Hoe doen ze het toch? Iedere dressuurliefhebber moet zich dat wel eens afgevraagd hebben als Anky, Imke, Edward, Hans Peter of Adelinde met hun paarden in de ring verschijnen. De paarden bewegen van de grond door de baan, atletisch, één en al losheid en souplesse en met een super mooie constante aanleuning.

Als deze topruiters hun betere proeven rijden, zit je halverwege al met kippenvel op de tribune. Dressuur gaat dan zoveel verder dan alleen maar het rijden van een paar (overigens vaak moeilijke) oefeningen. Dat optimaal voor elkaar zijn, waardoor de paarden door de hele proef heen met nog meer afdruk en losheid gaan lopen, is echt een kenmerk van de dressuur van vandaag de dag. Komt het doordat de paarden zo goed zijn, of is het de training die de paarden nog atletischer maakt dan ooit daarvoor? Waarschijnlijk beide. Het trainen van dressuurpaarden heeft de laatste jaren geleid tot felle discussies. Met name op internet, maar ook in verschillende (voornamelijk Duitse) tijdschriften is het onderwerp van kritiek. De focus wordt volledig gelegd op het extreem rond en diep instellen, waarvoor termen als Rollkür en Hyperflexie zijn bedacht. Terwijl dit eigenlijk maar een onderdeel van een totaalaanpak van de training is. Wat ook opvalt, is dat er op internet en in de literatuur maar weinig naslagwerk te vinden is, waarin op kundige wijze inhoudelijk ingegaan wordt op de methode. Bij elkaar is dat twee keer jammer. Reden dat Imke in deze aflevering ingaat op de weg naar de optimale losheid. 

Ga voor nog meer dressuurinstructie naar de Hoefslag Academy

Stellen en buigen: basisvoorwaarden

‘Het paard stellen en buigen helpt om het leniger en atletischer te maken. Het wordt sinds jaar en dag gebruikt om het paard te gymnastiseren. Door hier meer in te variëren kan je een dressuurpaard verder ontwikkelen en leniger maken. Wanneer beginnen wij met stellen en buigen? Dat is per paard verschillend. Het jonge paard maakt er kennis mee in bijvoorbeeld de hoeken en voltes. Ook bij het rijden van een oefening als wijken voor de kuit kan de stelling en buiging een keer meer meegenomen worden. Het accent bij het jonge paard in de africhting ligt echter op het rechtgericht zijn. En dat is dan ook direct een belangrijke basisvoorwaarde voor het stellen en buigen. Rechtgericht zijn gaat niet zonder tempocontrole, nageeflijkheid op de weerstand biedende hand en een onafhankelijke zit van de ruiter. Dus dat zijn basisvoorwaarden die vermelding behoeven. Rechtgericht betekent dat het paard voor en achter in hetzelfde spoor loopt. Op de rechte lijn, maar ook op de volte. Is het paard niet recht, zwaait het uit in de hoeken, loopt het met de achterhand naar binnen of naar buiten of loopt het niet op twee teugels, dan moet dat eerst opgelost worden, voordat je verder kunt. Het is niet zo makkelijk om dé oplossing voor een scheef paard op te schrijven. Scheefheid kan verschillende oorzaken hebben. Zo kan het uit de achterhand, of uit de rug komen. Soms is het op te lossen door training, in ander gevallen is het beter de hulp in te schakelen van een specialist (dierenarts / fysiotherapeut)? Kijk ook kritisch naar je zelf. Als je zelf scheef en onvoldoende in balans zit, kan je van je paard niet verwachten dat het recht loopt. Dan zal je eerst aan je eigen balans moeten werken (zie daarvoor de eerdere aflevering over ‘Houding en zit’). Rijtechnisch gezien ligt de oorzaak van scheefheid heel dikwijls in het hebben van onvoldoende tempocontrole. Controleer of het paard echt voor het been naar voren gaat, en echt terugkomt op de teugelhulp, en vervolgens door blijft lopen als je geen hulp geeft. Vaak is dat bij een scheef paard niet het geval. Het rijden van bewuste en consequente overgangen, waarbij je paard op de kleinste beenhulp een voorwaartse reactie geeft, en op de kleinste teugelhulp terug komt, helpt om de tempocontrole en daarmee de rechtgerichtheid te verbeteren. Het sleutelwoord bij het corrigeren van scheefheid is volgens mij de mogelijkheid om te kunnen ‘verlengen’. Als je zelf scheef zit, moet je je lang kunnen maken om dit op te lossen. Ditzelfde geldt voor het paard.’

Stellen en buigen: de opbouw

‘Belangrijk is dat een paard naar beide kanten gelijkmatig moet kunnen buigen en stellen, voordat je het weer een stapje moeilijker kan maken. Raak niet gefocused op één kant, maar blijf altijd werken aan beide kanten. Zoals eerder gezegd oefenen we het stellen en buigen bij het jonge paard door hoeken, voltes en met behulp van een oefening als wijken voor de kuit te rijden. Het gaat erom dat het paard leert om met zijn achterbenen in het spoor te blijven van zijn voor100807_RV102635RSbenen. Voor een jong paard kan dit moeilijk zijn, vooral op de volte of in de hoeken. Het kan bijvoorbeeld uitzwaaien met de achterhand of zich vasthouden aan de binnen- of buitenteugel. Dat zijn signalen dat het jonge paard nog niet genoeg in balans is en dus recht genoeg is om een stapje verder te gaan met stelling en buiging. Pas op het moment dat het paard op een grotere volte in balans is, zonder problemen blijft sporen, en nageeflijk blijft op twee teugels, kan je een stapje verder gaan, door de voltes kleiner te maken. Op het moment dat je voltes kleiner maakt, krijg je een scherpere stelling en buiging in het lijf. Het is een kwestie van opbouwen. Als je de volte te snel te klein maakt, raakt het paard uit balans, spoort het niet meer en geeft het niet meer na op twee teugels. Dan is het zaak een stap terug te doen en het paard eerst weer op de grote volte voor elkaar te hebben, voordat de volte kleiner gemaakt kan worden. Pas als het paard het gevoel geeft de kleine volte (10 meter) zelf vol te kunnen houden, dus geen steun zoekt op één van de teugels, maar blijft nageven op twee teugels, in balans en in hetzelfde tempo door blijft lopen en blijft sporen, ben je zover doorgewerkt dat je de stelling verder kan verfijnen. Gemiddeld genomen is een paard dan (minimaal) een jaar of zes oud. Een volgende stap is dat je echt controle probeert te verkrijgen over de stelling. Om die controle te verkrijgen, pluizen wij de stelling uit. We willen het paard eigenlijk werveltje voor werveltje kunnen stellen. We halen het stellen uit elkaar, om zo meer controle over het stuk tussen de schouder en het oor te verkrijgen. We vragen dus eerst stelling in de kaak, waardoor het paard alleen buigt in de eerste halswervel. Dat doe je door met de binnenteugel zo te vragen dat alleen de kaak naar binnen komt. Dat vergt wel enige oefening, maar het is iets dat de meeste paarden kunnen leren. Daarna volgt de rest van de hals. Als je het je paard zo leert, dan heb je direct meer controle over de stelling. Daarmee kan je meer variëren in de stelling, en daarnaast controleren of alle wervels in de hals echt los zijn, en mocht dat niet het geval zijn kan je doordat je het stellen ‘uit elkaar pluist’ makkelijker lokaliseren waar het probleem zit. Tenslotte biedt de controle over het stellen en buigen een prima uitgangsituatie voor het rijden van zijgangen, waarbij niet alleen stelling in de hals maar ook buiging in het hele lichaam wordt gevraagd. Daarover in een volgende aflevering meer.’

Houdingcontrole

‘Er zijn mensen die zeggen als een paard rond en diep loopt, dat deze op de voorhand loopt. Maar op de voo100807_RV102635RSrhand lopen heeft niets te maken met waar de hals is, maar hoe het evenwicht is en naar welke kant de schoft oploopt. Je kunt opwaarts rijden met de hoofdhals houding laag. Dat begint met de vanuit de aanleuning ontstane gebolde rug met aangespannen buikspieren. Als die verbinding optimaal is (van staart tot oren), kan het paard laag ingesteld met de schoft en rug omhoog lopen. Andersom kan een hoog ingesteld paard op de voorhand lopen, wanneer het hoofd naar boven wordt ‘getrokken’ en de rug hol wordt, waardoor de schoft als het ware ‘naar beneden’ gaat.

Daarom is het zo belangrijk om wanneer je je paard netjes over de rug hebt losgereden, hem geleidelijk aan iets hoger in te stellen, waarbij de optimale verbindingsboog niet verbroken wordt en het evenwicht niet verandert.’

Verkorten en verlengen

‘Met een jong paard heb je een beperkt aantal houdingen, dit kwam in de vorige aflevering ter sprake. Zoals je met je tempo meer versnellingen krijgt als je verder komt in de africhting, heb je ook meer variatiemogelijkheden in de hoofd/halshouding bij een ouder paard.

Zorg dat het paard altijd voor het been vooruit blijft denken

Als een paard eenmaal in balans is, het lijf getraind is en de spieren ontwikkeld zijn, dan is het ook toe aan meer variatie in de hoofd-halshouding. Een belangrijke basisvoorwaarde, die te allen tijde voor elkaar moet zijn is: zorg dat het paard altijd voor het been vooruit blijft denken, en dat het op twee teugels nageeflijk is. We vragen het paard om afwisselend kort (aanspanning) en lang (ontspanning) te worden. Dat doen we omdat dat bijdraagt aan zijn atletische ontwikkeling. Daarom is het ook zo belangrijk dat dit op kundige wijze gebeurt. Forceren, trekken en foutief gebruik van hulpteugels hebben niets met atletische ontwikkeling en daarmee met dressuur te maken, en zijn dus ook in dit stukje doorontwikkeling van het paard uiterst verwerpelijk. Belangrijk is dat het paard over de rug gaat. Een paard dat over de rug gaat, is over het algemeen nageeflijk. Omgekeerd is het ook zo. Als een paard zijn rug niet goed gebruikt, kan de aanleuning nooit goed zijn. Daar is het hele verhaal van variatie in de hoofd-halshoudingen op gebaseerd. Je ontwikkelt je paard als een atleet als je de verschillende houdingen kunt doen. Dan ontwikkel je zijn lijf optimaal om hem uiteindelijk te kunnen laten doen wat je wilt en verkrijg je controle. Er zijn veel verschillende soorten hoofd halshoudingen waarin je je paard kan lopen. Variatie maakt dat je in de training eigenlijk oneindig veel mogelijkheden hebt om je paard te gymnastiseren en te controleren of hij echt los is.’

Hoe verkort en verleng je?

‘Stel je hebt je paard laag en lang ingesteld, een houding die wij vaak gebruiken bij het loswerken. Van daaruit ga je je paard geleidelijk wat korter maken. Dat doe je door het tempo te blijven controleren en je weerstand biedende hand te gebruiken. Nogmaals alleen wanneer dit kundig en met gevoel gebeurt, draagt het bij aan de ontwikkeling van het paard. Heb je hier geen ervaring mee, doe het dan alleen in overleg met en onder begeleiding van een kundige instructeur. Heel belangrijk is, dat je iedere keer als je de hals korter maakt, al is het maar een halve centimeter, je eerst weer nageeflijkheid hebt, voordat je verder kan gaan. Een verder gevorderd paard kan in één trainingsuur van lang laag, naar lang kort naar iets hoger kort naar bovenin kort. Al zijn er ook verder gevorderde paarden die dat nooit zullen kunnen, omdat hun conformatie (bouw) zich er doodeenvoudig niet voor leent. Bij een paard dat nog in opleiding is, mag je blij zijn als het van half hoog, één centimeter of twee centimeter korter wordt en daarop nageeft. Dat nageven is enorm belangrijk. Dat is het moment dat het paard echt loslaat in de betreffende houding. Bij het verkeerd toepassen van variatie in hoofd-halshouding, wordt het nageven vaak vergeten, waardoor het zijn essentie en doel verliest.’

Diep en rond

‘Als je het principe van het toepassen van variatie in de hoofd-halshouding goed door hebt, zal je begrijpen dat100807_RV103713RS alleen de paarden die zeer ver gevorderd zijn in hun rijtechnische opleiding hier aan toe zijn. Het kost jaren training voordat je op die manier in de hoofd-halshouding kan variëren. Daarbij durf ik te stellen dat een deel van de dressuurpaarden er helemaal nooit aan toe komt. Enerzijds omdat ze onvoldoende op de goede manier opgeleid zijn. (Veel ruiters komen ook nooit zover.) Anderzijds omdat hun bouw en atletische kwaliteiten zich er niet voor lenen. Vergelijk het met het turnen. Hoeveel mensen zijn er die een spagaat kunnen? Veel mensen zijn daar van nature gewoon niet lenig genoeg voor, ook al zouden ze er jarenlang op trainen. Als ik zeven paarden op een dag rijd, dan zijn dat geen zeven Sunrises. Het streven is wel om ieder paard net zo ver afgericht te krijgen als Sunrise. Daar werk je naar toe, en zo bouw je de paarden op. Maar er zijn paarden bij die nooit zover zullen komen, omdat ze doodeenvoudig minder atletisch zijn. Het africhten van paarden is wat dat betreft echt maatwerk. Je probeert je steeds aan te passen aan je paard (de mogelijkheden en het africhtingniveau). Ook het variëren in de houding pas je daar op aan.’ (foto’s: Veurink/Sanoma)

Meer over aanleuning in de tweede videoaflevering van de Hoefslag Academy

Vergelijkbare artikelen

Reacties