De meeste onderdelen in een Grand Prix-proef worden in galop gevraagd. Het rijden en ontwikkelen van galop is daarmee een belangrijk onderdeel van de opleiding van het jonge dressuurpaard tot aan Grand Prix-niveau. Eerder werden de contragalop, de changementen en de series behandeld. In deze aflevering komen de (zig-zag) appuyementen, de arbeidspirouettes en de pirouettes aan bod.

Training

Appuyement in galop

‘In de aflevering over zijgangen bespraken we al hoe we een appuyement voorbereiden en rijden in draf. Inprincipe is het rijden van een galopappuyement niet veel anders. De voorbereiding is weer heel belangrijk. Je neemt stelling naar de kant waar je naar toe wilt appuyeren. Je hebt het gevoel dat het paard aan de binnenkant loslaat en hol is, terwijl het over de benen rechtuit blijft lopen. Dit is een belangrijk stukje. Pas als je hier controle over hebt, ga je het daadwerkelijke appuyement rijden. Op het moment dat je het appuyement inzet, zet je de schouder iets voor en bijna tegelijkertijd neem je de achterhand met mijn buitenbeen mee.’

‘Ook het zigzagappuyement in draf kwam al aan bod tijdens de eerdere aflevering over zijgangen. In galop is dit zigzagappuyement nog iets moeilijker. Na het omstellen moet je namelijk een changement rijden. De zigzagappuyementen in galop leren wij als volgt aan. Je rijdt je galopappuyement door tot aan de hoefslag. Daar maak je je paard recht. Als het paard echt recht is en de voorwaarden voor het changement kloppen, dan maak je je changement. Wanneer dit op een gegeven moment goed gaat, doe je ditzelfde, maar dan tot enkele meters voor de hoefslag. Als dat weer goed gaat, rijd je het appuyement tot aan de AC-lijn. Je maakt het paard recht, springt het changement en rijd weer recht uit. De volgende stap is, dat je na het rijden van het changement, stelling vraagt naar de nieuwe kant waar je heen wilt appuyeren. Je moet echt weer het gevoel hebben dat het paard aan de nieuwe binnenkant loslaat en hol is, terwijl het over de benen rechtuit

Het belangrijkste is dat het paard leert wachten

blijft lopen. Pas als daar controle over is, kan je het tweede appuyement inzetten. Het belangrijkste is dat het paard leert wachten. Daarom rafelen we deze oefening uiteen en train je heel bewust stukje voor stukje. Ieder onderdeel moet kloppen. Deze oefening wordt pas gevraagd vanaf Intermediaire I niveau. In de Grand Prix zijn het aantal sprongen die je moet springen voordat je changeert en naar de andere kant toe appuyeert vastgesteld. ‘3-6-6-6-3’. Het changement is de eerste sprong van de nieuwe kant waar je opgaat. Het komt dus allemaal heel vlug achter elkaar.’

Veel oefenen?

‘Je ziet in het galopappuyement wel eens dat de achterhand te veel voorkomt. De focus ligt dan te veel op het opzij gaan, en moet meer op de controle over de buitenkant (buitenschouder) liggen. In dat laatste ligt ook de oplossing. Wat je in de zigzagappuyementen ook nogal eens mis ziet gaan, is dat het paard na het changement zelf al de andere kant op gaat. Het paard neemt zelf initiatief en wacht niet op de hulpen. Het is belangrijk dat het paard echt leert wachten op de hulpen. Om dit te bereiken rijden wij bijvoorbeeld de volgende oefening: Stel je begint met een appuyement naar rechts. Je springt je changement en maakt je paard recht. Je stelt je paard om naar links, maar in plaats van het linkerappuyement in te zetten, galoppeer je gewoon rechtuit. Een volgende keer herhaal ik dit stukje, maar in plaats van het linkerappuyement in te zetten laat ik mijn paard naar rechts wijken. Zo leert het paard niet in de wissel alvast de andere kant op te gaan, en blijft hij losser, en beter wachten. Hoe beter je over dat stukje controle hebt, hoe sneller je op een gegeven moment het changement kan maken en de omstelling naar de andere kant kan maken. En dat is belangrijk, want de verschillende onderdelen uit een zigzagappuyement komen heel snel achter elkaar.’

‘Er wordt wel eens aan mij gevraagd of ik de zigzagappuyementen veel oefen met m’n paarden. Nee, een heel zigzagappuyement zoals in de proef wordt gevraagd, oefen ik in de normale training niet heel vaak. Wat ik wel heel veel train, is stukjes zigzagappuyement. Belangrijk is dat het paard onderdeeltje voor onderdeeltje onder controle is en echt wacht op mijn hulpen voordat het het volgende onderdeel in zet.’

Wat is een (arbeids)pirouette?

‘Een echte pirouette is een zo klein mogelijke cirkel, waarbij de voorhand om de achterhand galoppeert, met een straal gelijk aan de lengte van het paard. Bij een arbeidspirouette is de straal waarover het paard de pirouette maakt veel groter. Deze straal kan bij een arbeidspirouette variëren. Veelvoorkomend is het rijden van arbeidspirouettes op een volte van 10 of 15 meter. Doordat de oefening op een kleine volte wordt gereden, galoppeert bij de arbeidspirouette de voorhand niet echt om de achterhand heen. De arbeidspirouette doet meer denken aan het rijden van travers op de volte. Paarden met een kwalitatief goede galop (vlug achterbeen, naar boven gesprongen met een mooi grijpend voorbeen), hebben vaak ook mooie pirouettes. Je hebt ook wel eens paarden met een mindere galop, die dankzij de pirouettes een betere galop krijgen. Dat komt omdat ze in de pirouettes echt moeten gaan zitten en hun gewicht op de achterhand over moeten nemen. Hierdoor krijgen ze dikwijls aan de voorkant een mooiere afloop van de galop.’

Training

‘Met de arbeidspirouettes beginnen wij als het paard de contragalop goed beheerst. Als het zonder de balans (mentaal en fysiek) te verliezen op ieder gewenst moment naar voren kan en weer terug. De opbouw van de arbeidspirouette doen we op de grote volte. We vragen het paard op de grote volte traversachtig te galopperen. Niet ieder paard doet dat heel makkelijk. Als een paard er moeite mee heeft, stel je het hoofd naar buiten en nodigen wij op die manier het paard uit de achterhand naar binnen te doen. Net zoals je de travers in draf aanleert. Hoeveel je de achterhand van het paard naar binnen doet, kan per paard wat verschillen. Het is goed als je het gevoel hebt dat de achterhand zoveel naar binnen is, dat het paard ‘gaat zitten’ en je toch het voorwaartse gevoel kan behouden. Doe je de achterhand te weinig naar binnen, dan lukt je nooit om uiteindelijk een echte pirouette te maken, omdat het paard te weinig draagt. Doe je de achterhand teveel naar binnen, dan gaat dat ten koste van de sprong in galop. De schuinte van de travers op de volte in galop kan je ook variëren. De ene keer de achterhand wat meer naar binnen, de andere keer wat minder.’

Training

‘Op het moment dat je controle hebt over de travers op de grote volte, dat je kan schakelen en variëren in schuinte, is het moment aangebroken om de volte kleiner te maken. Zo ontstaat de arbeidspirouette. Dat kleiner maken doe je stapje voor stapje. Voorwaarden zijn dat je altijd het galopritme en het voorwaartse gevoel behoudt. Deze twee dingen hangen ook met elkaar samen. Het rijden van arbeidspirouettes blijft voor paarden tot op het hoogste niveau een oefening die regelmatig terugkomt in de training. Wat dat betreft rijden we, ook met onze Grand Prix-paarden, meer arbeidspirouettes, dan gewone pirouettes. De arbeidspirouettes zijn een mooie voorbereiding voor de pirouettes en hebben als oefening bovendien gymnastiserende waarde.’

Training

Pirouette

‘Het rijden van een (halve) pirouette vloeit voort uit het rijden van de arbeidspirouette. Op het moment datje paard in balans de arbeidspirouette beheerst. Dat je daarin in kan schakelen en de schuinte van het naar binnenkomen van de achterhand kan variëren, probeer je als het ware te draaien ‘vanuit de schouders’. Je probeert met je buitenhand de schouder (voorhand) om de achterhand heen te draaien. Je moet er voor zorgen dat je het ‘draaien’ onder controle kan houden. En er vervolgens recht uit galopperen. Zodra je de voorhand om de achterhand heen draait is er sprake van een pirouette. In de Grand Prix bestaat een hele pirouette uit minimaal zes galopsprongen en maximaal acht galopsprongen.’


‘Bij het onderdeel ‘pirouette’ noemde ik het al. Je moet het draaien onder controle houden. Wat je nogal eens ziet is dat de paarden op een gegeven ‘doorvallen’. Ze vallen zeg maar naar binnen. We corrigeren dit door twee handen naar de buitenkant te plaatsen, om de schouders als het ware tegen te houden. Het kan ook voorkomen dat het paard niet draait. Het valt dan juist over de buitenschouder heen. Op zo’n moment kloppen je voorwaarden niet, want je bent de controle over de buitenschouder kwijt. Doe een stap terug en herstel die controle weer (zie ook de afleveringen over de zijgangen). Je doet dit door met je buitenhand ‘tegen te sturen’, en de teugel over de manenkam te brengen. Als de controle over de buitenschouder hervonden is, kan er vanuit de arbeidspirouette opnieuw naar een pirouette worden gewerkt.’

Ga voor nog meer dressuurinstructie naar de Hoefslag Academy. Hier vind je video’s over allerlei rijtechnische onderwerpen.   

Tekst: Karin de Haan | Foto’s: DigiShots

Vergelijkbare artikelen

Reacties