Instructie

0 694

Amazone: Kim Hannon
Paard: Dorlanda BWP-merrie Orlando x Burggraaf
Niveau: 1.00-1-10m
Probleem: Dorlanda maakt zich erg sterk, waardoor Kim haar moeilijk door het parcours kan sturen.

Amazone: Evy de Cuyper
Paard: Tahiti BWP-ruin Weltmeyer II x Matahawk xx
Niveau: 1.00 – 1.10m
Probleem: Tahiti krult zich gemakkelijk op in de hals, waardoor Evy geen aanleuning meer heeft.

Ruiter: Kevin de Cuyper
Paard: Corlantus BWP-ruin Corland x Cantus
Niveau: 1.10-1.20
Probleem: Kevin heeft af en toe moeite met het rijden van afstanden

Niels Bruynseels runt met zijn familie een springstal in Bonheiden, nabij Mechelen. Door zijn drukke concoursagenda en ook de handel geeft Niels nooit les, maar daar merken deze drie ruiters niks van. Als een geroutineerd instructeur praat Niels drie lesuren aan elkaar. ‘Ik moet altijd maar mijn mond houden. Daarom heb ik nu natuurlijk zoveel te vertellen’, grijnst de Vlaming. ‘Wordt er eindelijk eens naar me geluisterd!’

‘Maak jezelf langer, zorg voor controle’

Dorlanda, een stevig gebouwde BWP-merrie met een horizontale halsinzet, is dol op springen, maar wel in haar tempo en op haar manier. Haar amazone Kim is van het frêle type en moet dikwijls haar hele gewicht en handigheid in de strijd gooien om haar merrie door het parcours te sturen. Ook tijdens het losrijden is Kim druk bezig haar merrie ‘stuurbaar’ te houden; ze buigt Dorlanda flink links en rechts in.

Niels vindt het er te rommelig uitzien: ‘Maak je lichaam groter, kijk recht voor je uit en neem je teugels wat korter, zodat je wat meer aanleuning krijgt. En rijdt met je been tegen jouw hand aan.’ Maar Kim vertelt dat ze eigenlijk minder druk op haar handen zou willen en Niels’ aanwijzing voelt dus erg tegenstrijdig aan.

Aanleuning is onmisbaar

Niels legt zijn beweegreden uit: ‘Wanneer je geen aanleuning hebt kun je niks. Je kunt niet naar voren rijden en niet sluiten. Je hebt dan geen controle over je paard. Je paard hoort uiteindelijk gewoon in het midden voor je te lopen.’ Kim neemt Niels’ adviezen ter harte maar klaagt na een paar rondjes dat Dorlanda nu wel érg zwaar op haar hand wordt. ‘Dan wordt het nu tijd om te gaan schakelen’, roept Niels monter, ‘want we veranderen niet van systeem!’ Hij laat Kim op de korte zijde een grote volte inzetten. ‘Op de dichte zijde van de cirkel sluit je met twee handen en houd je je lijf groot. Op de open zijde ontspan je je hand en verruim je de draf. Wordt je merrie te sterk dan blijf je sluiten en kom je in met je been totdat ze nageeft’, geeft Niels Kim de opdracht.

‘Je hebt dit systeem nu eenmaal nodig. In stap, draf en galop, maar ook in het parcours. Wanneer je paard dit goed beheerst in het plat werk kun je namelijk ook in het parcours schakelen; je springt, gaat zitten, sluit je hand en je paard verzamelt’, legt Niels eenvoudig uit. Ondertussen is Kims merrie wel een stuk stiller in de aanleuning geworden, maar de amazone heeft nog steeds veel gewicht in haar handen.

Juiste optoming

Kim heeft Dorlanda opgetoomd met een drierings Pessoabit en een Mexicaanse neusriem. Haar teugel is in de onderste ring van het bit gegespt. Niels is niet gelukkig met deze keuze en roept de amazone bij zich. ‘Wat er nu steeds gebeurt’, zegt hij, ‘is dat het Pessoabit helemaal doorslaat naar achteren en dus de volle druk achter de oren veroorzaakt, maar dat je paard nog steeds volledig op de hand hangt. En ik ben ook niet zo’n voorstander van een Mexicaanse neusriem, omdat een paard hiermee teveel kan blijven happen en rommelen met zijn mond.’ Niels ziet Dorlanda liever gereden worden met een gecombineerde neusriem en een Pelhambit, omdat de merrie waarschijnlijk wat meer respect voor de kinketting zal tonen.

Als andere, tijdelijke, oplossing steekt Niels, bij wijze van kinketting, een leren spoorriempje onderlangs door de bovenste bitringen en maakt de teugel een ring hoger vast. ‘Nu zal ze een lichte hefboomwerking voelen, maar aan jou nu ook de taak lichter in je hand te blijven en niet meer aan de teugels te gaan hangen.’ Om de les af te ronden laat Niels Kim enkele lage dubbelsprongen rijden, waarin ook het schakelen centraal staat. ‘Rijd de ene keer in vijf, de andere keer in zes galopsprongen. Hiervan zul je uiteindelijk in het parcours ook profijt hebben.’

Los door het lijf

Niels is een echte systeemruiter en ook de volgende combinatie benadert hij met dezelfde ‘plan van aanpak’. Terwijl een grotere tegenstelling tussen Dorlanda en Tahiti, het paard van Evy, bijna niet voor te stellen is. De hoog in het bloed staande Tahiti krult zich graag in de hals op, waardoor Evy niks meer in haar handen heeft en de schimmel in een krabbelgangetje valt. Maar ook Tahiti moet van Niels los door het lijf worden, met de juiste aanleuning op de teugel en met lengte in zijn pas. Dus geeft Niels ook Evy de opdracht tijdens de warming-up op beide handen steeds een ‘cirkel’ op de korte zijde in te zetten en tempowisselingen in zowel draf als galop te rijden.

Rijd de ene keer in vijf, de andere keer in zes galopsprongen

Maar waar bij Kim en haar merrie het accent op het terugrijden lag, ligt deze bij Evy en Tahita juist op het wegrijden. ‘Wanneer je verruimt kun je de lengte in de hals opzoeken en deze moet je vervolgens in de verzameling behouden’, vertelt Niels. Op het moment van wegrijden steekt Evy haar hand naar voren om Tahiti de ruimte te geven lengte in zijn hals te brengen, maar Niels vindt haar daarin iets te ‘bruusk’; het paard mag niet worden losgegooid en vervolgens weer worden aangehaald, maar moet met gelijk contact op beide teugels en aanvullende beenhulpen gereden worden. ‘Hij moet jouw onderbeen naar jouw hand toe volgen’, verduidelijkt hij.

Gelijkmatige teugeldruk

Ook tijdens het springen blijkt Evy te ‘los-vast’ met haar handen te zijn en moet ze met meer gelijke teugeldruk het parcours kunnen springen. ‘Niet blokkeren of losgooien. Heb altijd dezelfde aanleuning’, adviseert Niels, ‘In het parcours en op de sprong.’ Niels vraagt Evy de dubbelsprong te rijden die op vijf galopsprongen is uitgemeten, maar vertelt haar gelijk dat haar paard dát nog niet redt. ‘Rijd de afstand eerst maar in zes galopsprongen, want hij zal het nog niet in vijf halen’, schat Niels in. Toch wil hij dat Evy uiteindelijk de combinatie wel in vijf galopsprongen kan rijden. Daarom moet ze haar paard van Niels goed naar voren rijden; vóór, tussen en ná de dubbelsprong.

GEBRUIK DE LANGE ZIJDE OM TE VERRUIMEN EN DE KORTE ZIJDE OM WEER TE VERKORTEN

‘Zoek in de lijn tussen de hindernissen naar lengte in zijn hals, dan kan een paard een grotere galopsprong maken. En rijd na de laatste hindernis door, zodat je paard leert lengte te pakken. Veel mensen rijden gelijk terug na een sprong, maar er staat toch geen volgende hindernis.’ Niels is geen voorstander van ‘terug’ rijden, ‘Want het is niet alleen niet goed voor de lengte van de pas, en ook niet voor het springen. Paarden die zo gereden worden durven uiteindelijk ook niet meer af te zetten.’

Grootste deel van de training bestaat uit dressuurwerk

De derde ruiter is Kevin, de broer van Evy. Natuurlijk laat Niels hem tijdens het losrijden óók op de volte verzamelen en verruimen. Maar Niels breidt het dressuurmatige werk verder uit. ‘Je moet er altijd goed voor zorgen dat alle spieren goed opgewarmd zijn alvorens je gaat springen’, vindt hij en daarom neemt de dressuur ook het merendeel van de lestijd in beslag. ‘Wanneer het op- en terugrijden op de volte goed gaat kun je ook de gehele piste gebruiken om te schakelen’, vertelt Niels, ‘Gebruik de lange zijde om te verruimen en de korte zijde om weer te verkorten.’

Ondertussen heeft Niels een vierkant van balken in de rijbaan uitgelegd. Tussen de tegenover elkaar liggende balken zit de ruimte van één galopsprong. Niels geeft Kevin de opdracht op de korte zijde af te wenden en over de twee balken te galopperen. Vervolgens moet Kevin doorwenden en over de twee anderen balken galopperen om daarna weer over de balken richting de korte zijde te rijden. Een kleine volte naar wederom de twee balken die lateraal aan de lange zijde liggen, maakt de oefening af. ‘Daarna rijd je rechtuit en verruim je weer de galop’, zegt Niels. Door steeds, op beide handen, te wenden en over de balken te galopperen verbeter je de buiging van je paard, aldus Niels.

Afstand

Kevins paard Corlantus is al fijner en dressuurmatiger afgericht dan de paarden van Kim en Evy. Kevins mankement zit vooral in zijn eigen rijden; hij komt in het parcours niet altijd even mooi voor de sprong uit. Ook in het parcours dat hij van Niels moet springen komt Kevin in de combinatie in de problemen. Zijn afstand klopt niet en Kevin probeert van alles met zijn handen om alsnog goed voor de hindernis te komen. Zijn reddingspoging resulteert in een verkeerd afzetpunt. ‘Jij panikeert wanneer het niet goed gaat’, heeft Niels gezien, ‘Dat moet je niet doen. Het kan geen kwaad dat je paard een keer niet mooi uitkomt, maar werk in met je zit. Niet met je hand.’ Ook Kevin werkt teveel terug met zijn hand, vindt Niels, en moet meer naar voren rijden.

Het springen van een hindernis begint al in de wending er naar toe

‘Het tempo moet in de wending naar de hindernis toe al goed zijn en je blijft je paard met je been- en teugelhulpen begeleiden tot in de afzet.’ In een gelijkmatig tempo en met gelijkmatige teugeldruk kan een paard pas goed een parcours rondkomen, vindt Niels. Wanneer Kevin nogmaals op de dubbelsprong aanrijdt roept hij dan ook: ‘Houd altijd je onderbeen eraan, houdt het ritme en pak de lengte in de galopsprong.’

Kevin volgt Niels’ raad goed op in de volgende parcoursen, maar valt op het laatst toch nog een keer terug in zijn oude fout. Corlantus dreigt te dicht onder de sprong te komen en Kevin maakt voor de afzet snel links-rechts een ophouding. De ruin tikt alsnog met een voorbeen de balk van de hindernis. Niels analyseert wat er mis ging. ‘Als je ziet dat je te dicht onder de sprong komt’, tipt hij voor thuis, ‘zet je lichaam terug en sluit je hand. Ga niet heen en weer met je hand, want je paard is dan gewoon de weg kwijt.’

Dit instructie-artikel verscheen in 2015 in Hoefslag.

Foto: DigiShots

Lees ook: Les van Maurice van Roosbroeck

 

0 934

De opdracht die er ligt voor dit paard, is pittig: ‘loop door de waterbak’. Mustang Delgado heeft zoiets nog nooit gezien. Eigenlijk is hij doodsbang…

Vragen, niet eisen

De ruiter heeft geduld. Hij laat Delgado kijken en vraagt, niet eist, of hij voorwaarts wil gaan. De eerste keer mislukt, maar na nog een paar keer aarzelen en voorzichtig ‘voelen’ met een voet, denkt hij: ‘OK, als jij het zegt…’

Laten kijken

Bij elk paard werkt dit hetzelfde, écht! De een zal wellicht meteen de hand volgen, kijken, reageren op het been en gó! Bij een ander duurt het misschien een half uur, of nog langer. Maar laten kijken en rustig weer proberen, zonder aan de teugels te sjorren, te schoppen of de zweep er bij te pakken: gaan doen ze allemaal.

Facebook Carol Hiser/Hoefslag

Foto: Shutterstock

0 932

Bij grondwerk gaat het om de non-verbale communicatie. Je maakt gebruik van je lichaamstaal.

Ruimte

Als je wilt dat een paard naar je toe komt, maak je je wat kleiner door je bovenlijf iets voorover te buigen en je schouders naar voren te doen.  Als je wilt dat hij uit jouw ruimte gaat, maak je je groot: richt je op, borst naar voren, schouders naar achteren.

Veelvoorkomende fout

Een veelvoorkomende fout is dat je mee naar voren loopt, terwijl de bedoeling is: jij blijft staan, hij gaat uit je ruimte. Of voeren als beloning, waardoor het paard naar je toe komt terwijl de oefening ‘ga uit mijn ruimte’ is. Zorg dus dat je zelf
de techniek van het grondwerk onder de knie hebt voordat je met een paard begint. Pas dan kun je met een jonge paard beginnen.

Grondwerk

Heb je hem eenmaal geleerd goed te reageren op je non verbale communicatie, dan heb je daar zijn leven lang plezier van. Als je in het rijden of de omgang voelt dat je even geen controle hebt, dan ga je terug naar het grondwerk en leg hem weer even uit dat jij de leider bent.

Bron:CAP Magazine

Foto: iStock

Als je je paard van stal haalt, is goed instappen van belang. Een paard dat van stal komt hoort minimaal 10 minuten te worden ingestapt. Het is een warming up voor je paard, en doordat je paard stapt komt de hoefwerking op gang, wat de doorbloeding in spieren en pezen activeert.

Contact

Een wat ouder paard weet niet beter dan dat het trainingsuur begint met het instappen. Tijdens het instappen mag je paard de hoofd hals houding laag en lang houden. Maar is het wel aan te raden contact te houden met de mond, zodat je wel verbinding hebt.

Te voorwaarts om te stappen?

Maar wat doe je nu als je met een jong, of een heel fris paard aan het werk wilt gaan? Het instappen blijft natuurlijk belangrijk, voor de warming up en het activeren van de doorbloeding in de pezen. Maar dat kan eventueel ook aan de hand of in de stapmolen. Zeker als een paard erg fris is, is het dan soms beter om zodra je op je paard stapt direct weg te rijden. Of hem eventueel van te voren even te longeren, zodat hij zijn stalmoed een beetje kwijt is.

Gespannen

Als je je paard op zo’n moment tegen gaat houden, omdat je persé eerst tien minuten wilt stappen, dan kan het juist mis gaan. Zeker als het om een jong groen paard gaat. Als je die tegen houdt raakt hij alleen maar meer en meer gespannen. Schiet dan een keer weg, waardoor je er half naast hangt, en daar schrikt je paard dan weer van.  Dan krijg je zo’n situatie van reactie op reactie. Dat moet je voorkomen.

Bron: CAP Magazine / Hoefslag
Foto: Digishots

 

0 1052

Met het zetten van de eerste stappen naar meer verzameling, komen de keertwendingen op het programma. Niets om je zorgen over te maken, volgens dressuuramazone Lotje Schoots, die in haar jeugd meervoudig Europees kampioene was, en inmiddels op Grand Prix niveau rijdt. ‘Want controle krijgen in travers op de volte, geldt als de basis van een goede keertwending.’

Aanleren

‘Ik begin altijd met travers in stap op de lange zijde. Dat doe ik later op de grote volte en die maak ik steeds kleiner’, vertelt Lotje als we haar vragen hoe je een keertwending aanleert. ‘Op een gegeven moment stap ik vanuit die kleine volte zo een keertwending door. In het beginstadium mag die keertwending best wel wat groot zijn. Zoals je ook in het galopwerk vanuit grote arbeidspirouettes naar kleine pirouettes toewerkt, doe je dat ook met stappirouettes.’

Basisprincipes

In een goede keertwending blijven de basisprincipes gehandhaafd. De aanleuning is dus stil, het stapritme is constant en in de juiste viertakt en het paard is gesteld en gebogen in de juiste richting. ‘Belangrijk is dat de voorhand om de achterhand heenstapt en het buitenachterbeen dus niet opzij wegstapt. Mijn ervaring is dat je in drie tot vier passen van het achterbeen omgedraaid moet zijn, dan is de keertwending klein genoeg’, legt Schoots uit.

Het juiste stapritme

‘Het ideale stapritme is per paard verschillend. Je kunt in de training al heel goed testen hoe je jouw paard het beste kunt voorstellen. Bij het ene paard is dat in een net wat actievere stap, er zijn ook paarden die een mooier totaalbeeld laten zien als ze in een wat rustiger tempo stappen. Soms kan net wat hoger, of juist iets lager instellen veel doen voor het totaalbeeld’, licht Schoots toe. De amazone vertelt dat ze ook wel eens een paard heeft gehad dat de neiging had tot taktverlies. ‘Ik oefen dan veel travers op de volte en probeer daar de takt te verbeteren. Het paard dat energie verliest, kun je het beste door laten stappen en de passen zo groot mogelijk laten maken. Een paard dat te snel gaat stappen kun je het beste controleren door rustig en klein te laten stappen. Ik train bij dit probleem veel met balkjes om de stap in het algemeen te verbeteren. Die leg ik dan op zo’n vijftig centimeter uit elkaar en daar stap ik in middenstap overheen.’

Bron: CAP Magazine / Hoefslag

Foto: Sabine Timman

0 1168

Longeren is meer dan beweging geven. Goed longeren helpt je paard te trainen. Longeren is daarbij een leuke afwisseling op de andere training of grondwerk en bovendien een mooie voorbereiding op het zadelmak maken van het jonge paard.

Goede voorbereiding

Zadelmak maken en een paard inrijden begint altijd met een goede voorbereiding. Die voorbereiding begint ermee dat je ervoor zorgt dat je paard zich vertrouwd voelt onder de mensen. Dat het meeloopt aan het halster, dat je het vast kan zetten op de poetsplaats en ga zo maar door.

Wennen aan het bit

Een volgende stap is het paard laten wennen aan het bit. Je kan daar mee beginnen door een keer een hoofdstel aan te doen, en na een tijdje weer uit te doen. Vandaar uit bouw je dat op, zodat het paard de tijd krijgt te wennen aan het bit in de mond én dat je paard stapje voor stapje leert hoe het is om lichte druk op het bit te hebben en de gewenste reactie daarop te geven.

Leren begrijpen

Vervolgens begin je met longeren. Eerst moet het paard leren begrijpen, wat de bedoeling is van longeren. Om niet onnodig de mond te bezeren van je paard, maak je de longeerlijn in het begin vast aan een kaptoom of eventueel aan een halster. En longeer je bij voorkeur in een longeerscirkel of afgezette ruimte.

Leren nageven

Zodra je paard een beetje snapt wat de bedoeling is van longeren, kan je hem bijzetten. Hier zijn verschillende methodes voor. En het vereist vakkenis om de juiste methode toe te passen.  Uiteindelijk is het de bedoeling dat je paard leert nageven op de ‘weerstandbiedende teugel’.  Ook kan je je paard leren om aan de longe om op een ‘ophouding’ te remmen.

Makkelijker te sturen

Als een paard aan de longe nageeft is het later met het rijden direct makkelijker te sturen. Zodra een paard aan de longe met bijzet fijn loopt in stap, draf en galop, kan de ruiter die ze zadelmak maakt en er dus voor het eerst op gaat, aan het werk. Door een goede voorbereiding, zie je trouwens vaak dat het zadelmak maken niet zo heel veel meer voorstelt. Zodra een paard goed is aangereden, en snapt dat het op het been vooruit moet, op de teugel terug komt en het principe van sturen begrijpt, kan je het paard overnemen van de ruiter die het paard zadelmak maakte.

Daadwerkelijk verbeteren

Longeren biedt vervolgens een leuke afwisseling in de training van het paard. En goed longeren kan je paard ook daadwerkelijk verbeteren. Longeren is een vak apart. Ook goed bijzetten tijdens het longeren, met oog voor waar het paard baat bij heeft, is iets wat vakkennis vereist. In een volgend artikel hierover meer.

Bron: CAP Magazine
Foto: Shutterstock

0 995
Dujardin

Dankzij het WHIS instructiesysteem, hoef je geen woord te missen van je instructeur. Je hebt een oortje in, en de instructie komt binnen alsof je vlak naast je trainer staat. Nieuw is dat WHIS haar assortiment heeft uitgebreid. Je kan nu terugpraten naar je instructeur.

WHIS Competition

WHIS brengt een uitgebreid assortiment instructiesystemen. Opvallende verschijning is de nieuwe WHIS Competiton. Dit exclusieve design van WHIS is ontwikkeld in samenwerking met topruiters.

Unieke privé verbinding

De WHIS Competition geeft een unieke privé verbinding tussen ruiter en instructeur. Deze ‘private connection’ regelt volautomatisch dat de instructeur altijd zijn privé verbinding met de ruiter behoudt. Een kanaal  wisselen is niet meer nodig. De WHIS Competition heeft de hoogste geluidskwaliteit. En biedt instructeur en ruiter ook de mogelijkheid om onderling te communiceren (terugpraten tegen de instructeur).

Meer informatie over de WHIS instructiesets is te vinden op: http://www.whis.nl/

Bron: WHIS
Foto: WHIS


[gd_listings post_type=”gd_place” layout=1 category=”1,3″ post_number=”4″ list_sort=”random” tags=”ruitersport-winkels”]


Lekker buiten zijn met vriendjes en vriendinnetje in plaats van videogames spelen op de computer. Ponyrijden is goed voor kinderen, hieronder zes redenen om dat te onderbouwen.

1. Actief zijn

Elke sport draagt bij aan de gezondheid van kinderen, ponyrijden dus ook. In Nederland, net als in andere landen, is overgewicht bij kinderen een probleem en de percentages lopen op. Daarom is het belangrijk om kinderen actief te houden en daar al vroeg mee te beginnen. Kinderen zijn met ponyrijden actief bezig en heerlijk in de buitenlucht.

2. Vroeg beginnen

Als kinderen vroeg met een bepaalde sport beginnen, is er een grote kans dat zij dit gaan zien als een belangrijk onderdeel van hun leven en dat zij het ook blijven beoefenen als ze volwassen zijn. Eventingamazone Lucy McCarthy: ‘Ponyrijden leert goede lessen over het leven. Je hebt een doel voor ogen, waardoor je gemotiveerd bent, je moet hard werken, empathie wordt beloond, de kinderen leren omgaan met verliezen en ervaren het fijne gevoel als ze winnen.’

3. Nieuwe vriendjes en vriendinnetjes maken

De kinderen komen in een nieuwe omgeving waar zij nieuwe kinderen kunnen leren kennen. Ponyrijden kan leiden tot sociale voordelen en het ontmoeten van nieuwe kinderen die kunnen leiden tot een levenslange vriendschap. Ook is het goed dat kinderen andere vriendjes en vriendinnetjes hebben dan die van school.

4. Meer zelfvertrouwen

Het leren van rijden en verzorgen van beesten die twee keer zo groot zijn als het kind zelf kan het zelfvertrouwen vergroten. Het is een goede manier om het zelfvertrouwen een boost te geven door ze nieuwe dingen te leren, complimenten te geven en succes te behalen in de ring.

5. Lessen over het leven

Kinderen leren al vrij snel dat het goed is om hard te werken, anders behaal je geen successen in de ring. Dressuuramazone Natalie Reynolds legt uit: ‘Het verzorgen van een pony is hard werken. De stal waar ik heb leren paardrijden had duidelijke regels. Je moest eerst leren stallen uitmesten en paarden voorzorgen voordat je mocht beginnen met rijden. Rijden was een privilege als je je taken had gedaan en het zorgde ervoor dat je hard werkte omdat je zo snel mogelijk op een pony wilde rijden.’

6. Verantwoordelijkheid

De verzorging van paarden en pony’s, zoals het voeren en verzorgen, leert kinderen om voor anderen te zorgen. Het leert kinderen om respect en discipline te hebben. Eventingruiter Lycy McCarthy: ‘Leren om een pony te verzorgen, geeft kinderen een gevoel van verantwoordelijkheid waar ze hun hele leven profijt van hebben.

Bron: Horse and Hound
Foto: Shutterstock

hoefsmid

Van je hobby je beroep maken, veel mensen durven bij die gedachte wel al eens wegdromen. Maar waarom niet de koe bij de horens vatten? In CVO Brussel, een bruisend centrum voor volwassenenonderwijs, kan je een opleiding Hoefsmid volgen.

Duur van de opleiding

De mensen die aan deze opleiding willen deelnemen, kunnen op voorhand bepalen binnen welke termijn ze hun diploma willen behalen. Cursisten die voor het intensiefste traject kiezen, komen vier dagen in de week naar de school en kunnen zo alle lesmodules volgen op één jaar tijd. Maar er is ook de mogelijkheid om de lessen te spreiden over twee jaar. In dat geval komen de cursisten twee in plaats van vier dagen per week naar school. Tot slot biedt de school nog de mogelijkheid om de lessen op donderdagavond en op zaterdag te volgen.

Theorie en praktijk

In de opleiding Hoefsmid komt zowel theorie als praktijk aan bod. Tijdens de theorielessen bekijken de cursisten onder andere de anatomie van het paard, leren ze hoe hoeven werken en bestuderen ze de voornaamste hoefziekten. Tijdens de praktijklessen leren de cursisten een hoefijzer maken om dit, in eerste instantie, aan te brengen op dode paardenvoeten. Van zodra ze dit onder de knie hebben, gaan ze aan de slag met levende paarden. Ten slotte volgen de cursisten een korte stage bij een ervaren hoefsmid.

Meer info

Meer informatie en inschrijven voor de infodag: www.cvobrussel.be

Bron: CAP Magazine
Foto: Shutterstock

0 3520

Hulpteugels zijn er in vele varianten. Zie dienen met name om de lichaamshouding van het paard te beïnvloeden. Wat is de werking van de verschillende hulpteugels? Welke leerprincipes gebruikt het paard en wat zijn de voorwaarden bij het gebruik van deze hulpmiddelen?

Het paard kan door verkeerd gebruik van een hulpteugels juist ongewenst gedrag gaan vertonen: agressief worden of vluchten. Om dit te voorkomen is het nodig om het hulpmiddel in eerste instantie dusdanig om te doen dat het paard er geen of nauwelijks beperkingen door ervaart. Pas als hij zich warm gelopen heeft kan het hulpmiddel op maat gemaakt worden.

Ook dan is het zaak het zo af te stellen dat het paard kan leren hoe het druk kan vermijden. Bij erg gevoelige paarden kan het zelfs nodig zijn een aantal keren te trainen zonder dat het hulpmiddel scherp staat afgesteld. Pas als het principe begrepen wordt kan het middel, al naar gelang fysieke conditie en mogelijkheden van het dier, stapsgewijs scherper afgesteld worden.

Je paard bepaalt

Hulpmiddelen moeten dus zodanig afgesteld worden dat het paard zélf, door zijn gedrag aan te passen of te veranderen, het onaangename gevoel kan laten verdwijnen. De slofteugel bijvoorbeeld heeft vaak een tegengesteld effect doordat de ruiter de teugels te strak houdt en niet meegeeft als het paard uiteindelijk het gewenste gedrag vertoont. Verder bestaat er het risico op verwarring bij het paard omdat de ruiter de lengte van de teugels niet bepaalt aan de hand van wat het paard aankan, maar bepaalt aan de hand van wat de ruiter denkt dat veilig en nodig is.

Veiligheid voorop

Hoe en waar gebruiken we hulpmiddelen op een veilige manier?
* Zorg voor een rustige trainingsplaats met weinig afleidende prikkels en een goede omheining zodat het paard niet, behangen met hulpmiddelen, kan vluchten.
* Heel belangrijk is kennis over de manier waarop een paard leert en inzicht in het bewegingsmechanisme van paarden in het algemeen en het desbetreffende paard in het bijzonder.
* Essentieel is een deskundige trainer die het gebruik van hulpmiddelen, de mate van africhting en andere factoren als bodemgesteldheid goed op elkaar afstemt.
* Hij of zij moet het karakter van het paard kunnen inschatten: een paard dat makkelijk steigert of bokt kan bijvoorbeeld gevaarlijk klem komen te zitten in een Pessoa-teugel.
* Bij inzet van longeren moet de trainer hier ook ruim ervaring in hebben.
* Het dier mag zeker geen ernstige rug- of spierproblemen hebben.
* Een goede warming up en na afloop een cooling down zijn noodzakelijk.
* Bouw de training op volgens een geleidelijk schema.

Halsverlenger

Dit hulpmiddel heeft als doel het paard tijdens de training in de juiste hoofd-hals positie te laten lopen. Het elastiek kan gebruikt worden aan de enkele longe, dubbele longe of onder het zadel. Het loopt achter de oren langs door de bitringen naar de singel (boven, zijkant of tussen de benen). Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt neemt de druk achter de oren en in de mond toe. Als het paard het hoofd weer naar beneden brengt, verdwijnt de druk. Er is dus sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging: het dier kan door zijn eigen gedrag aan te passen ontkomen aan het onaangename gevoel dat het hulpmiddel hem geeft.

Bijzetteugel

De uitvinder van de bijzetteugel is onbekend. Het doel van de teugel is om een paard te leren na te geven op de inwerking van de bijzetteugel waarbij het de rug los laat en meer gesloten zal lopen. Het voordeel van de bijzetteugel is dat de inwerking van de teugel heel constant is en er dus een rustige aanleuning kan ontstaan. Het nadeel is dat het hoofd en de hals van het paard worden beperkt in de beweging. Het kan moeilijk naar opzij en niet naar voren.

De bijzetteugel bestaat uit twee leren riemen die beide in het midden een rubberen ring hebben. Aan de ene zijde zit een haakje om het aan het bit te bevestigen en aan de andere zijde een bevestigings- en verstelmogelijkheid voor aan de singel. De bijzetteugel wordt veel gebruikt als hulmiddel bij het longeren. Bij het gebruik ervan is er wederom sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. De druk op het bit neemt af als het paard nageeft (gewenste gedrag).

Pessoa longeerset

De Pessoa longeerset is ontworpen door Nelson Pessoa. Nelson Pessoa was tot 2000, het jaar waarin hij stopte met internationale wedstrijden, een van de beste springruiters van de wereld. Hij heeft een lijn met eigen producten, zoals zadels, bitten enzovoorts. Het doel van de teugel is een in balans lopend paard, los in de rug en met een actief achterbeen.

De longeerset bestaat uit twee delen. Een touw dat bovenop de rug met een musketonhaak wordt vastgemaakt aan de longeersingel en om de achterbenen gaat. Het stuk dat om de achterbenen loopt is van elastiek met daaromheen een bontje. Het andere touw gaat ook om de achterbenen heen en zit samen met het eerste touw in het bontje. De andere kant van dit touw gaat via een ring aan de longeersingel naar het bit (katrolletje) en weer terug naar de longeersingel. Je kunt het paard op vier verschillende wijze instellen (lang en laag, middelhoog, hoog en dressuur).

Wanneer het paard niet in balans over de rug loopt oefent deze teugel druk uit op de mond en achter de achterbenen. Deze druk verdwijnt wanneer het gewenste gedrag getoond wordt. Er is dus weer sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. Extra voorwaarde voor het gebruik van de longeerset is dat het paard moet kunnen accepteren dat er iets rond de achterbenen loopt.

Slofteugel

Als uitvinder van de slofteugel wordt William Cavendish genoemd. Hij leefde van 1593 tot 1676. Hij was beroemd om zijn uitstekende horsemanship. Hij schreef diverse werken, waaronder A general system of Horsemanship. De slofteugel werd populair in de jaren zeventig toen olympisch kampioen, Alwin Schockemohle, zijn paarden ermee reed. Vele ruiters volgden zijn voorbeeld.

De slofteugel is een lange, doorlopende leren of stoffen teugel die door beiden bitringen gaat en daarna tussen de twee voorbenen aan de singel bevestigd wordt. De ruiter heeft dus twee paar teugels in handen. Het doel van de slofteugel is een juiste hoofd-hals houding van het paard door de opwaartse beweging te beperken. Wanneer het paard het hoofd te hoog houdt zal de slofteugel inwerken en druk geven op het bit. Wanneer het paard nageeft zal de druk afnemen. Hierbij vindt dus ook operante conditionering plaats in de vorm van negatieve bekrachtiging.

In onkundige handen heeft de slof een scherpe inwerking. Het hoofd kan dan onder dwang naar beneden worden getrokken waardoor er spanning in het lijf ontstaat. Deze spanning zorgt er voor dat het paard niet los door het lijf kan lopen met spierpijn, nek- en rugproblemen en stress tot gevolg. Extra voorwaarden voor het gebruik zijn: een vriendelijke hand en een goede timing door op het juiste moment de druk weg te halen.

Thiedemann teugel

De uitvinder van de Thiedemann teugel is Fritz Thiedemann, geboren op 3 maart 1918 en overleden op 8 januari 2000. Hij was een Duitse springruiter, die bekend is geworden door zijn succes tijdens de Olympische Spelen in 1952.

De Thiedemann teugel bestaat uit een riem om de hals. Door de onderkant van deze halsriem loopt een riem die bevestigd zijn aan de singel. Het andere uiteinde vertakt in twee dunnere riemen, die door de bitringen gehaald worden en hierna bevestigd worden aan een van de ringetjes die op de teugel gemaakt zijn.

Het doel van de Thiedemannteugel is het begrenzen van opwaartse beweging van het hoofd van het paard. Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt neemt de druk op het bit toe. Bij het gewenste gedrag neemt deze druk weer af: operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. De Thiedemannteugel kan de discriminant worden voor het nageven: bij weglaten ervan kan het zijn dat het paard weer met het hoofd omhoog loopt.

Martingaal

In beeltenissen wordt de (vaste) martingaal al gezien in de zestiende eeuw. Aangenomen wordt dat een soldaat de martingaal heeft uitgevonden. Het is de meest gebruikte hulpteugel, vooral bij springruiters is hij erg populair. Er zijn twee soorten: de vaste martingaal en de glijdende martingaal. De martingaal bestaat uit een riem om de hals van het paard, door de onderkant van deze riem loopt een riem die is bevestigd aan de singel. De andere uiteinden hebben ieder een ring waar de teugel doorheen wordt geleid (glijdende martingaal). Deze uiteinden kunnen ook rechtstreeks worden bevestigd aan de neusriem (vaste martingaal).

De martingaal voorkomt dat het paard het hoofd extreem omhoog kan brengen. Wanneer het paard het hoofd omhoog brengt zorgt de martingaal voor een hoek in de teugel, hierdoor werkt het bit neerwaarts in op de lagen en niet op de minder gevoelige mondhoeken. Hoe langer de martingaal wordt gelaten hoe hoger het paard het hoofd kan brengen. Er is sprake van operante conditionering in de vorm van negatieve bekrachtiging. Zodra het paard het hoofd omlaag brengt neemt de druk af.

De belangrijkste voorwaarde voor het gebruik zijn het gebruik van teugelstops. Bij afwezigheid hiervan kan de martingaal vast komen te zitten aan het bit waardoor deze vervolgens zeer scherp rechtstreeks op het bit inwerkt. Daarnaast moet de martingaal zo afgesteld zijn dat deze los hangt als het paard zijn hoofd op de juiste hoogte heeft.

Tekst: Debbie Rijnders/Hoefslag

Foto: Shutterstock

HOEFSLAG ACADEMY

Volg ons!

100,133FansLike
0VolgersVolg
6,895VolgersVolg
1,451Youtube abonneesAbonneer