Instructie

hoefsmid

Van je hobby je beroep maken, veel mensen durven bij die gedachte wel al eens wegdromen. Maar waarom niet de koe bij de horens vatten? In CVO Brussel, een bruisend centrum voor volwassenenonderwijs, kan je een opleiding Hoefsmid volgen.

Duur van de opleiding

De mensen die aan deze opleiding willen deelnemen, kunnen op voorhand bepalen binnen welke termijn ze hun diploma willen behalen. Cursisten die voor het intensiefste traject kiezen, komen vier dagen in de week naar de school en kunnen zo alle lesmodules volgen op één jaar tijd. Maar er is ook de mogelijkheid om de lessen te spreiden over twee jaar. In dat geval komen de cursisten twee in plaats van vier dagen per week naar school. Tot slot biedt de school nog de mogelijkheid om de lessen op donderdagavond en op zaterdag te volgen.

Theorie en praktijk

In de opleiding Hoefsmid komt zowel theorie als praktijk aan bod. Tijdens de theorielessen bekijken de cursisten onder andere de anatomie van het paard, leren ze hoe hoeven werken en bestuderen ze de voornaamste hoefziekten. Tijdens de praktijklessen leren de cursisten een hoefijzer maken om dit, in eerste instantie, aan te brengen op dode paardenvoeten. Van zodra ze dit onder de knie hebben, gaan ze aan de slag met levende paarden. Ten slotte volgen de cursisten een korte stage bij een ervaren hoefsmid.

Meer info

Meer informatie en inschrijven voor de infodag: www.cvobrussel.be

Bron: CAP Magazine
Foto: Shutterstock

0 3538

Hulpteugels zijn er in vele varianten. Zie dienen met name om de lichaamshouding van het paard te beïnvloeden. Wat is de werking van de verschillende hulpteugels? Welke leerprincipes gebruikt het paard en wat zijn de voorwaarden bij het gebruik van deze hulpmiddelen?

Het paard kan door verkeerd gebruik van een hulpteugels juist ongewenst gedrag gaan vertonen: agressief worden of vluchten. Om dit te voorkomen is het nodig om het hulpmiddel in eerste instantie dusdanig om te doen dat het paard er geen of nauwelijks beperkingen door ervaart. Pas als hij zich warm gelopen heeft kan het hulpmiddel op maat gemaakt worden.

Ook dan is het zaak het zo af te stellen dat het paard kan leren hoe het druk kan vermijden. Bij erg gevoelige paarden kan het zelfs nodig zijn een aantal keren te trainen zonder dat het hulpmiddel scherp staat afgesteld. Pas als het principe begrepen wordt kan het middel, al naar gelang fysieke conditie en mogelijkheden van het dier, stapsgewijs scherper afgesteld worden.

Je paard bepaalt

Hulpmiddelen moeten dus zodanig afgesteld worden dat het paard zélf, door zijn gedrag aan te passen of te veranderen, het onaangename gevoel kan laten verdwijnen. De slofteugel bijvoorbeeld heeft vaak een tegengesteld effect doordat de ruiter de teugels te strak houdt en niet meegeeft als het paard uiteindelijk het gewenste gedrag vertoont. Verder bestaat er het risico op verwarring bij het paard omdat de ruiter de lengte van de teugels niet bepaalt aan de hand van wat het paard aankan, maar bepaalt aan de hand van wat de ruiter denkt dat veilig en nodig is.

Veiligheid voorop

Hoe en waar gebruiken we hulpmiddelen op een veilige manier?
* Zorg voor een rustige trainingsplaats met weinig afleidende prikkels en een goede omheining zodat het paard niet, behangen met hulpmiddelen, kan vluchten.
* Heel belangrijk is kennis over de manier waarop een paard leert en inzicht in het bewegingsmechanisme van paarden in het algemeen en het desbetreffende paard in het bijzonder.
* Essentieel is een deskundige trainer die het gebruik van hulpmiddelen, de mate van africhting en andere factoren als bodemgesteldheid goed op elkaar afstemt.
* Hij of zij moet het karakter van het paard kunnen inschatten: een paard dat makkelijk steigert of bokt kan bijvoorbeeld gevaarlijk klem komen te zitten in een Pessoa-teugel.
* Bij inzet van longeren moet de trainer hier ook ruim ervaring in hebben.
* Het dier mag zeker geen ernstige rug- of spierproblemen hebben.
* Een goede warming up en na afloop een cooling down zijn noodzakelijk.
* Bouw de training op volgens een geleidelijk schema.

Halsverlenger

Dit hulpmiddel heeft als doel het paard tijdens de training in de juiste hoofd-hals positie te laten lopen. Het elastiek kan gebruikt worden aan de enkele longe, dubbele longe of onder het zadel. Het loopt achter de oren langs door de bitringen naar de singel (boven, zijkant of tussen de benen). Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt neemt de druk achter de oren en in de mond toe. Als het paard het hoofd weer naar beneden brengt, verdwijnt de druk. Er is dus sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging: het dier kan door zijn eigen gedrag aan te passen ontkomen aan het onaangename gevoel dat het hulpmiddel hem geeft.

Bijzetteugel

De uitvinder van de bijzetteugel is onbekend. Het doel van de teugel is om een paard te leren na te geven op de inwerking van de bijzetteugel waarbij het de rug los laat en meer gesloten zal lopen. Het voordeel van de bijzetteugel is dat de inwerking van de teugel heel constant is en er dus een rustige aanleuning kan ontstaan. Het nadeel is dat het hoofd en de hals van het paard worden beperkt in de beweging. Het kan moeilijk naar opzij en niet naar voren.

De bijzetteugel bestaat uit twee leren riemen die beide in het midden een rubberen ring hebben. Aan de ene zijde zit een haakje om het aan het bit te bevestigen en aan de andere zijde een bevestigings- en verstelmogelijkheid voor aan de singel. De bijzetteugel wordt veel gebruikt als hulmiddel bij het longeren. Bij het gebruik ervan is er wederom sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. De druk op het bit neemt af als het paard nageeft (gewenste gedrag).

Pessoa longeerset

De Pessoa longeerset is ontworpen door Nelson Pessoa. Nelson Pessoa was tot 2000, het jaar waarin hij stopte met internationale wedstrijden, een van de beste springruiters van de wereld. Hij heeft een lijn met eigen producten, zoals zadels, bitten enzovoorts. Het doel van de teugel is een in balans lopend paard, los in de rug en met een actief achterbeen.

De longeerset bestaat uit twee delen. Een touw dat bovenop de rug met een musketonhaak wordt vastgemaakt aan de longeersingel en om de achterbenen gaat. Het stuk dat om de achterbenen loopt is van elastiek met daaromheen een bontje. Het andere touw gaat ook om de achterbenen heen en zit samen met het eerste touw in het bontje. De andere kant van dit touw gaat via een ring aan de longeersingel naar het bit (katrolletje) en weer terug naar de longeersingel. Je kunt het paard op vier verschillende wijze instellen (lang en laag, middelhoog, hoog en dressuur).

Wanneer het paard niet in balans over de rug loopt oefent deze teugel druk uit op de mond en achter de achterbenen. Deze druk verdwijnt wanneer het gewenste gedrag getoond wordt. Er is dus weer sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. Extra voorwaarde voor het gebruik van de longeerset is dat het paard moet kunnen accepteren dat er iets rond de achterbenen loopt.

Slofteugel

Als uitvinder van de slofteugel wordt William Cavendish genoemd. Hij leefde van 1593 tot 1676. Hij was beroemd om zijn uitstekende horsemanship. Hij schreef diverse werken, waaronder A general system of Horsemanship. De slofteugel werd populair in de jaren zeventig toen olympisch kampioen, Alwin Schockemohle, zijn paarden ermee reed. Vele ruiters volgden zijn voorbeeld.

De slofteugel is een lange, doorlopende leren of stoffen teugel die door beiden bitringen gaat en daarna tussen de twee voorbenen aan de singel bevestigd wordt. De ruiter heeft dus twee paar teugels in handen. Het doel van de slofteugel is een juiste hoofd-hals houding van het paard door de opwaartse beweging te beperken. Wanneer het paard het hoofd te hoog houdt zal de slofteugel inwerken en druk geven op het bit. Wanneer het paard nageeft zal de druk afnemen. Hierbij vindt dus ook operante conditionering plaats in de vorm van negatieve bekrachtiging.

In onkundige handen heeft de slof een scherpe inwerking. Het hoofd kan dan onder dwang naar beneden worden getrokken waardoor er spanning in het lijf ontstaat. Deze spanning zorgt er voor dat het paard niet los door het lijf kan lopen met spierpijn, nek- en rugproblemen en stress tot gevolg. Extra voorwaarden voor het gebruik zijn: een vriendelijke hand en een goede timing door op het juiste moment de druk weg te halen.

Thiedemann teugel

De uitvinder van de Thiedemann teugel is Fritz Thiedemann, geboren op 3 maart 1918 en overleden op 8 januari 2000. Hij was een Duitse springruiter, die bekend is geworden door zijn succes tijdens de Olympische Spelen in 1952.

De Thiedemann teugel bestaat uit een riem om de hals. Door de onderkant van deze halsriem loopt een riem die bevestigd zijn aan de singel. Het andere uiteinde vertakt in twee dunnere riemen, die door de bitringen gehaald worden en hierna bevestigd worden aan een van de ringetjes die op de teugel gemaakt zijn.

Het doel van de Thiedemannteugel is het begrenzen van opwaartse beweging van het hoofd van het paard. Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt neemt de druk op het bit toe. Bij het gewenste gedrag neemt deze druk weer af: operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. De Thiedemannteugel kan de discriminant worden voor het nageven: bij weglaten ervan kan het zijn dat het paard weer met het hoofd omhoog loopt.

Martingaal

In beeltenissen wordt de (vaste) martingaal al gezien in de zestiende eeuw. Aangenomen wordt dat een soldaat de martingaal heeft uitgevonden. Het is de meest gebruikte hulpteugel, vooral bij springruiters is hij erg populair. Er zijn twee soorten: de vaste martingaal en de glijdende martingaal. De martingaal bestaat uit een riem om de hals van het paard, door de onderkant van deze riem loopt een riem die is bevestigd aan de singel. De andere uiteinden hebben ieder een ring waar de teugel doorheen wordt geleid (glijdende martingaal). Deze uiteinden kunnen ook rechtstreeks worden bevestigd aan de neusriem (vaste martingaal).

De martingaal voorkomt dat het paard het hoofd extreem omhoog kan brengen. Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt zorgt de martingaal voor een hoek in de teugel, hierdoor werkt het bit neerwaarts in op de lagen en niet op de minder gevoelige mondhoeken. Hoe langer de martingaal wordt gelaten hoe hoger het paard het hoofd kan brengen. Er is sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. Zodra het paard het hoofd omlaag brengt neemt de druk af.

De belangrijkste voorwaarde voor het gebruik zijn het gebruik van teugelstops. Bij afwezigheid hiervan kan de martingaal vast komen te zitten aan het bit waardoor deze vervolgens zeer scherp rechtstreeks op het bit inwerkt. Daarnaast moet de martingaal zo afgesteld zijn dat deze los hangt als het paard zijn hoofd op de juiste hoogte heeft.

Tekst: Debbie Rijnders/Hoefslag

Foto: Shutterstock

Maurice Van Roosbroeck behaalde in 2011 voor de eerste maal in zijn springcarrière de Belgische kampioenstitel senioren. Naast de opleiding van, en in lichte mate de handel in springpaarden is de stijlruiter uit Heist-op-den-Berg een gewild instructeur. Via paardenvoedermerk PAVO mochten drie ruiters een les volgen bij Roosbroeck. Op voorhand waarschuwt Roosbroek voor te hoge verwachtingen:  ‘Je moet je bij een les eigenlijk niks spectaculairs voorstellen.’

Wie rijden er mee met de springles?

Amazone: Stephanie de Smet
Paard: Apocalyps 7-jarige KWPN-ruin v. Indoctro
Niveau: 1.10-1.20
Probleem: Paard valt op de sprong naar links

Amazone: Nathalie Aertsen
Paard: Forjef 7-jarige BWP-ruin v. Casall
Niveau: 1.10-1.20
Probleem: hand & zit

Ruiter: Jan Mertens
Paard: Batida 8-jarige BWP-merrie v. Balougran
Probleem: Zit voor op de beweging in de sprong

Basiswerk

‘Eigenlijk ben je tijdens de les vooral bezig met het basiswerk, niet met het springen van steeds hogere hindernissen’, vertelt Maurice. Volgens Maurice kom je als coach bij bijna elke ruiter min of meer dezelfde problemen tegen. Problemen in de aanleuning, problemen in de houding van de ruiter of het paard en problemen in het aanrijden op de sprong. Het is misschien wel daarom dat Maurice, in tegenstelling tot de andere Pavo-instructeurs, alle drie de prijswinnaars tegelijkertijd in de rijbaan verwacht. Jan, Nathalie en Stéphanie warmen gedrieën hun paarden op in de grote buitenpiste. Om de beurt geeft Maurice de ruiters een persoonlijke tip, om ze daarna weer het veld in te sturen om het zelf te proberen.

Stiller zitten

Nathalie is als eerste aan de beurt. Maurice vindt haar handhouding te onrustig. ‘Ik zie graag een wat klassiekere houding. Natuurlijk zit niet iedereen hetzelfde op zijn paard en een beetje afwijking mag best. Maar ik zie iemand het liefst recht op zijn paard zitten met zijn handen bij elkaar,’ legt hij haar uit. Nu beweegt Nathalies hand nog niet onafhankelijk van haar lichaam; tijdens het lichtrijden gaan haar handen in hetzelfde ritme op en neer. In de galop zit Nathalie een heel stuk stiller, maar volgens Maurice houdt ze haar hand nu te strak. ‘Je bent veel te veel bezig je paard rond te rijden. Mensen willen maar van alles doen om het hoofd van het paard naar beneden te houden. Maar een paard zal vanzelf nageven wanneer het goed van achter naar voren gereden wordt.’

Hand ontspannen

Nathalies paard kan zich erg sterk maken, waarop Nathalie haar hand blokkeert. Maar het handgebruik van Nathalie heeft een nadelige invloed op de gangen van haar paard, vindt Maurice. ‘Een paard moet zichzelf kunnen dragen. Maar die mogelijkheid moet hij ook wel krijgen. Dat paard doet niet zoveel fout. Omdat jij je schouders stijf houdt druk je jezelf automatisch voorover. Blijf rechtop zitten, dan blijft je paard ook goed galopperen.’ Maurice helpt Nathalie nog even verder. ‘Als je paard weer eens aan de teugel trekt, ontspan dan eerste je hand eens’, zegt hij, ‘Kijk, nu ontspant je paard ook. Hij zakt met zijn hals en galoppeert over de rug. Voila!’

Binnenpiste

Wanneer de paarden voldoende opgewarmd zijn, sommeert Maurice zijn leerlingen naar de binnenpiste, waar een parcours is opgesteld. ‘We zitten in het indoorseizoen, dus moeten we ook binnen springen’, is zijn devies. Op de korte zijde heeft hij één cavaletto opgesteld en wanneer de drie combinaties zijn aangegaloppeerd mogen ze achter elkaar zowel links- als rechtsom over het sprongetje komen.

Maurice van Roosbroeck
Maurice van Roosbroeck

Cirkel moet rond zijn

Daarna vraagt Maurice de ruiters één voor één om een volte op de korte zijde in te zetten en steeds de cavaletto mee te pakken. ‘En de cirkel moet mooi rond worden’, geeft Maurice als opdracht. Dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan, want Nathalie noch Stéphanie of Jan weet een perfecte ronde volte te rijden. Na het sprongetje moet er steeds een hoop worden bijgestuurd om weer op de volte te komen. ‘Jullie rijden alle drie teveel naar buiten’, ziet Maurice. ‘Wanneer je een hindernis op een cirkel rijdt, richt dan ook op het binnenste stuk. Richt je op de buitenkant, kom je niet meer op de volte. Nu blijft je cirkel mooi rond en zwaai je niet naar buiten uit. Je merkt dat je anders teveel moet corrigeren om je paard weer op de juiste baan te krijgen.’

Oude fouten

‘Wanneer je een hindernis op een cirkel rijdt, richt dan ook op het binnenste stuk’ Maurice wil niet dat zijn ruiters maar lukraak over een hindernis springen. Er moet netjes en gedoseerd gesprongen worden. In het lijntje dat Maurice gebouwd heeft horen de Pavo-winnaars dan ook flink wat aanmerking op hun rijstijl. Nathalie valt terug in haar oude fout; met een tegenwerkende hand rijdt ze over de dubbelsprong. ‘Nathalie blijf in het springen niet zo scheef en breed met je handen zitten. Je mag best corrigeren, maar daarna breng je je handen weer bij elkaar,’ roept Maurice naar de amazone, die tussen de twee hindernissen nog van koers wil wijzigen. ‘Zoek tijdens het aanrijden al een mooiere baan uit voor de dubbel. Ofwel meer naar binnen of naar buiten. Wanneer je scheef aanrijdt komen je passen niet mooi uit en dan mis je ritme in je rijden,’ concludeert Maurice.

Twee teugels

Ook Stéphanie werkt teveel met haar handen om haar paard over het lijntje te helpen. ‘Stéphanie, houd je paard recht’, roept Maurice wanneer ze over de eerste hindernis springt, ‘Het kijkt constant naar links om dat je hem steeds naar links trekt.’ Volgens de springruiter trekt Stéphanie alleen aan de binnenteugel wanneer ze op een sprong aanrijdt. Haar ruin trekt erg op het hout aan en de amazone probeert door aan één teugel te trekken controle te houden over de situatie. Van Maurice moet ze echter ook de rechterteugel erbij houden, om te voorkomen dat haar paard in het lijntje niet uitzwaait. ‘En richt je paard op het midden en blijf daar op sturen’, adviseert Maurice voor de tweede poging, ‘ Mocht er iets mis gaan, dan heb je nog mogelijkheid om licht te corrigeren. Als je steeds maar naar links blijft sturen, heb je geen ruimte meer om bij te stellen.’

Rustiger

Stéphanie vindt het niet makkelijk. Met ophoudingen met haar linker- en rechterhand springt ze nogmaals over de dubbelsprong. ‘Rommel niet zo met je handen’, zegt Maurice nu, ‘Vier passen voor de sprong moet je tempo, houding en ritme voor elkaar hebben en zit je stil.’ Doordat de amazone het aanrijden niet goed voor elkaar heeft is het op de hindernissen meer geluk dan wijsheid wanneer de balken blijven liggen. ‘Als jij rustiger rijdt komt je paard ook mooier uit voor de sprong en zal het ook beter springen. Nu werk je maar steeds met links in en op het laatst stuur je pas naar rechts’, aldus Maurice.

‘Ruim rijden’

Jan mag als laatste combinatie het lijntje springen. Zijn merrie Batida beschikt over heel veel vermogen,maar laat zich niet makkelijk rijden. ‘Dat is de handicap van dit paard’, zegt Maurice. ‘Want verder heeft ze zeer veel capaciteiten voor het springen.’ Omdat zijn merrie nogal explosief en onverwacht springt kan Jan haar niet altijd goed in de beweging volgen. Vaak komt hij daarom in de afzet voor op de beweging van zijn paard. ‘Jan, houd je bovenlichaam terug op de sprong’, ziet Maurice dan ook, wanneer Jan over de eerste steilsprong van de combinatie springt. Maurice roept Jan bij zich. ‘Wanneer je weer inkomt, houd dan je hand wat hoger’, zegt de instructeur. ‘Druk ‘m niet weg naar beneden dan kiep jij ook weer voorover.’

Niet te rond instellen

Verder vindt Maurice het ook belangrijk dat, ondanks dat Batida erg onstuimig is, Jan haar niet te rond instelt tussen de hindernissen. ‘Mensen stellen hun paard vaak te rond in in het parcours. Dan kan het niet zien waar het loopt en weet het ook niet wanneer het moet springen’, vertelt hij. ‘En ook dat zorgt voor veel onrust bij het paard. Dat er met het losrijden wat lager ingesteld gereden wordt kan geen kwaad, maar in het parcours moet het paard er wel met de neus uitlopen om een sprong goed in te kunnen schatten.’

Hectisch springen

Ook adviseert Maurice Jan om zowel naar de sprong als erna ruim uit te rijden. ‘Want ook door het korte wenden gaat zo’n paard hectisch springen’, aldus Maurice. Jan rijdt met de tips van de springruiter in het achterhoofd nog een paar keer het lijntje, maar Maurice weet ook dat het probleem van Batida niet in één les uur op te lossen is. En of de heethoofdige merrie ooit op haar dooie akkertje het parcours rond zal springen moet de toekomst uitwijzen. Maurice is er echter wel zeker van dat de manier van rijden een grote invloed op de merrie zal hebben.

Hele parcours

Na een korte adempauze ziet Maurice Jan en de twee amazones nog graag even het hele parcours springen. Zijn opdracht luidt even eenvoudig als doeltreffend: ‘Nathalie gaat ritme houden en houdt haar handen stil, Stephanie houdt haar paard in het midden, en Jan houdt z’n lijf terug. Voilà. Dat is alles wat jullie moeten doen.’
Tekst en foto’s: Albertine Nannings.
Dit instructie artikel werd enkele jaren geleden in opdracht van PAVO gemaakt

[shortcode-variables slug=”post-banner”]

0 1128

Om te kunnen presteren is concentratie van belang. En dan maakt het niet uit of je je eerste proefje met je jonge paard rijdt, of dat je in het 1.60m aan de start komt op de 5* Jumping van Antwerpen.

Concentratievaardigheden

Helaas is het voor veel mensen een bekend probleem om zich op het ‘moment suprême’ niet te kunnen concentreren. Toch kan je je eigen concentratievaardigheden wel degelijk verbeteren, vindt sportpsychologisch trainer Inga Wolframm: ‘Blijf met je gedachten volledig in het hier en nu.’

Geweldig gevoel

‘Concentratie is een ruim begrip. Want wanneer ben je nu eigenlijk optimaal geconcentreerd voor de gevraagde prestatie? Als iemand optimaal geconcentreerd is, ervaart hij of zij dit vaak als een geweldig gevoel. Een gevoel waarbij het besef van tijd verloren gaat. Je kunt het ook omschrijven als ‘het volledig opgaan in het moment.’ Eigenlijk streven we allemaal naar dit gevoel, maar waarom is het dan zo moeilijk dit steeds weer te bereiken?

Waaraan besteed je aandacht?

Iedereen heeft een favoriete manier van concentreren. Sommige mensen besteden al hun aandacht aan de wereld om zich heen. Terwijl iemand anders het misschien makkelijker vindt om de aandacht volledig op zichzelf te richten. We hebben allemaal geleerd dat we voor bepaalde taken ook een vorm van concentratie nodig hebben. Als je bijvoorbeeld met de auto onderweg bent, moet je veel aandacht aan de omgeving besteden, in plaats van aandacht te schenken aan hoe jij je op dat moment voelt.

Onder druk presteren

Op zich kan bijna iedereen de juiste manier van concentratie opbrengen. Maar als je onder druk moet presteren en je raakt gestrest, dan val je meestal terug in je oude gewoonte. Het zou kunnen dat jouw manier van concentratie niet voldoet aan de eisen van de situatie. Voor het beoefenen van een teamsport, zoals voetbal, heb je een ander soort concentratie nodig dan wanneer je een dressuurproef rijdt. Wat zijn dan de verschillende manieren om te concentreren en wanneer zijn deze al dan niet geschikt voor het moment?

Charlotte Dujardin
Olympisch kampioene Charlotte Dujardin in opperste concentratie
© DigiShots

Overzien van de omgeving

1. Breed en extern: Dit wil zeggen dat je heel scherp in de gaten houdt wat er om je heen gebeurt. Je overziet je omgeving en de verschillende elementen daarin. In een sport als voetbal of polo kan deze vorm van concentratie heel functioneel zijn. Je weet waar je tegenstanders zijn en je kunt inspelen op de acties van je teamgenoten. Maar als je tijdens het losrijden alle mensen langs de baan ziet staan of de andere combinaties scherp in de gaten houdt, dan is deze vorm van concentratie minder handig.

Focus op één of twee dingen

2. Smal en extern: Je focust je in dit geval op slechts een of twee dingen in je omgeving. Een springruiter heeft deze vorm van concentratie nodig om zijn parcours af te leggen en de afstanden naar de sprong goed te kunnen inschatten. Maar ook bijvoorbeeld een tennisser, die op de bal moet letten, concentreert zich vaak op deze manier.

Focus op analyse van de situatie

3. Breed en intern: Hierbij ben je voornamelijk bezig met het analyseren van de situatie en het opzetten van strategieën. Je bent gericht op de signalen die jij zelf en ook je paard afgeeft. Je bent met jezelf in gesprek over wat je voelt en wat er onder je gebeurt. ‘Waarom reageert mijn paard zo? Wat moet ik nu doen om het op te lossen. Deed hij het gisteren ook al en wat heb ik toen gedaan?’ Dit zijn typische gedachten van iemand die sterk breed intern geconcentreerd is. Deze manier kan soms functioneel zijn, omdat je de situatie goed analyseert. Het kan bijvoorbeeld heel handig zijn voor een crosswedstrijd of een langeafstandsrit, waarbij je strategisch te werk gaat. Het grote nadeel ervan is dat het erg veel tijd kost om tot een oplossing te komen. Net voor het begin van de proef of parcours heb je deze tijd niet.

Focus op maximaal twee gedachten

4. Smal en intern: Dit wil zeggen dat je geconcentreerd bent op een of maximaal twee gevoelens of gedachten en dat je jezelf heel goed kunt afsluiten van wat er om je heen gebeurt. Tijdens deze manier van concentreren is het eenvoudiger om specifieke aanwijzingen te volgen. Zo kan deze vorm van concentratie handig zijn, als je je volledig wilt focussen op een ontspannen proef of op de juiste aanleuning. Ook gedachten als daadkracht of geduld kunnen een van je concentratiepunten zijn.

Concentratie
Concentratie bij een amazone op een pony
© DigiShots

Blijven hangen

Het gevaar van deze vorm van concentratie is dat ook negatieve gevoelens de overhand kunnen krijgen. Mensen die zich graag op deze manier concentreren, herkennen zich misschien wel in de volgende situatie: Je bent aan het rijden en je bent vastbesloten te laten zien hoe je verbeterd bent (dit is al een vorm van smalle en interne concentratie). Vervolgens verloopt je losrijden niet helemaal zo als je gehoopt had en er gaat het een en ander mis. Het gevolg is dat je ‘blijft hangen’ in de gedachte ‘het lukt helemaal niet’. Je bevriest als het ware en blokkeert. Je stopt bijna letterlijk met rijden.

Stress situaties

Probeer nu eens te ontdekken welk concentratietype jij bent. Na iedere trainingssessie en na elke wedstrijd, schrijf je op welke vorm van concentratie je in welke mate hebt toegepast. (HN: helemaal niet; BN: bijna niet; S: soms; V: Vaak; A: Altijd). Misschien herken je jezelf in alle typen wel een beetje maar, zoals gezegd, vervallen de meeste mensen in stress situaties toch in een bepaalde manier van concentreren.

Oefening

De volgende oefening kan je helpen om de verschillende vormen van concentratie te herkennen en hier tussen te schakelen. Zoek een rustige plek op om deze oefening te doen.

  • Doe je ogen dicht en adem een paar keer diep in en uit. Open je ogen en probeer een aantal verschillende dingen in je omgeving waar te nemen. Dit kan het geluid zijn van de klok, de cd’s in het cd-rekje, de kleur van de muur, of andere mensen in jouw omgeving. Je hoeft nu niet op details te letten, maar neem gewoon jouw hele omgeving in eens waar. Deze manier van concentreren is dus breed en extern.
  • Doe je ogen weer dicht, adem diep in en uit. Open vervolgens je ogen weer en focus je nu op een element in je omgeving. Het makkelijkste is het om naar een bepaald voorwerp te kijken. Zoom nu steeds verder in op wat je ziet. Probeer ieder klein detail waar te nemen en bestudeer dit detail zo nauwkeurig mogelijk. Zie je hoeveel je eigenlijk in eerste instantie helemaal niet zag? Je concentreert je nu smal en extern.
  • Om je breed en intern te concentreren is het nuttig om je ogen dicht te houden. Begin weer met diep in en uit te ademen. Vervolgens ga je heel bewust luisteren en voelen wat je zintuigen waarnemen. Luister naar het geluid van je ademhaling, voel ieder onderdeel van je lichaam: voelt het stijf, koud of warm? Misschien zie je zelfs wel kleuren of beelden ook al zijn je ogen dan gesloten. Laat je gedachten ook hun gang gaan. Misschien begin je met het analyseren van waarom jouw lichaam op een bepaalde manier reageert. Dit is juist de bedoeling, want op deze manier ben je breed en intern geconcentreerd.
  • Om je smal en intern te concentreren ga je als het ware inzoomen op een van deze waarnemingen die je tijdens het breed en intern concentreren hebt waargenomen. Doe dit zo nauwkeurig mogelijk. Probeer bijvoorbeeld te omschrijven hoe je ademhaling klinkt en voelt. Of wat je precies waarneemt aan kleuren of figuren wanneer je je ogen sluit. Concentreer je volledig op een gevoel en beschrijf het zo gedetailleerd mogelijk. Als er een specifieke gedachte naar voren komt, ga hier dan op in. Concentreer je puur op deze gedachte. Nu ben je je smal en intern aan het concentreren.

Schakelen

Als je deze vormen van concentratie hebt gevoeld en geoefend is het tijd om er mee te gaan spelen. Probeer steeds te schakelen tussen de verschillende vormen van concentratie. Op het paard is deze oefening wat moeilijker uit te voeren, omdat het over het algemeen niet erg veilig is om met je ogen dicht rond te rijden. Wanneer je deze oefening echter goed onder de knie hebt, word je er steeds handiger in. Dan kun je deze oefening ook tijdens het paardrijden toepassen, zonder dat je je ogen voor langere tijd hoeft te sluiten. De vaardigheid om te kunnen schakelen in verschillende manieren van concentreren kan heel erg nuttig zijn als je onder druk komt te staan en dreigt te vervallen in een minder functionele manier van concentreren.

Dagboek

Om je hierin steeds te verbeteren is het handig om een soort dagboek van jouw trainingen te beginnen. Hierin kan je opschrijven welke manier van concentratie je gebruikt hebt en hoe het is gegaan. Je gaat misschien beseffen dat je, als het bijvoorbeeld heel hard waait, je de hele tijd extern en breed geconcentreerd was. Je luisterde naar wat om je heen gebeurde, omdat je dacht dat jouw paard ging schrikken in de wind. De kans is groot dat je paard toen niet goed liep, omdat je in gedachten niet bij hem was. Hoe bewuster je omgaat met jouw eigen aandacht, hoe sneller je ook jouw eigen aandacht kunt gaan leiden. En hoe effectiever en specifieker jouw concentratie, hoe beter – en plezieriger – het rijden zal zijn.’

Tekst: Eva van Ekelenburg
Bron: CAP Magazine /  Dehoefslag.nl

Foto: Leanjo de Koster / Digishots

0 1399

We kennen Wendy Bleekemolen van de Two Lazy Seven Ranch inmiddels dankzij haar blogs op onze website en haar artikelen in CAP magazine. Ze schreef ook het E-book ‘Hoe los je problemen op met paarden’.

Gratis E-book

In dit boek gaat Wendy in op het nadenkend en instinctief vermogen. Ze analayseert het verschil tussen een extravert en een introvert paard en gaat in op hoe je het beste om kan gaan bij angst en spanning. Het gratis E-book geeft veel handvaten om concreet met je paard aan de slag te gaan.

Stap voor stap gids

Je kan het E-book downloaden via de website: www.anders-paardrijden.be  Naast het E-book is de website ook de moeite waard omdat er verschillende filmpjes en zelfs een online ‘stap voor stap gids’ te vinden zijn.

Bron: website Wendy Bleekemolen

Foto: E-book Wendy Bleekemolen

Ook over Wendy Bleekemolen op deze website:

https://www.dehoefslag.nl/blogs-collumns/grondwerk-voor-elk-ras/

 

https://www.dehoefslag.nl/blogs-collumns/column-the-wild-bunch-op-verplaatsing-trainen/

 

[shortcode-variables slug=”post-banner”]

Een ingrijpende verandering als een verhuizing en plotseling moeten kennismaken met nieuwe, enge objecten, kan veel invloed hebben op het gedrag van een paard. In het geval van de merrie Dani, die na een verhuizing voor het eerst – letterlijk en figuurlijk – in aanraking komt met een landbouwvoertuig, gaat het zo ver dat ze niet meer het erf af wil.

Dani is een veertienjarig paard dat kort geleden met haar eigenaresse is verhuisd naar een landelijke omgeving. Zij heeft haar al tien jaar en bezoekt wekelijks met de trailer de manege waar ze les krijg.

Buitenrit

De eerste keer dat de eigenaresse na de verhuizing met Dani naar buiten gaat, komen ze al na een kleine tien meter een grote trekker tegen. Dani steigert, loopt achteruit de weg op en komt met haar achterhand tegen het wiel van de trekker aan. Ze schrikt, schiet vooruit en gooit de eigenaresse eraf. Daarna rent ze een erf op. Na deze traumatische gebeurtenis wil Dani het erf niet meer af: ze staat stil, steigert en probeert zich om te draaien. Als dat lukt rent ze terug naar stal. De eigenaresse schakelt een Tinley paardengedragstherapeut in om het probleem te verhelpen.

Meewerken

Om gedragsproblemen structureel te verhelpen is een goede anamnese en diagnose erg belangrijk. Vaak zien we dat mensen al van alles geprobeerd hebben om vervolgens uit te roepen dat het paard niet meewerkt want geen enkele methode helpt. Wat ze echter niet gedaan hebben, is heel gericht kijken naar welke prikkel en motivatie het gedrag veroorzaken en in stand houden.

Nader onderzoek bij Dani leert dat haar gedrag ontstaat zodra ze binnen twee meter van de erfgrens verwijderd is en de ruiter haar vraagt om door te lopen. Vooral het laatste is belangrijk want die druk van de ruiter of geleider zorgt ervoor dat het paard weg wil en uiteindelijk gaat steigeren. We leggen de eigenaar uit dat forceren geen zin heeft. Het paard wil het erf niet af en dat is – voor het dier – logisch. Immers op het erf is het veilig en daarbuiten, op de weg, kun je een trekker tegenkomen.

Enge trekker

Om te kijken waar angst door getriggerd wordt – stilstaande of rijdende trekker, alleen op de weg of ook op het erf – gaan we één en ander in scene zetten. We vragen hulp van een buurman en deze plaatst zijn trekker op het erf. Eerst laten we Dani naar de trekker lopen zonder dat de motor aanstaat. Dit blijkt geen enkel probleem te zijn. Ze loopt ontspannen mee en de eigenaar kan een rondje om de trekker lopen. Daarna proberen we of ze naar de trekker wil lopen als de motor draait. Dat blijkt enger te zijn, Dani knijpt haar staart wat aan, doet haar oren wat naar achteren en aarzelt om mee te lopen.

We willen haar niet forceren en stoppen met het naderen van de trekker als we zien dat de spanning in het paard oploopt. We laten haar stil staan en ze mag pas van de trekker vandaan lopen als ze ontspant. Deze oefening, het naderen van een trekker met draaiende motor, is het huiswerk voor de eigenaar. Valkuilen bij deze oefening zijn het te snel willen gaan waardoor Dani te veel spanning opbouwt en het weglopen van de trekker als Dani nog niet volledig ontspannen is.

Vluchtgedrag

Bij het ontstaan van angst speelt het kunnen vluchten van de prikkel een grote rol. Het paard leert onmiddellijk dat de angst afneemt met het vergroten van de afstand tot de prikkel. Daarom is het belangrijk om een angstig paard niet te overvragen, waarmee je het risico loopt dat het dier in blinde paniek wegrent. Staan blijven en tot rust komen is voor een volgende keer een betere strategie. Veel ruiters willen te snel en forceren een paard. Dani heeft weg kunnen vluchten van de trekker en heeft daarmee geleerd dat wegrennen de strategie is.

In gedragstherapie is kennis van het wezen van het paard, de mogelijkheden van de eigenaar en veel geduld de ingrediënten voor succes. Voor deze combinatie is de gedragstherapie opgesplitst in twee doelen. We willen Dani leren dat trekkers niet eng zijn en we willen haar het vertrouwen teruggeven in de ruiter.

Stapje voor stapje

Dichter naar de erfgrens toelopen is een tweede oefening en ook deze doen we weer stapsgewijs. Dani bepaalt het tempo. Zolang zij het aankan doen we een stapje dichterbij. We draaien pas weg van de erfgrens als het paard ontspannen is. Omdat er een mogelijkheid bestaat dat er plotseling een trekker langsrijdt, kan de oefening alleen plaatsvinden op tijdstippen dat er 99% garantie is dat dit niet gebeurt. De eigenaar heeft bij de boeren in de directe omgeving navraag gedaan en daaruit blijkt dat tussen half 1 en half twee in de middag geen van de boeren van plan is om de weg op te gaan. Op dat tijdstip oefent de eigenaar met het naderen van de erfgrens.

Al na vier keer oefenen is er een grote vooruitgang in het gedrag. Omdat Dani’s grenzen worden gerespecteerd is het voor haar niet meer nodig om te steigeren. Vanuit die rust ontstaat ook weer het vertrouwen in de eigenaar en is het duidelijk dat het paard weer bereid is een stapje dichterbij te komen. Het vertrouwen in dit stadium is nog wel erg broos. Ook nu is geduld het toverwoord. Omdat de eigenaar van zichzelf weet dat ze de neiging heeft te snel te willen, neemt ze een vriendin mee om mee te kijken. Deze zorgt ervoor dat ze niet geïrriteerd raakt en daarmee het paard onrustig maakt. Vanuit onrust en spanning is voor het paard de stap naar wegvluchten een stuk groter.

Situaties verbinden

Als de trekker met draaiende motor geen problemen meer geeft en Dani bereid is om een paar meter over de erfgrens te lopen, op de openbare weg, wordt het tijd om de twee situaties met elkaar te verbinden. We zetten de trekker met draaiende motor op de erfgrens en lopen met het paard die kant uit. Dichterbij gekomen is het duidelijk dat deze nieuwe situatie spanning oproept. Dani loopt met een geknepen staart, ze houdt haar hoofd hoog en heeft haar oren naar achteren. De eigenaar heeft door alle eerdere oefeningen geleerd om attenter te zijn op gedragsveranderingen bij haar paard en stopt ruimschoots voor de trekker om Dani de gelegenheid te geven weer tot rust te komen.

Nu werpt het geduldig zijn haar vruchten af; de rust keert veel sneller terug dan bij aanvang van de gedragstherapie. Zodra het paard kalm is, loopt de eigenaar een stuk terug en laat het dier even aan de hand grazen en gaat dan een tweede keer richting erfgrens en trekker. Tot haar niet geringe verbazing loopt het paard ontspannen mee en kunnen ze om de trekker heen lopen. Ook als de eigenaar opstapt zijn er geen problemen meer. Ze kan om de trekker, met draaiende motor, heenlopen.

Oefenen

Omdat een paard de wereld anders waarneemt dan de mens en logisch redeneren geen rol speelt, is het belangrijk iedere verandering te oefenen. Dus als de stilstaande trekker geen reactie meer oproept bij Dani is de volgende logische stap: de rijdende trekker op en rond de erfgrens. Waarbij, als alles goed, gaat de trekker en paard en eigenaar zich steeds verder op de openbare weg bewegen. Bij iedere volgende stap gaat de eigenaar eerst naast het paard lopen. Als dat goed gaat volgt dezelfde oefening vanuit het zadel.

Om uit te sluiten dat andere grote voertuigen de angst weer doen opleven, wordt daar ook op getraind. De bestuurders van de vuilniswagen en de vrachtauto van de fouragehandel willen, in ruil voor een kop koffie, wel een keer met draaiende motor stilstaan en extra heen en weer rijden.

Uiteindelijk komt het moment om weer een buitenrit te maken. Om alle risico’s uit te sluiten gaan de eerste twee keer een ervaren ruiter en paard combinatie mee. Als Dani ook deze proef doorstaat heeft de ruiter weer genoeg zelfvertrouwen om alleen een buitenrit te maken.

Tekst: Debbie Rijnders

0 872

De BRConCord® methode werkt in op een vriendelijke manier zonder het paard vast te zetten. Dit brengt ontspanning en rust, waardoor paarden de juiste hoofd-, nek- en halshouding gaan aannemen.

Het nieuwe bewegen voor paarden

Zowel de ConCord® Leader stapmethode als de ConCord® Longe longeermethode zijn ontwikkeld door paardentrainster Mieke Verdonk in samenwerking met dierenartsen, fysiotherapeuten en osteopaten. BR ConCord® Leader stapmethode De ConCord® Leader stapmethode corrigeert bij africhting en training; herstelt na zware inspanning en ondersteunt tijdens revalidatie. Bij regelmatig gebruik helpt het bij de ontwikkeling van de bovenlijn en de verbetering van de stap. De spieren worden aangesproken, maar de belasting is minimaal en de hartslag blijft laag. Dit zorgt al na vier weken voor een zichtbare spieropbouw. De trainingsmethode is geschikt voor elk paard. De ConCord® Leader is ook een handig hulpmiddel bij trailerladen. De stapmethode heeft zich wetenschappelijk bewezen (Evidence Based Veterinary Medicine).  (Adviesprijs € 69,95)

BR ConCord® Longe longeermethode

De ConCord® Longe longeermethode brengt op ongedwongen wijze het hoofd van het paard naar beneden; activeert de buikspieren en ontspant de hals en rug. Het systeem helpt paarden bij het opbouwen van conditie en spieren, zowel tijdens training als na een periode van revalidatie. De ConCord® Longe werkt corrigerend voor paarden met een slechte rugbespiering of scheefheid en biedt een oplossing voor paarden met longeerproblemen. Tevens geschikt voor paarden die niet zadelmak zijn. Het systeem hoeft niet ingesteld te worden en is gebruiksvriendelijk en veilig. (Adviesprijs € 99,95)

Bron en foto: BR ConCord®


[gd_listings post_type=”gd_place” layout=”1″ category=”70″ post_number=”4″ tags=”ruitensport”]

0 1915

Dat grondwerk enkel voor bepaalde rassen en/of geslachten van paarden zou zijn, is natuurlijk onzin! We krijgen het vaak te horen op een demo: ‘Ja maar, dat is een quarter of een Andalusiër. Ik heb thuis een KWPN’er of een BWP’er en daar gaat dat niet mee.’

Natuurlijk instinct

Grondwerk is voor elk paard zijn natuurlijk instinct; het is de taal van het paard.
Ik trainde bijvoorbeeld met een driejarige KWPN’er die recht van de weide kwam. Ook met dat paard zie je ziet hoe communicatie ontstaat door drukverlossing en vragen te stellen. Je ziet ook de rustpauzes die ik geef, deze zijn heel belangrijk.

Verbetering communicatie

Grondwerk zorgt ervoor dat jouw communicatie verbetert tussen jou en jouw paard. Het zorgt ervoor dat jij hem vragen kan stellen, hem oefeningen of opdrachten kunt uitleggen. Zo bouwt het paard genoeg vertrouwen en respect op om een antwoord te gaan zoeken. Maar ook voldoende vertrouwen om een vraag aan jou te stellen. Doordat je de communicatie verbetert, ga je deze vragen herkennen en ga je ze ook kunnen beantwoorden. Op deze manier ontstaat er een samenwerking.

Karakter

Grondwerk zorgt er ook voor dat je het paard in zijn geheel kunt bekijken; zo leer je jouw paard beter kennen. Wat voor een karakter heeft hij eigenlijk? Waar wordt hij snel gestrest van en hoe laat hij dit zien? Waar wordt hij boos van? En hoe ziet hij er dan uit? Als je dit leert zien, herken je het ook wanneer je erop zit. Dit zorgt ervoor dat je jouw paard kunt helpen met deze emoties en hem zo beter kunt leiden. Uiteindelijk creëer je dus een veilige situatie. Betere communicatie, een prettigere samenwerking, meer plezier van je paard en een stuk veiliger zijn genoeg redenen om met grondwerk te starten.

Ook voor wedstrijdruiters

Ben je een wedstrijdruiter, dan zul je merken dat met behulp van grondwerk jouw paard  bereidwilliger zijn best wil doen. Hoe meer jij een natuurlijke leider bent, hoe logischer het voor het paard is dat jij hem opdrachten geeft. Het is heel anders wanneer een paard een hindernis springt omdat hij zich gedwongen voelt of hij dit voor jou wilt doen omdat hij vindt dat jij een goede leider bent. Je haalt dus het maximale potentieel uit je paard!

 

0 536
Romy van der Schaft
Romy van der Schaft en Be Painted

Vóórdat je wedstrijden gaat rijden, moet je ‘natuurlijk’ de rijtechnische basis voor elkaar hebben en daarmee ook de aanleuning bij je paard. Grand Prix-ruiter en bondscoach van Nederland  Rien van der Schaft is er duidelijk over.

Contact met de hand

‘De meeste ruiters leggen te veel de nadruk op de aanleuning, de hoofd-halshouding’, vertelt hij. ‘Een juiste aanleuning krijg je alleen wanneer het paard de hand van de ruiter vertrouwt. Hij moet het prettig vinden, het contact met de hand. Je krijgt het dus never nooit niet voor elkaar door te gaan trekken. Elk paard gaat, als je de hand stil houdt, op een gegeven moment die hand vertrouwen en volgen. Bij de een duurt het tien minuten, bij de ander drie maanden. Het is een kwestie van niet trekken, óók niet als je paard te hard gaat. Het gewicht in de ruiterhand bedraagt maar een paar ons, minder nog dan het zweepje dat ik hier heb.’ De houding waarin het paard die ruiterhand opzoekt, mag hij zelf bepalen; hij mag zijn ‘voorkeurshouding’ aannemen. De hand blijft hetzelfde. ‘Om het met de woorden van mijn oude instructeur Piet Oothout te zeggen: “Je rijdt het lichaam van het paard naar het hoofd”. Je ziet tegenwoordig – en eerlijk gezegd vaak bij de Nederlandse ruiters – een knik in de hals, met de derde wervel als hoogste punt. Dat is geen correcte hoofd-halshouding.’

Gereden op een trens

Zo, de inleiding zit er op. Nu de praktijk. Daarvoor heeft Rien de achtjarige Welt meegenomen. Hij heeft de ruin nog maar twee maanden op stal en de mooie bruine is voor het eerst mee naar een vreemde omgeving. Welt is wakker, maar niet gespannen, zo lijkt het. Hij wordt gereden op een trens. ‘Ik neem licht contact en laat ‘m gewoon kijken’, legt de ruiter uit als hij in het zadel zit. ‘Hij loopt normaal fijn naar voren, het neusje eruit. Ik houd een luchtige verbinding, op twee teugels en Welt loopt in z’n natuurlijke voorkeurshouding.’ Als hij op beide handen gestapt heeft, over de hoefslag, gaat Rien al snel in draf over. ‘Ik zit eerst altijd even door, zodat ik het paard goed kan voelen.’

Stille hand

Welt begint al lekker te sjouwen; hij heeft nog steeds zijn neus voor de loodlijn, ook in de galop die Rien op beide handen laat zien. De ruin heeft een goede natuurlijke balans, laat zijn ruiter weten. Zijn houding blijft wel fijn stil, net als de hand van Rien, dus hij zoekt de ruiterhand mooi op. Af en toe controleert Rien of dat inderdaad het geval is door hem de hand iets mee te laten nemen. ‘Als hij zo loopt, kan ik wat meer houding proberen te krijgen, wat meer expressie en afdruk. Dat is een volgende stap in de training. Je krijgt dat door oefeningen te doen, zoals een volte, vanuit het binnenbeen. Hij zet dan zijn binnenbeen verder onder de massa. Maar die basis, ontspannen naar voren, in zijn eigen evenwicht, blijft hetzelfde.’

Schoudervoor

‘De oefeningen tijdens een dressuurproef, die zijn er niet om de jury te imponeren, nee, die hebben we bedacht om het paard beter te maken, sterker. Het zijn eigenlijk trucjes om hem meer op de achterhand te krijgen: wijken, schouderbinnenwaarts, appuyeren… De hand verandert niet tijdens die oefeningen. In de wendingen zet ik ‘m hier een pasje schoudervoor.’ Welt reageert met een actief achterbeen en meer oprichting. ‘Hier duw ik hem met m’n binnenbeen op de volte, reageert hij goed -dus beweegt hij het binnenachterbeen naar buiten- dan ga ik weer recht voorwaarts. Gaat hij op de voorhand lopen, in deze fase, dan maak ik een halve ophouding. Zelf blijf ik gemakkelijk zitten, in een correcte houding, want ik wil mijn paard niet storen.’

Happy

Het ziet er zo gemakkelijk uit, met een paard dat steeds meer opgericht gaat lopen, zonder dat er druk op de teugel uitgeoefend wordt… Je ziet dat dit is zoals het zou moeten, want het paard kijkt happy, de mond is lekker gaan schuimen. ‘Er wordt vaak te gecompliceerd gedacht over aanleuning’, besluit Rien. ‘Terwijl je het voor jezelf en je paard juist simpel moet houden.’ (cd)


Grand Prix trainer en bondscoach dressuur van Nederland, Rien van der Schaft heeft meerdere paarden op Grand Prix-niveau uitgebracht, vele paarden tot op internationaal niveau opgeleid en is lid geweest van het Nederlandse dressuurteam. Naast het trainen van paarden legt Rien zich toe op het begeleiden van andere ruiters. Niet alleen in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika is hij regelmatig te vinden voor het geven van trainingen en workshops.

Bron: Hoefslag

In een reactie op een onderzoek dat uitwijst dat maar liefst 93% van de neusriemen te strak zit, laat internationaal jurylid Adriaan Hamoen desgevraagd weten dat een open mond – tegengegaan door zo’n (te) strak zittende neusriem – niet altijd afgestraft hoeft te worden.

‘Gesloten mond vaak kunstmatig’

Hamoen ziet liever een gesloten mond, maar benadrukt dat de ene open mond de andere niet is. ‘Even een stukje open is wat anders dan ver open met een opgetrokken tong. Wanneer een paard zijn mond ondanks een strakke neusriem toch opendoet, geeft dat extra veel spanning, dus dat straft zichzelf. Een stille mond met schuim erop is momenteel helaas opvallend.’

‘Neusriem vaker controleren’

Hamoen juicht het toe dat in de hogere klassen steeds vaker alleen op trens gereden wordt. ‘Wanneer de mond in de proef dan toch een keer opengaat, kun je dit in de punten van dat betreffende onderdeel tot uiting laten komen. Of onderaan het protocol bij de harmonie.’

Het jurylid pleit ervoor om de neusriemen op wedstrijden wat vaker te controleren. ‘Je kunt dat na een proef als jurylid best even doen. Mocht de neusriem te strak zitten, hoef je een combinatie niet direct uit te sluiten, maar je geeft wel het signaal af dat er op gelet wordt.’

Bron: Hoefslag

Foto: Digishots

HOEFSLAG ACADEMY

Volg ons!

100,414FansLike
0VolgersVolg
6,923VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer