‘Welke richting iemand kiest die paard gaat rijden wordt meestal bepaald door de omgeving. Als vader of moeder fanatiek zijn in een of andere tak van paardensport zie je de kinderen vaak dezelfde kant opgaan. Dat zie je in dressuur, in western, bij endurance, maar ook bij het aangespannen rijden en in de draf- en rensport. Maar ook als kinderen geen ouders hebben die iets in de paardensport doen zie je dat ze in hun keuze beïnvloed worden door anderen: Bijvoorbeeld iemand in de buurt die paarden heeft. Of kinderen gaan met vriendjes of vriendinnetjes mee naar een manege. En dan is het weer afhankelijk van wat er op die manege gedaan wordt. In mijn omgeving werd gesprongen: Zowel mijn vader als moeder sprongen, maar ook praktisch alle andere mensen waar ik mee in aanraking kwam waren fanatieke springsportliefhebbers. Bovendien is het niveau hoog in het milieu waarin ik opgroeide. Ik heb daar veel voordeel van gehad. Het heeft de weg naar waar ik nu sta een stuk korter gemaakt.

Plezier en durf

Het allerbelangrijkste om te kiezen voor de springsport – maar dat geldt voor heel veel dingen – is dat je er plezier in moet hebben en houden. Dat geldt zeker voor jonge kinderen. Als het plezier ontbreekt houdt de hobby vroeg of laat een keer op. Het moet daarom in het begin allemaal spelenderwijs gaan. Ik ben er voorstander van om al vroeg simpele parcoursjes te springen. Of dat rijtechnisch wel of niet op de goede manier gebeurt vind ik helemaal niet belangrijk. Als het plezier groot genoeg is, komt de wil om het goed te leren vanzelf. Uiteraard moet dat wel gebeuren onder goede begeleiding zodat de risico’s beperkt blijven, het paard of de pony niet de dupe wordt en het vertrouwen van de ruiter niet geschonden wordt.

Bang worden is een van de meest voorkomende redenen dat ruiters stoppen met springen

Bang worden is een van de meest voorkomende redenen dat ruiters stoppen met springen. Natuurlijk moet er wat durf in je zitten om te springen, maar durf moet je ook op kunnen bouwen. Naast goede begeleiding is het paard of de pony waarop je leert springen heel belangrijk. Zo’n dier moet gewoon recht naar een hindernis lopen en er overheen springen. En het liefst wat flegmatiek zijn, zodat de ruiter leert het initiatief te nemen en brutaal naar de hindernis toe te rijden. Dan kom je uit bij ervaren, oudere dieren. Jonge paarden of pony’s zijn in mijn ogen ongeschikt voor beginnende ruiters. Die zijn meestal te vlug, willen harder lopen dan de ruiter durft en schieten af en toe langs een hindernis. Dat levert ruiters op die onzeker worden, afwachtend rijden en hun paard tegenwerken.

Ruitereigenschappen

Aan de lichamelijke eigenschappen van een ruiter worden in de springsport geen bijzondere eigenschappen gesteld. In de topsport zie je ruiters die heel verschillend gebouwd zijn. Ik ben zelf klein en ervaar dat als een voordeel omdat je zwaartepunt dan dicht bij het paard ligt. Als je een dik parcours moet springen en een korte afstand naar een volgende hindernis moet rijden, moet je als ruiter na een sprongJM-VleutenM-Kentucky04RS in de landing wat terug gaan zitten. Als een kleine ruiter zoals ik of Gerco Schröder wat teveel naar voren zitten merkt een paard daar weinig van. Als grote ruiters zoals Ludger Beerbaum of Piet Raijmakers dat doen, is de invloed op het paard veel groter. Natuurlijk hebben zij daarmee om leren gaan, maar het is in onze sport mooi meegenomen als je kleiner bent. En ik denk dat kleine ruiters gewoon wat lekkerder op hun paard zitten. Ik word in elk geval niet jaloers op Ludger Beerbaum als ik hem met die hele korte beugels op zijn paard zie zitten.

Qua karakter moet een ruiter vooral veel wilskracht hebben en niet snel tevreden zijn. Ik ben altijd heel strikt geweest op mijn eigen fouten. Daar strafte ik mijzelf heel hard op af. Soms zelfs te hard. Ik kon als kind heel boos zijn als ik tweede werd in een onbenullig ponywedstrijdje dat ik ook had kunnen winnen. Een winnaarsmentaliteit is onontbeerlijk als je succes wilt hebben in de sport, maar bij mij ging het te ver. Gelukkig heb ik geleerd daar mee om te gaan en eerder tevreden te zijn. Toch heeft dat strikte mij wel een betere ruiter gemaakt. Ik overdenk elk parcours dat ik rijd, maar ook hoe ik dagelijks bezig ben: Wat heb ik goed gedaan en moet ik zo houden? En wat is voor verbetering vatbaar en hoe doe ik dat in het vervolg beter?

Het paard

Ik heb het al kort even over het paard of de pony gehad waarmee je fijn kunt beginnen. Daarbij is vooral het karakter belangrijk: Braaf, eerlijk en vergevingsgezind als de ruiter fouten maakt. Dan kom je bijna automatisch bij een ouder en ervaren paard uit. Van een beginnende ruiter kun je niet verlangen dat hij meteen passend naar de hindernis rijdt. Een goed gereden paard kan tekortkomingen van de ruiter compenseren en bovendien de ruiter het juiste gevoel geven. De kwaliteiten die in een springpaard gezocht worden zijn in dit stadium nog niet zo belangrijk. Een voorzichtig paard moet op de juiste afzetplek gebracht worden en gaat niet graag eerder of later van de grond. Het zal dan liever stoppen. De beginnende ruiter kan beter een paard hebben dat zonder probleem wat vroeger of later afzet. Dat het daarbij wel eens een balkje meeneemt mag geen probleem heten. Ook de springtechniek is in dit stadium nog niet echt belangrijk. Dat is pas van belang als het hoger wordt. Zelf ben ik ook op brave pony’s begonnen. Als ik er te groot voor werd kwamen er weer grotere. En toen ik er aan toe was kwamen er pony’s met meer kwaliteit. Dat betekende wel dat ik regelmatig afscheid moest nemen van pony’s waar ik fijn mee gereden had en waar ik aan gehecht was.

Ik heb wel een band met mijn paarden, maar als ze weggaan komen er weer andere waar ik een band mee krijg

Dat hoort erbij in de ponysport. Afscheid nemen was nooit leuk, het was wel weer leuk om mijn pony’s weer terug te zien met andere kinderen. Binnen de ponysport zie je vaak circuits ontstaan van pony’s die van de ene familie naar de andere gaan. Nu ben ik er aan gewend dat paarden komen en gaan. Een paard is voor mij geen gezelschapsdier. Ik hecht er niet aan zoals aan een hond. Ik heb wel een band met mijn paarden, maar als ze weggaan komen er weer andere waar ik een band mee krijg. De handel is voor ons noodzakelijk om te blijven bestaan. Ik vind het wel eens jammer als een paard verkocht wordt, maar dat is dan meer uit sportief oogpunt dan uit sentimentele overwegingen.

Wanneer beginnen?

Ik ben er voorstander van om al vroeg te beginnen met springen. Een ruiter moet wel enigszins vrij op zijnpaard zitten, in draf licht kunnen rijden zonder zijn paard te hinderen en ook in galop de bewegingen van zijn paard kunnen volgen. Over op de grond liggende balken draven met eventueel e080715739_ABFA4RSen klein hindernisje daarachter is alleen maar goed om de ruiters een onafhankelijke zit aan te leren. Bovendien brengt het afwisseling in de lessen en het geeft ook een bepaalde uitdaging. Als dat allemaal goed gaat kan op een passende afstand daarachter een volgend hindernisje gezet worden. Zo kom je al gauw spelenderwijs tot het rijden van een heel laag parcoursje. Daarbij is vooral het leren opletten en sturen waar je naar toe moet belangrijk en er worden ook automatisch tempowisselingen gemaakt. De aandacht van de ruiter wordt daarmee afgeleid van het paard en het paardrijden op zich wordt meer en meer een automatisme. De ruiter leert spelenderwijs onafhankelijk zitten en zijn paard volgen in de bewegingen. In dit stadium is het springen een onderdeel in het bijbrengen van de meest elementaire zaken van het paardrijden. Wel zullen ruiters al een idee krijgen of springen voor hen interessant is of niet. Naarmate de ruiter vordert zal op een gegeven moment wellicht gekozen worden om meer de springrichting in te gaan. Op veel maneges worden springlessen gegeven op manegepaarden of pony’s. Maar je kunt meestal ook meedoen met een eigen pony. Ook hier geldt weer dat de begeleiding goed moet zijn. Het opbouwen van vertrouwen is nog steeds belangrijk, maar rijtechnisch zullen de eisen wat hoger komen liggen. Persoonlijk geef ik op dit niveau de voorkeur aan groepslessen. Het werkt stimulerend om in een groep naar een doel toe te werken en het is gewoonweg gezelliger. Bovendien is kijken naar anderen en zien hoe zij probleempjes oplossen leerzaam. Je leert niet alleen van de lesgever, maar ook van elkaar.’ |

Tekst: Toin Diks / Remco Veurink

Vergelijkbare artikelen

Reacties