Op een zeker moment zal een springruiter de keus moeten maken: blijf ik recreatief rijden of ga ik verder in de sport? Als het doel hoger komt te liggen, zal de training intensiever en meer gestructureerd moeten worden. Maikel van der Vleuten vertelt hoe dat op Stal Van der Vleuten gedaan wordt.

‘Wie Z en ZZ wil gaan rijden zal serieuzer moeten gaan trainen. Er wordt meer kracht gevraagd van de paarden en ze moeten beter aan de hulpen staan. Je kunt bijvoorbeeld een dikke oxer tegenkomen vanuit een hoek. Dat kost kracht en je paard zal goed aan de hulpen moeten staan om die opgaven goed te volbrengen. Daar moet je aan werken door dagelijks te trainen. Vooral de dressuurtraining zal meer geïntensiveerd worden. Toch zul je mij niet in een dressuurwedstrijd zien. Voor mij is het doel immers niet om een aantal oefeningen zo goed mogelijk uit te voeren. Voor mij is dressuur een middel om mijn paard sterk en soepel te maken en tevens scherper op de hulpen te leren reageren.

Basisroutine

Er wordt vaak aan mij en andere topspringruiters gevraagd hoe wij trainen. Vaak wordt gedacht dat topspringruiters iets speciaals doen met hun paarden. Ik denk dat succes in de springsport vooral te maken heeft met consequent en met beleid trainen. Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. Zoek de zwakke schakel op en werk daaraan. Je moet als ruiter aan leren voelen wat je paard nodig heeft. Maar ook de ruiter kan de zwakke schakel zijn! Durf jezelf af te vragen op welke punten je jezelf kunt verbeteren en werk daar aan. Natuurlijk bestaat er wel zoiets als basisroutine.

Je hoeft echt geen uur of anderhalf uur op je paard zitten

Bij ons komen de paarden minimaal twee keer per dag uit de stal. ’s Morgens gaan ze een half uur tot drie kwartier in de trainingsmolen en ’s middags worden ze gereden, of andersom. En als het even kan gaan ze ook nog een poos in de wei. Je hoeft echt geen uur of anderhalf uur op je paard te zitten om goed te trainen. Een half uur tot drie kwartier goed trainen is voldoende. Dat bestaat bij ons uit een minuut of vijf tot tien losstappen, gevolgd door een paar rondjes simpel voorwaarts draven waarbij de paarden lekker los door hun lijf kunnen bewegen. Van daaruit rijden wij wat tempowisselingen en een zijgangetje. Een minuut of tien vind ik voldoende. De galop vind ik het belangrijkst, dat is immers de gang waarin we de parcoursen rijden. Ook daarin begin ik simpel met linksom en rechtsom galopperen om daarna wat tempowisselingen en zijgangen te vragen. Op de grote volte galopperen en daarbij de volte verkleinen om het paard meer op de achterhand te krijgen is ook een oefening die ik veel gebruik. Bij het weer vergroten van de volte probeer je de opgebouwde verzameling te bewaren. Vaak zul je daarbij wat voorwaarts moeten rijden, zodat de achterhand onder de massa blijft. Deze oefening vraagt kracht en maakt een paard op den duur sterker. Na dat werk draaf ik een minuut of vijf rustig uit. Daarmee zit het dagelijkse werk er in de regel op. Verder uitstappen en de verzorging doen de grooms bij ons op stal.

Nageeflijkheid en tempo

Natuurlijk passen wij de training qua zwaarte aan het niveau van het paard aan. In principe moet elk paard laag kunnen lopen met lengte in de hals. Naarmate het niveau hoger wordt moet een paard ook meer gVan der Vleuten Michael Stal Van der Vleuten Mierlo 2009 Photo © Hippo Fotoewicht op de achterhand kunnen nemen, opgericht kunnen lopen en bovenin na kunnen geven. Zo loopt een paard in de hogere klassen in het parcours immers ook. Als ik in een parcours een keer moet wachten en een ophouding geef, doe ik dat ook als het paard bovenin loopt. Veel mensen denken dat hun paard nageeflijk is als het met een lange lage hals loopt. Maar een paard is pas nageeflijk als het de achterhand gebruikt en onder de massa brengt en van daaruit los kan zijn in het kaakgewricht. Ook als een paard bovenin loopt moet het na kunnen geven. Bovendien moet een paard niet in een starre houding lopen, het gaat juist om het kunnen veranderen van de houding. In staat zijn om te verlengen en verkorten is in een parcours heel belangrijk. Daarbij moet altijd een verbinding blijven tussen de ruiterhand en de mond van het paard, zonder dat het paard in de hand gaat hangen.

In de training kun je tempowisselingen gebruiken om dat doel te bereiken. In de training deel ik als hulpmiddel in elke gang het tempo op in vijven. Drie is het basistempo. Van daaruit kun je schakelen. Vier en vijf is tempo verhogen. Twee is langzamer en één is heel kort laten lopen. In principe moet dat allemaal in dezelfde houding kunnen. Het helpt mij om bewust met het tempo om te gaan. Thuis ben je immers gauw geneigd een beetje gemakkelijk onder het tempo te gaan rijden, terwijl een van de belangrijkste dingen in het springen een goed basistempo is, van waaruit je makkelijk kunt schakelen.

Snel rijden

In de training besteden wij vrij weinig aandacht aan snel rijden. Snel rijden leer je spelenderwijs, door het vaak te doen. Wanneer je in een oefenparcours foutloos bent probeer je al eens wat in de barrage. Zo heb ik zelf van jongs af aan barrage leren rijden. De een heeft het van nature makkelijker om korte bochtjes te zien en vloeiend te kunnen rijden. Thuis kun je wel een beetje oefenen door schuin op een sprong aan te rijden zodat je er aan went dat je niet altijd precies recht voor de sprong komt.

Van overdreven hard rijden ben ik geen voorstander

Om daar wat handiger in te worden kun je bijvoorbeeld een steilsprong bouwen en daar een aantal keren in een acht overheen gaan. Door niet altijd vanuit hetzelfde tempo te springen kun je thuis wel wat oefenen op tempo-controle. Maar wij oefenen niet echt op barrages, ook niet met jonge paarden. We rijden wel korte bochtjes als we met onze jonge paarden een barrage rijden, ook al in de klasse L. Dan leren ze dat vast. Ik geloof niet dat ze er iets van lijden. Van overdreven hard rijden en volle bak door de bochten gaan met jonge paarden ben ik geen voorstander. Daarvoor is de controle vaak nog niet voldoende. Bovendien hebben daarmee de pezen en spieren veel te verduren. Naarmate een paard verder is kan het tempo gecontroleerd opgevoerd worden in de barrage. In een lijn die in het normale parcours een bepaald aantal galopsprongen telde zoveel tempo maken dat je in een barrage een galopsprong minder kunt maken is vooral een kwestie van goed parcourslopen. Als je in het basisparcours een lijntje hebt van vijf korte galopsprongen is dat in een barrage vaak heel simpel in vier galopsprongen te rijden. Het mag echter niet zo zijn dat je een galopsprong minder maakt bij gebrek aan controle.

Aanvoelen

Onze paarden worden zes dagen per week gewerkt. De paarden die niet meegaan op concours worden op zondag niet gereden, ze komen dan wel in de trainingmolen. De concourspaarden doen het op maandag een dag Van der Vleuten Michael Stal Van der Vleuten Mierlo 2009 Photo © Hippo Fotorustig aan. Het gebeurt ook wel dat een paard dat twee dagen onder de man gewerkt is, de derde dag aan de longe gaat. Hoe we dat allemaal precies indelen is niet exact aan te geven. Het ligt er aan hoe oud het paard is, hoe ver het in de trainingsopbouw is en wat het concoursschema is. Dat moet je aanvoelen. Je paard moet fit blijven en het werk graag blijven doen. Daarom kun je het werk in de rijbaan ook eens afwisselen met een buitenrit of galopwerk op een renbaan. Daarmee houd je meteen de conditie op peil. Welke springtraining ik mijn paarden geef is helemaal afhankelijk van het paard. De oudere paarden die vaak op concours gaan hebben niet zo veel nodig als ze in het concoursritme zitten. De jongere paarden krijgen het werk dat we in de eerdere afleveringen ook al besproken hebben bij de opleiding van de ruiter. En ik pas mijn training ook wel eens aan. Je hebt wel eens een wat slap paard, of eentje die met een wat lang voorbeen springt, of een die weinig reflex heeft. Zulke paarden krijgen wat meer in-uit werk. Ze worden er sterker van en leren vlug reageren. Voor een paard dat sterk is in de mond en graag wat doortrekt bouw ik wel eens een lijntje van twee steilsprongen op vijf niet te grote galopsprongen. Daarin leert het paard terugkomen. De paarden die op basisniveau lopen laat ik meestal drie dagen voordat ze op concours gaan wat meer springen. De L-paarden laat ik dan wat lijntjes springen. Voor de paarden die hoger lopen bouw ik een gymnastieklijn. Dat kunnen verschillende dingen zijn: Op de lange zijde een dubbelsprong steil-oxer die van twee kanten gesprongen kan worden. Die zet ik op wedstrijdhoogte en de oxer behoorlijk op breedte. Op de steilsprong moeten de paarden omhoog springen, zich lang daarna lang maken naar de oxer toe en op de oxer rekken om de breedte te halen. Als ik diezelfde dubbelsprong andersom neem moeten ze lang inspringen en tussenin terugkomen op het achterbeen voor de steilsprong. En als ik met een bepaald paard tijdens een wedstrijd een specifieke moeilijkheid tegenkom bouw ik die thuis ook wel eens na. Hierin komt weer terug dat trainen vooral bestaat uit werken aan de zwakke punten.’ |

Klik hier voor een overzicht van onze instructie-items.

Tekst: Toin Diks | Foto’s: Remco VeurinkDirk Caremans

Reacties