhouding. Zelfs in een uitstekend opneembare vorm, zodat koper en zink (vaak in rantsoen tekort) echt ten goede komt aan het paard (en niet in de mest verdwijnt). En als klein brokje gemakkelijk te voeren, ook als het paard geen ander krachtvoer krijgt.

Rantsoenanalyse

Een goede rantsoenanalyse heeft tot doel te beoordelen of het rantsoen past bij het paard. Het gaat veel verder dan alleen de krachtvoer keuze. Het is het opmaken van de balans tussen de individuele voedermiddelen in kwaliteit en hoeveelheid en het voerschema samen met wat het paard op dat moment nodig heeft.

Het paard bepaalt de behoefte aan voedingsstoffen

Feitelijk staat het paard centraal. Die bepaalt door conditie, gewicht en prestatie de behoefte aan voedingsstoffen. Maar omdat door groei, leeftijd en prestatie veel factoren in het paard veranderen, moet je deze balans keer op keer maken. Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken kan je met de vier basisregels het rantsoen controleren. Een verfijning in de afstemming doe je samen met een dierenarts of voedingsdeskundige. Sinds enkele jaren volgen dierenartsen nascholing over paardenvoeding.

Kijk voor onafhankelijk goed voeradvies op www.voedingsconsulentpaard.nl.

Tekst: Anneke Hallebeek, dierenarts, specialist veterinaire diervoeding

Foto’s: Shutterstock, Remco Veurink, Marjolijn Munnich, Wikipedia, Bonpard

Vergelijkbare artikelen

Reacties