Tempocontrole is essentieel. Waarom? Het is de randvoorwaarde voor verbinding, en daarmee de randvoorwaarde voor het atletisch ontwikkelen van je paard. Als je het tempo van je paard niet kunt controleren, kan je de houding en de aanleuning van je paard niet controleren. En als dat niet lukt, kan je je paard onmogelijk atletisch ontwikkelen. Tempo en aanleuning hangen nauw samen. Je kan het eigenlijk niet los van elkaar zien, ook al gaan we in deze aflevering meer in op tempocontrole en in de volgende aflevering meer in op aanleuning. Het principe achter tempocontrole is aan de ene kant heel simpel. Maar toch is het niet eenvoudig om het als ruiter altijd goed toe te passen. Het principe werkt pas echt goed, als je zeer consequent en heel bewust bezig bent met het tempo waarin je rijdt.

Ga voor meer dressuurinstructie naar de Hoefslag Academy

Het stelt ook eisen aan de ruiter. Die moet voordat hij kan gaan denken aan tempocontrole over een onafhankelijke zit beschikken én leren dat hij of zij alleen hulpen geeft als er iets aan het tempo veranderd moet worden. Tempocontrole is belangrijk voor ieder paard dat dressuurmatig gereden wordt. Een misverstand is, dat tempocontrole alleen geldt bij hete sensibele paarden, zeg maar het type paarden waar Anky van Grunsven haar successen mee behaalt. Ook voor een traag en minder sensibel paard werkt het principe van tempocontrole, waarbij naast consequent zijn ook timing en dosering van hulpen van belang zijn.

Principe van actie-reactie

‘Een paard moet leren voor druk te wijken, zowel voorwaarts (voor het been) als op de teugel (terug). Als je met een jong paard begint en je gaat erop zitten, dan reageert ieder paard in eerste instantie anders voor je been. Sommige stoppen als je je been aan legt. Anderen slaan op hol. Probeer een jong paard op de poetsplaats eens om te zetten. Als ze het opzij gaan niet kennen, is de eerste reactie vaak dat ze er juist tegen aan gaan hangen. De natuurRV102281kopieRSlijke reactie van een paard is om terug te duwen. En wij willen juist een tegenovergestelde reactie. Bij het rijden is het de bedoeling dat een paard leert voorwaarts te gaan (reactie) op de druk van je been (actie). Je leert ze dat door druk te geven met je kuit en die druk vol te houden en te herhalen totdat een paard het goede antwoord (naar voren gaan) geeft. Zo simpel is het. En zo moeilijk is het tegelijkertijd ook. Het is een kwestie van consequent volhouden. Heel belangrijk is het paard te belonen als hij maar een fractie de goede kant op reageert. Als je been geeft en hij gaat een beetje naar voren is hij al braaf. Je beloont je paard door de druk weg te nemen, al dan niet in combinatie met je stem. Het wegnemen van de druk (been) werkt in dit geval als een beloning.’

RV101973kopieRS

‘De juiste reactie op een teugelhulp is ook iets dat een paard moet leren. Als je op een compleet onervaren paard zit en je komt aan de teugel is de eerste reactie meestal: er flink tegenin gaan. Een paard wil die druk in zijn mond niet. Als jij als ruiter die druk erop houdt, probeert hij van alles om er vanaf te komen. Op enig moment zal hij ook remmen, al is het maar een beetje. Dat is het moment dat je je paard beloont door de druk eraf te halen (foto rechts). Dit principe leidt in een later stadium tot nageven. Een verschil met de klassieke rijschool is dat wij één hulp geven, wachten op reactie, belonen en dan pas de volgende hulp weer geven. Een paard is moeilijk in staat om een ‘set’ van hulpen te onderscheiden. Het pikt er meestal één uit en legt het verband tussen de hulp en wat hij moet doen. Een overgang terug geven wij aan door een teugelhulp. Wij geven, in tegenstelling tot de klassieke rijschool, niet tegelijkertijd been in de overgangen terug. Dat is ook verwarrend voor een paard. Zeker in het allereerste begin is dit principe heel belangrijk. Want druk op de teugel betekent stoppen en een beenhulp betekent vooruit. In de klassieke rijschool wordt door het geven van been voorkomen dat het paard stilvalt of teveel terugkomt in de overgang. Maar wij willen niets voorkomen, maar juist oplossen. Wij laten een paard de fout maken om te veel terug te komen, om daarna weer been te geven en hem uit te leggen wat we nu precies bedoelden. Zo leert een paard voorwaarts denken in overgangen terug.’

Wanneer is het tempo goed?

‘In het begin ben je tevreden als je jonge paard voorwaarts reageert op je been en terugkomt op je remmende hulp. Doet hij dat, dan is dat genoeg. Je hebt het dan nog niet over balans, aanleuning en dat soort zaken. Dat werk je uit. Je probeert op een gegeven moment meer balans, tact en aanleuning te krijgen. Het is belangrijk dat een paard leert om op zijn eigen benen te lopen. Zonder continue ‘ondersteuning’ van beenhulpen en zonder dat je de teugel gebruikt. Om dat voor elkaar te krijgen ben je bij het ene paard twee maanden en bij het andere paard een half jaar bezig. Het tempo is goed, als je geen teugelhulp en beenhulp hoeft te geven en het paard in hetzelfde tempo blijft doorlopen. Het juiste tempo heeft ook met balans en innerlijke energie te maken. Voor een paard dat over een bepaalde natuurlijke balans beschikt, is het makkelijker om in het juiste tempo te lopen. Een paard kan over het tempo (overhaast) of onder het tempo lopen. In beide gevallen loopt het paard niet in balans. Als het paard over het tempo loopt, wordt het vaak rommelig en rennerig, het paard loopt als het ware voor je weg. Als een paard onder het tempo loopt, is het over het algemeen niet ‘voor het been’. De ruiter heeft dan vaak de neiging om iedere stap te drijven. Dat willen we juist niet! Het is dan zaak het paard voorwaarts op één beenhulp te krijgen (zie ook het kopje ‘Hoe doe je dat: tempocontrole?’). Belangrijk bij de ontwikkeling van tempocontrole is dat je met een klein beetje vooruitgang tevreden moet zijn. Je blijft altijd zoeken naar perfectie binnen de grenzen van wat er op die dag mogelijk is. Daar kan je de volgende dag weer verder mee. Je rijdt voor de dag van morgen.’

RV101645RS1

‘Bij het jonge net zadelmakke paard, dat nog moeite heeft met zijn balans, rijd je de overgangen meestal van de ene naar de andere gang. Je gaat van stap naar draf. Van draf naar galop. Van galop naar draf en van draf weer naar stap. Als je een paard verder wilt ontwikkelen en het is zover dat het in balans op eigen benen door de baan loopt, dan ga je hem niet alleen maar in zijn ‘fijne tempo laten lopen’. Wij zeggen dan wel, we gaan aan de ‘eerste, tweede, derde en soms zelfs vierde versnelling’ werken. We maken dan tempowisselingen binnen de gang (draf of galop) waarin we rijden. Het gaat erom dat je je bewust bent in welk tempo je wilt komen en dat je je tempowisselingen varieert. Als je in arbeidsdraf (‘tweede versnelling’) rijdt, kan je naar middendraf (‘derde versnelling’) en naar de uitgestrekte draf (‘vierde versnelling’). Ben je al weer wat verder met je paard, dan is er ook een verzamelde draf (‘eerste versnelling’). De ene keer rijd je van verzamelde draf naar middendraf en weer terug.

100511-RV101736RS De andere keer rijd je van verzamelde draf naar middendraf naar uitgestrekte draf en weer terug. Daar moet je heel erg in variëren. Dat variëren is belangrijk om je paard te blijven verrassen en zo alert te houden op je hulpen. Als jij drie keer op de diagonaal van verzamelde draf naar middendraf rijdt, dan doet het paard het de vierde keer als vanzelf. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, want waar is de tempocontrole dan? Het bewust variëren kost veel concentratie en je moet heel consequent zijn. Dat laatste is misschien nog wel het allermoeilijkste. Het rijden van tempowisselingen is een ontzettend belangrijk hulpmiddel bij het ontwikkelen van je dressuurpaard én bij het verkrijgen van tempocontrole. Natuurlijk heeft niet ieder paard evenveel mogelijkheden om te verruimen. Er zijn paarden die geen vier, maar drie versnellingen hebben. Maar ook binnen dat beperkte vermogen, kun je proberen heel consequent en bewust te variëren in tempo.’

Aanspanning / ontspanning

‘Tempocontrole is een randvoorwaarde om een paard fijn in verbinding te rijden. Dan kom je op een stukje aanleuning, waarover we het in deze aflevering verder niet gaan hebben, maar wat je niet los kan zien van tempocontrole. Nauw samenhangend aan tempowisselingen is ook dat je je paard leert ontspannen. Je leert hem dat hij de hals kan laten dalen en over de rug ontspannen doorloopt in hetzelfde tempo. Dat doe je zodat hij leert de bovenlijn los te laten. Als het paard leert de bovenlijn los te laten, kan je hem daarna weer oppakken en de bovenlijn weer aanspannen. Vanuit die aanspanning (met een losgelaten rug) kan je draf uitbouwen van een simpel drafje of galopje naar meer draf of galop. Na een periode van aanspanning zoeken we de ontspanning weer op.

Nauw samenhangend aan tempowisselingen is ook dat je je paard leert ontspannen

Ook dat variëren we. Doe je dit goed, dan ben je echt aan het trainen, in die zin dat je je paard ook spiertechnisch aan het ontwikkelen bent. Een spier wordt namelijk geprikkeld en getraind doordat ie aanspant en ontspant. De periodes van aanspanning bouw je gedurende de (jarenlange) opleiding van het dressuurpaard op. Bij een jong paard ben je al tevreden met één lange zijde waarin het paard zich aanspant. Dat bouw je verder uit. Maar ongeacht op welk niveau je rijdt, periodes van ontspanning horen in iedere training van ieder paard thuis. Het afwisselen van aanspanning en ontspanning is iets wat je ook in de proeven op alle niveau tegenkomt. In de Grand Prix bijvoorbeeld, krijg je na de piaffe en passage (aanspanning) een diagonaal uitgestrekte stap (ontspanning). Dat is een extreem voorbeeld van het verschil tussen aanspanning en ontspanning in één proef.’

Hoe doe je dat, tempocontrole?

‘Op de eerste plaats is het belangrijk dat je je hulpen op de juiste manier geeft. Om dat te kunnen, moet jeonafhankelijk kunnen zitten (zie aflevering 3 van deze serie). Als je onafhankelijk zit, is het vervolgens belangrijk dat je de hulpen op de juiste manier geeft. De timing is belangrijk. De hulp komt alleen over als je hem op precies het juiste moment geeft. Niet één of twee secondes vroeger of later. Het gevoel voor timing kan je ontwikkelen. Daarbij kan het helpen als je instructeur aan de kant meekijkt. Een tweede belangrijk onderdeel van het geven van de hulp is ‘de juiste dosering’. Tussen ‘been geven’ en ‘been geven’ kan een wereld van verschil zitten. Het streven is om uiteindelijk de hulpen zo klein en onzichtbaar mogelijk te laten zijn. Voor wat betreft het voor ‘het been zijn’ bouw je de dosering van je hulp op. In eerste instantie druk je een keer licht met je kuit aan. Komt er dan geen reactie herhaal je na maximaal twee seconden de hulp een fractie duidelijker, door krachtiger met je kuit aan te drukken. Komt er dan nog geen reactie, geef je een nog duidelijker gedoseerde beenhulp. Er zit dus een soort van opbouw in de intensiteit van je hulp. Als je dat altijd consequent toepast, zul je zien, dat je paard binnen no time gewoon reageert op de eerste lichte kuitdruk. Het moeilijkste is ook hier weer super consequent zijn. Als een paard na de tweede keer niet reageert, moet je niet denken ‘laat maar zitten vandaag’, want dan bevestig je de verkeerde reactie. We noemen dat ook wel een ‘nul’-hulp. En als je dat een paar keer hebt gedaan, houd100511-RV101605RS je een paard over dat niet gehoorzaam is voor het been. In de overgang terug geldt hetzelfde. Je vraagt een paard terug te komen in tempo door een lichte druk op je teugels te nemen. Komt er niets, dan vergroot je de druk. Reageert het paard nog steeds niet, dan vergroot je de druk en zet je je paard een keer helemaal stil. Als je dit principe consequent doorvoert, dan ontwikkel je je paard zo, dat de hulpen steeds verfijnder gegeven kunnen worden en je steeds meer tempocontrole krijgt.’

Trage paarden

‘Het ene paard heeft van nature meer looplust en een energieker gebruik van het achterbeen, dan het andere paard. Het is een groot misverstand dat onze manier van werken, het beste past bij hete looplustige paarden. Juist bij trage en minder looplustige paarden werkt de aanpak heel goed. Míts het consequent en op de juiste manier wordt toegepast (zie kopje ‘hoe doe je dat: tempocontrole?’). Ik heb ook wel eens een trager paard gereden. En nee, dat zou nooit een Sunrise worden. Maar mijn doel was wel om hem zo vlug als Sunrise te krijgen. Nogmaals, het is op de eerste plaats een kwestie van consequent zijn met het gebruik van de beenhulp. Als je met een jong paard begint, dat trager is, kan je door consequent te zijn een heel eind komen. Moeilijker wordt het als een traag paard, door jarenlang verkeerd gereden te zijn, helemaal is afgestompt op de beenhulpen. Er zijn ruiters en amazones die elke stap dat een paard stapt, draaft of galoppeert, meedrijven. Dat is een ernstige ruiterfout. In onze aanpak, laat je je been afhangen, en je drijft niet tussendoor als je paard in het gewenste tempo loopt. Door dat geschop, sluit een paard zich op een gegeven moment af voor de beenhulp en reageert hij nergens meer op. Het eerste dat in zulke gevallen opgelost moet worden, is de ruiter en zijn hulpen. Als een ruiter jarenlang gewend is om het op een bepaalde manier te doen, is dat al geen gemakkelijke taak. Daarna kijken we naar het paard. Paarden die totaal niet voor het been reageren, en waar dus geen sprake is van tempocontrole, zijn ook niet nageeflijk en in verbinding te rijden. Eerst moet de tempocontrole voor elkaar zijn, dus eerst moet het paard weer leren reageren op iedere kuitdruk. Met zulke afgestompte paarden moet je dan echt gaan zoeken naar een ‘ingang’, zodat het paard zich weer openstelt voor de hulp. Dat is vaak een beetje zoeken en puzzelen. Het ene paard reageert beter op een duwende drijvende hulp, de andere op een korte tikkende kuithulp of spoorhulp en bij weer een andere werkt het om een tikje met de zweep achter het been te geven. Zodra het paard maar een klein beetje de goede kant op reageert, beloon je hem door je been af te laten hangen, al dan niet in combinatie met je stem.’ |

Meer over tempocontrole in de eerste videoaflevering van de Hoefslag Academy

 

Tekst: Karin de Haan / Foto’s: Remco Veurink

Vergelijkbare artikelen

Reacties